Na de Tweede Wereldoorlog hielden de ouders die rond 1910, 1915 waren geboren en de jeugd van pakweg zeventien, achttien jaar (dus geboren rond 1926, 1927) zich bezig met die vraag: hoe nu te leven. Welke ambities moesten de ouders hebben voor hun nieuwe kinderen en wat wilden die pubers? Die ouders konden bijna niet anders dan hun leven van voor de oorlog weer oppakken, de jeugd wilde iets anders, althans de elite. ‘Alles zoop en naaide.’ Ze wilden veel meer dan hun vader en moeder de vrijheid beleven. Ze keken naar de existentialisten in Parijs en vonden een model in Sartre en Simone de Beauvoir.

Het zou nog een decennium duren – de jongens en meisje die vlak na de oorlog werden geboren (daar val ik bijna onder) die ‘alternatieven’ formuleerden. Provo komt daarvandaan, de Kabouters ook, de hippies. Mei ’68 was een studentenopstand, al probeerde men verbinding te zoeken met de arbeidersbeweging.

Wat betreft het idealisme zijn al die bewegingen mislukt.

De wegen der vrijheid (Sartre) waren soms onbegaanbaar.

Ikzelf voelde me een volbloed hippie, althans een paar jaar. Ik zag op tegen de generatie voor mij en keek neer op mijn ouders. Ze hadden de lessen van de oorlog niet geleerd, vond ik. Ze richtten zich op Amerika. Ze hadden zich moeten richten op het communisme waarvoor ze zo bang waren. Of op Mao. Amerika, met z’n Vietnamoorlog, was geen vrij land. Kapitalisme zou nooit tot vrijheid kunnen leiden. Democratie zonder een communistisch bewind was een nep-democratie.

Ik ben in het uiterlijk en de huid en vermoedelijk ook de geest van mijn vader gekropen. Tegelijkertijd weet ik dat mijn verkleedkist met idealen geen kleren bevat waarin je je tegenwoordig kunt vertonen.

Ik snap mijn vaders naoorlogse angst, zijn conservatieve verlangens en zijn verdriet om wat hij na de oorlog had verloren.

Ik begrijp hem steeds beter.

De paniek op het vliegveld in Kabul is het resultaat van ons idealisme dat weer heeft gefaald

Ik kijk naar de tragische teringbende op het vliegveld in Kabul. Zeker als het van een afstand is gefilmd zie je een mensenzwerm die in paniek is. Paniek verscheurt alles wat je hebt aan normen en waarden en duwt je naar onverantwoorde risico’s. Daarom zitten mensen in bootjes om van het ene naar het andere continent te varen. Daarom vertrappen keurige mensen elkaar op weg naar een vliegtuig.

Jonge mensen die wegvluchten van een oorlog, zie ik.

Provo’s? Hippies? Denken zij zoals ik eind jaren zestig en begin jaren zeventig dacht?

Ik weet het niet. Ze vluchten, maar weten ze precies waar naartoe? In welke illusie komen ze terecht, die wellicht ook een desillusie zal blijken te zijn?

Na de moord op Theo van Gogh vond ik het noodzakelijk om regelmatig te praten met islamieten. Er werden toen constant bijeenkomsten georganiseerd teneinde ‘begrip’ voor elkaar te wekken. Misschien omdat ik vol zat van woede en verdriet en ondanks dat ik mezelf voorhield een ruimdenkend mens te zijn die zich krom kon relativeren om zo begripvol mogelijk over te komen, werd ik er niet vrolijk van. Er waren constant verschillen van inzicht en agressie was een grondtoon, want alle tenen waren lang. Na zo’n twintig keer stopte ik de verbroederende bijeenkomsten. Ik trok mijn eigen treurige conclusies. Te veel woorden had ik moeten inslikken.

De paniek op het vliegveld in Kabul is het resultaat van ons idealisme dat weer heeft gefaald. (Zoals het feit dat mijn ouders uit Indië moesten vluchten – minder agressie, hoewel…– ook het resultaat was, zou je kunnen zeggen, van falend koloniaal beleid.) We gingen naar Afghanistan omdat we de situatie daar onmenselijk vonden, maar onze menselijkheid heeft ons nergens gebracht.

We weten nu niet goed meer wat medemenselijkheid is.

Ook ik vind dat we ruim Afghanen die in Nederlandse dienst waren moeten opvangen. Maar wat lost dat op den duur voor hen op? Voelen ze zich hier thuis? Keuren ze onze waarden en normen goed? Zijn ze bereid zich aan te passen? Of willen ze juist Nederland veranderen? Wat is vrijheid voor hen? Hoe moeten ze nu leven?