Sylvain Ephimenco

Menselijke waardigheid

Wat kan een rapport ons vertellen over menselijke waardigheid, moed of lafheid? Helemaal niets. De waardigheid van een mens laat zich niet vangen in geschreven velletjes, ook al zijn het er meer dan drieduizend. Je kunt natuurlijk de menselijke waardigheid van iemand proberen te omschrijven aan de hand van zijn daden. De existentialistische methode. Hoewel dit niet op wetenschappelijke grond berust omdat daden door tal van factoren beïnvloed kunnen worden. Externe factoren die de menselijke waardigheid van een persoon onder druk zetten en hem kunnen dwingen daden te verrichten die niet bij zijn menselijke waardigheid passen.

Ik geef een voorbeeld aan de hand van een reportage over de Algerijnse oorlog die ik onlangs heb gezien. Meneer A was lid van het Algerijnse bevrijdingsfront FLN. Op een dag biecht hij bij het Franse leger de namen van al zijn kameraden op. Ze worden allemaal opgepakt en vermoord. Meneer A leeft nog. Op grond van zijn daden zou je kunnen zeggen dat A geen enkele menselijke waardigheid bezit. Hij is een verrader die verantwoordelijk is voor de dood van zijn eigen vrienden. Maar als je de externe factoren, die we ook verzachtende omstandigheden kunnen noemen, erbij betrekt, kan er toch sprake zijn van het behouden van menselijke waardigheid ondanks de uiteindelijke daden van verraad. Want meneer A blijkt een week lang door de Franse militairen te zijn gemarteld. Elektrische schokken op zijn genitaliën, de loop van een geweer in zijn anus, langdurige ophangingen, slagen, enzovoort.

Het rapport van het Niod dat een dag nadat ik dit schrijf verschijnt, kan ons enig inzicht geven in de schuldvraag omtrent de Srebrenica-genocide. Maar niet in de menselijke waardigheid van de Nederlandse officieren van Dutchbat die in hun missie van bescherming van de plaatselijke bevolking hebben gefaald. Er zullen altijd stemmen klinken om deze officieren vrij te pleiten door op de externe factoren te wijzen: gebrek aan (lucht)steun van de VN, uitzichtloosheid van de situatie en de zorg om de eigen manschappen ongeschonden uit de enclave te krijgen.

Maar wat een rapport niet kan doen, kan een tijdsdocument in de vorm van een filmpje wél. En dit kan dodelijk zijn. De video’s die de Bosnische Serviërs hebben gemaakt tijdens de ontmoetingen van generaal Mladic en de Nederlandse officieren zijn genadeloos. Over honderd jaar zullen ze nog gedraaid worden, misschien wel op scholen, hiermee dezelfde opvoedingswaarde krijgend als nu het dagboek van Anne Frank.

Lang na onze dood en die van overste Karremans en generaal Nicolaï zullen er vaders zijn die tegen hun kinderen zeggen: «Kijk, zo iemand moet je nooit worden. Iemand zo laf als die Hollandse officieren van toen.» En de kinderen zullen aandachtig kijken hoe Karremans, zijn glas heffend, zich door Mladic laat afblaffen. Hoe hij voor zichzelf pleit — ik ben een pianist, niet op de pianist schieten — en hoe hij vervolgens samen met Nicolaï cadeautjes van Mladic aanneemt terwijl moslims worden afgevoerd en vermoord. Hoe hij kruipend en kwijlend naar Mladic glimlacht met het presentje in zijn armen: «Is this for my wife, is this for my wife?» «Papa, is de vrouw van die lafbek daarna weggelopen? Is hij berecht? Uit het leger geschopt?» «Nee, hij heeft promotie van zijn minister gekregen.»

Toch heeft het geen zin om Karremans of Nicolaï te demoniseren. Ze zijn niet meer dan het product van een cultuur waarin de consensus boven de confrontatie gaat. Consensus tegen bijna elke prijs, ook die van het verlies van menselijke waardigheid. Product van een samenleving waarin wie zijn nek uitsteekt voor gek wordt verklaard. Deze officieren vertegenwoordigen op hun manier de Nederlandse identiteit waarin geen plaats is voor heldenver ering. Omdat er allang geen helden meer zijn.