Het begrip ‘tweede generatie’ stuit bij Oeke Hoogendijk op weerstand. ‘Mijn angstbeeld is slachtofferschap’ © Annaleen Louwes

‘Het is mijn oorlog, niet jullie oorlog’, zegt Lous Hoogendijk-De Jong (1926) tegen het einde van de documentaire Housewitz. Het is 4 mei, de dag waarop zij niemand om zich heen verdraagt. ‘Hoe moet je me helpen? Een arm om me heen slaan?’ zegt ze door de telefoon tegen haar dochter, Oeke Hoogendijk (1961), die vraagt of ze langs zal komen. Even later ligt ze op bed met op de achtergrond tv-beelden van de Nationale Dodenherdenking. Haar kinderen wonen de herdenking op de Apollolaan bij.

In deze scène ligt alles besloten: hoe ze haar drie kinderen onbedoeld gijzelt met het leed dat ze met zich meetorst, hen naar haar hand zet, maar ook buitensluit. Zij hebben het niet meegemaakt. Zij kunnen haar nooit begrijpen. Maar ze groeien wél via hun moeder op met altijd weer die oorlog. ‘Die was er als een huisgenoot’, zegt Hoogendijk in haar Amsterdamse appartement. ‘Mijn moeder was druk met zichzelf, wij zijn heel vroeg volwassen geworden. Zij had een beetje een patent op huilen, ons kleine leed was ondergeschikt aan dat van haar, ze kon ons daarin goed manipuleren. Zij had het moeilijk, en daar heb ik weer last van gehad. Ieder kind krijgt een rol van de ouders, ik had al jong het idee dat ik moest bijspringen.’

Met deze film maakt Oeke Hoogendijk de buitenwereld deelgenoot van die complexe relatie achter de voordeur. Ze schreef een scenario en volgde met haar vaste cameraman Sander Snoep haar moeder zo’n vijftien jaar dicht op de huid in haar dagelijkse besognes. Halverwege de film komt daar een breuk in. De filmcrew irriteert haar moeder, en ze stelt kordaat voor om een webcam in de hoek van haar kamer op te hangen. Je ziet haar dan hardop in zichzelf praten. Tezamen levert dat een dikke 150 uur aan materiaal op dat in de montagekamer is teruggebracht tot zeventig minuten.

Een narratief met een spanningsboog ontbreekt, dat is ook niet nodig, want wat je ziet is wat het is. Een vrouw in huis met een paar tv’s en een poes. Je leert haar wel kennen, maar over haar achtergrond kom je weinig feiten te weten. Dat vond Hoogendijk niet nodig, want dan zou het een andere film worden. ‘Deze film gaat over het leven ná de oorlog, hoe de holocaust doorwerkt in het bestaan van één individu en hoe dat trauma zijn weerslag heeft op een volgende generatie. Ik zag die dagelijkse strijd met de oorlog. Ik vond dat daarover nog geen film was gemaakt.’ Hoewel ze er bij zegt dat het begrip ‘tweede generatie’ bij haar op weerstand stuit: ‘Mijn angstbeeld is slachtofferschap, dat je je daarmee gaat identificeren. Ik wil de humor erin houden. Arnon Grunberg is voor mij een lichtend voorbeeld.’

Er zijn in de afgelopen decennia honderden films verschenen over de jodenvervolging. Van het type Schindler’s List houdt ze niet, die film is volgens haar te geromantiseerd. ‘Een sprookje met een happy end. Als je beter kijkt, komt veel niet overeen met de werkelijkheid. Aan de andere kant vind ik het goed dat jonge mensen hierdoor een besef van de shoah meekrijgen.’ In haar jeugd waren daarover nog maar mondjesmaat films, de verwerking en het terugblikken kwamen, onder meer door De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945 van Jacques Presser en de eerste delen van de serie van Loe de Jong, op gang in de jaren zeventig. ‘Mijn broers en ik keken naar de Amerikaanse tv-serie Holocaust, het was voor ons een openbaring. Maar zodra mijn moeder de kamer binnenkwam, drukten we de buis uit.’ En ze zag de negen uur durende documentaire Shoah (1985) van de Franse filosoof/journalist Claude Lanzmann, een feitelijke vertelling met een enorme maatschappelijke impact, en waardoor Hoogendijk zegt te zijn beïnvloed. Ze studeerde in die tijd toneelregie aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht.

Haar eerste film Een gelukkige tijd (1998) gaat over de Barneveld-groep waar haar moeder deel van uitmaakte: een selectieve groep ‘verdienstelijke joodse Nederlanders’ wist zich op de zogeheten Frederiks-lijst te plaatsen om uit de handen van de nazi’s te blijven toen in de winter van 1942 de razzia’s en deportaties begonnen. Ze werden ondergebracht in kasteel De Schaffelaar in Barneveld, waar ze aanvankelijk veilig leken. Er werd ook gemusiceerd, gedineerd, onderwijs gegeven aan de kinderen. De groep zou de dans niet ontspringen, en werd later alsnog afgevoerd naar Westerbork en vervolgens naar Theresienstadt, een relatief milde bestemming vergeleken bij de vernietigingskampen.

‘Mijn moeder was heel Duits georiënteerd, in een poging te begrijpen wat daar is gebeurd’

‘Een bizarre situatie, dat ze daar tot diep in 1943 samen verbleven, het was een tijdbom waar iedereen op zat. Onder dit verhaal liggen heel wat lagen. Het selecteren van een elitegroep is typerend voor de perfide verdeel-en-heerspolitiek van de nazi’s en dat zou na de oorlog pijnlijk doorwerken binnen de kleine groep overgebleven joden, als een hiërarchie van leed. Sommigen gingen gebukt onder gevoelens van schuld en schaamte dat zij dankzij de lijst van Frederiks de oorlog overleefden.’

Vervolgens maakte ze The Holocaust Experience (2002) waarin ze de herinneringscultuur in Amerika laat zien. Tegenover het informatieve en ingetogen Holocaustmuseum in Washington staat de disneyficatie in een museum in Californië waar je als bezoeker een toer kunt maken tot aan de gaskamer met douchekoppen aan toe om de holocaust te beleven. ‘In die tijd was ik geobsedeerd door de oorlog en het jodendom.’ Ze ging zich in de geschiedenis ervan verdiepen, las alles wat los en vast zat en werkte een tijdje als rondleider in het Joods Historisch Museum. Voor het project van Steven Spielberg deed ze voor de camera honderd interviews met overlevenden, zoals Amerikanen zeggen. ‘Op een goed moment zette ik er een punt achter. Ik richtte mijn focus op andere onderwerpen, zonder die ballast.’

Met de grootschalige verbouwing en herinrichting van het Rijksmuseum viel ze met de neus in de boter. Ze volgde tien jaar dat moeizame proces en maakte er een vierdelige televisieserie over, Het nieuwe Rijksmuseum, later ingedikt tot de bioscoopfilm Het nieuwe Rijksmuseum (2014). De poster daarvan hangt ingelijst boven de schouw in haar zitkamer. Daarna volgden Marten & Oopjen, Portret van een huwelijk (2019) en Mijn Rembrandt (2019). Voor alle films ontving ze rijkelijk binnen- en buitenlandse prijzen. Dit jaar gaat op het idfa De schatten van de Krim in première: weer een film over kunst, en weer ligt er een spannend conflict onder.

Hoogendijk specialiseerde zich in documentaires over kunst. Maar nu verschijnt er dus opnieuw een film over het belaste verleden: Housewitz, die in het Nederlands Thuiswitz heet. ‘Dat klinkt veel gezelliger’, zegt ze. Het is geen zware film, eerder tragikomisch en dat is vooral te danken aan het karakter van de hoofdpersoon; haar moeder is slim, grappig, talig, maakt de ene na de andere snedige opmerking en vloekt zo nu en dan hartgrondig ‘kut met peren’ (in het onderschrift vertaald als ‘Fuck a Duck’). En ze is dominant. Ze is schrijnend kwetsbaar.

Je ziet haar scharrelen in haar woonkamer, dwingende telefoontjes plegen met haar kinderen die boodschappen moeten doen. ‘Ik heb een lege ijskast, vooral nijpend zijn blikjes kattenvoer, dat is het enige wat telt’, zegt ze, een lijstje opsommend. Ze leeft ’s nachts, overdag valt ze opgerold als een poes op haar bed midden in de zitkamer in slaap, met een koptelefoon op met de weemoedige klanken van Bach om de nachtmerries te verdrijven. Op de achtergrond staat continu de tv te loeien, op een Duitse zender. Zo volgt ze Die schönsten Bahnstrecken over treinreizen door IJsland, Italië, Zwitserland, Duitsland. Ze zegt: ‘Ik reis lekker de wereld rond, veilig op mijn bed. Heerlijk’, terwijl ze als tiener in een veewagon door Duitsland heeft gereden. Het is haar overwinning. ‘Ze was sowieso heel Duits georiënteerd, in een poging te begrijpen wat daar is gebeurd. Ze is eigenlijk nooit boos geweest op de Duitsers. Ze bleef het maar onderzoeken, dat was een rationeel proces. Tegelijk was het een open wond die nooit meer kon helen.’

Het is deze overzichtelijke burcht waar ze zo’n dertig jaar niet meer uit komt omdat ze lijdt aan een straatfobie. De enigen die ze toelaat zijn een werkster en haar kinderen die af en aan draven, met een kerstboom die ze optuigen onder haar leiding, met boodschappen, om de kolossale rommel op te ruimen, terwijl er bij elk stuk een herinnering omhoog komt, soms aan een mooie vakantie, meestal aan de oorlog. ‘Haar leven werd beheerst door een diep gevoel van onveiligheid, dat zijn oorsprong vond in het tijdens de oorlog uit huis weggevoerd worden, zoals haar en haar familie is overkomen. Ze sliep jarenlang met de huissleutel om haar nek, terwijl ze nooit naar buiten ging. Voor het geval ze buitengesloten zou kunnen raken. Ze droomde over de weg kwijt zijn, dat ze naar huis wil en de auto niet kan vinden.’

‘Een beschadigde ouder neemt alle ruimte in een gezin in’

Een klassieke droom die iedereen wel kent, maar bij haar keerde die wekelijks terug. Zelf verwoordt ze haar straatfobie in de film als: ‘Alles wat buiten dat bed is, buiten het huis, is onveilig.’

Ze leeft als een kluizenaar in een microwereld waar zij de baas is. ‘Ze had in haar huis een soort Westerbork geschapen. Daar zat ze gevangen en kreeg ze ook pakjes uit de buitenwereld, zoals ze spullen in haar huis liet komen. Ze actualiseerde de oorlog in feite, alsof je nog steeds in die situatie zat, maar dan met de regie in eigen hand. Ze sliep in de huiskamer, terwijl het huis drie verdiepingen had. Het was haar Westerbork-hoekje waar ze van alles rond haar bed had verzameld, net zoals de brits in Westerbork. Onveiligheid zat in alles, in tekorten, kinderen die niet snel genoeg komen, de pc die kapot gaat. Ze leefde 24 uur per dag tussen audiovisuele middelen, de wereld kwam wel binnen.’

Zoals in veel joodse families werd er in de jeugd van Hoogendijk thuis nooit over de oorlog gepraat. Maar het ging wel opvallen dat er nauwelijks andere familieleden waren. ‘Ik herinner me het scherp, ik was een jaar of twaalf, we reden langs de Amstel, ze kwam in die tijd nog wel buiten, en ik vroeg naar opa. Ze ging heel erg huilen, daar schrik je dan van als kind. Tot dan toe wist ik niks, maar er was al zoveel aan de hand. Ze was vaak verdrietig, ook over de scheiding van mijn vader. Op den duur hoorde ik meer feiten. Haar familie is grotendeels omgekomen, waaronder haar broer en haar vader van wie ze zielsveel hield. Een vriend van me zei een keer tegen me: “Als je moeder praat over haar vader en haar broer is het net alsof het gisteren was.” Ze werd weer een puber. Toen ze werden afgevoerd, was zij een jaar of zestien, zeventien. Er was een “bruine kamer” in ons huis aan de Prinsengracht waar ze zich in terugtrok. Ze is zo’n zeven jaar in therapie geweest bij Van Danzig, ze kreeg van hem medicatie. Ze had haar snoeplaatje met angstremmers. Langzaam dringt het als kind tot je door dat je een heel complexe moeder hebt’, zegt ze zachtjes.

Hoe was het mogelijk om haar als dochter te filmen?

‘Toen ik het haar voorstelde, was zij al tachtig. Ik zei: “Mam, ik zou het eigenlijk wel leuk vinden om een film over je te maken.” Ze keek me aan, en zei: “Dat daar nooit iemand eerder opgekomen is.” Als een soort vanzelfsprekendheid, wat ik heel geestig van haar vond. Kijk, ze was een apart figuur, ze deed alles in de contramine, alles altijd anders, ook al toen we klein waren. Ze is een interessant karakter maar ze was voor mij heel erg veel, ze kon soms claimend zijn. Dan belde ze me bijvoorbeeld op dat ik een doosje aardbeien moest kopen en moest ik er onmiddellijk heen. Op een gegeven moment vindt er een bewustwordingsproces plaats, dat ik ook weleens “nee” zou kunnen zeggen. Maar ja, dan zou ze dat doosje aardbeien niet hebben. Er zijn wat therapietjes overheen gegaan om daarmee te leren omgaan. Ik was codependent geworden, zoals dat heet.’

Housewitz is daarom niet alleen een icoon over het doorwerkende leed van de oorlog, maar boort iets universeels aan: het effect van beschadigde ouders op kinderen waardoor er een rollenomkering plaatsvindt. Het kind is bezorgd om de ouders en gaat voor hen zorgen. ‘Ik zie inderdaad hetzelfde patroon als ik verhalen van vriendinnen hoor, die opgegroeid zijn met een zieke ouder, of een psychiatrische moeder, een overleden broertje. Dat je altijd moet denken: “O jee, voorzichtig zijn, hoe gaat het met mama of papa.” Een beschadigde ouder neemt alle ruimte in een gezin in.’ Deze film is een must voor psychologen en psychiaters.

‘Toen ik mijn moeder als personage ging zien, kon ik afstand van haar nemen’

Haar moeder vormde het ideale personage voor een film, voor Hoogendijk werkte het filmen louterend. ‘Persoonlijk gezien was het voor mij de redding, ik was heel verweven met haar, ik kreeg soms het gevoel als dochter opgegeten te worden. Toen ik haar als personage ging zien, kon ik afstand van haar nemen. Als er weer iets ingewikkelds gebeurde en ik daar gek van werd, dacht ik: “Daar zit een mooie scène in.” Ik werd filmmaker, ik ging in scènes en drama denken.’

Vorig jaar augustus overleed Lous Hoogendijk-De Jong, 93 jaar is ze geworden. ‘Ze zei vaak: “Ik heb geen medelijden met mensen die doodgaan maar met mensen die moeten leven. Want dode mensen zijn van alles af.” Over de film zei ze tegen mij: “Als ik dood ben, heb je je handen vrij.” Dat was heel lief van haar. Eerder kon ik de film niet vertonen.’

Housewitz beschouwt Hoogendijk als een afsluiting van haar eigen obsessie met de holocaust. ‘Helemaal zal die niet weggaan, mijn hele leven staat er in het teken van. Ik ben nog steeds geobsedeerd door mijn moeder. We hebben het huis na haar dood leeggehaald, kijk daar in de hoek staan nog allemaal dozen van haar. Ze schreef agenda’s vol, een dagboek met notities. Ze was getraumatiseerd, maar ook een originele, grappige, lieve moeder – een Jiddische mama. Bezorgd als je op vakantie ging met vrienden. Boos als je wegging. Ze zei dan letterlijk: “Mensen die weggaan komen niet meer terug.” Dat was ook haar ervaring geweest met haar vader en haar broer.’

Je bent dus ook bevrijd?

‘In zekere zin, ja. Het is een dubbel gevoel van ook heel erg missen. Er is nog geen ruimte voor verdriet, ik moet nog beginnen, ik ben al die tijd met die film bezig geweest. Het was fijn dat ik haar bij de montage al die tijd nog heb gezien, maar het gevoel dat daar onder zit, houd ik nog weg.’

In de film zit een prachtige scène: haar moeder zet muziek op, stuwende synthesizerklanken van DJ Tiësto. Met een grote flaphoed en een dikke zwarte zonnebril zit ze ontspannen achterover geleund te genieten en met haar hoofd en schouders voorzichtig mee te bewegen op het ritme. ‘Het gaat over het begin van het leven’, meent ze. Er breekt een lachje door. Ze gaat naar de achtertuin en daar, aan de tuintafel, achter een naaimachine driftig naaien terwijl de vogels fluiten. Met de zon op haar gezicht zegt ze: ‘Oh, sunshine.’ Even zie je haar als een gelukkig meisje dat ze ooit, in een ander leven, is geweest.

Tijdens de première op het idfa geeft Hoogendijk haar moeder prijs aan de buitenwereld. Dan begint ook het overleg met sales-agenten die de film wellicht zullen aankopen en vertonen in andere landen. Op het witte doek reist haar moeder dan de wereld over.

Housewitz is te zien op 19, 21, 24, 25 en 27 november in verschillende zalen, idfa.nl