OVER PIETER PANDER

Mensen en andere gewervelde schepselen

Pieter Pander schildert schijnbaar achteloze portretten van mens en dier. Dit verschijnsel stamt uit de Italiaanse Renaissance. Hoe kwam het in Noord-Nederland terecht?

Pieter Pander (1962) behoort tot een heterogene groep schilders die bij gebrek aan een betere aanduiding wel de Noordelijke realisten genoemd wordt. Die groep is als geheel een uitzondering in het Nederlandse kunstklimaat; maar sommige leden zijn, om met George Orwell te spreken, uitzonderlijker dan andere. Dat geldt zeker voor Pander. Wanneer u het schilderij Advokaatje (1999) bekijkt, valt op dat lang niet alle onderdelen een gelijke graad van uitvoering hebben. Het hoofd van de dame is met grote aandacht bekeken en het meest doorwerkt; in de jurk en de handen wordt de behandeling al wat globaler; het glaasje advokaat is goed herkenbaar, maar vlekkerig aangeduid. Dat wit zal wel slagroom zijn, maar zeker zijn we daar niet van. Nog erger wordt het in de hoek rechtsonder, daar is hoofdzakelijk grijze grondverf te zien. De arm leunt ergens op: volgens mij is het een tafel, maar echt goed is het niet te onderscheiden. De voorstelling zakt weg in abstract geveeg.

Wat betekent dit? Was de verf op? Had de schilder geen zin meer? Neen. We hebben hier te maken met goed geregisseerde nonchalance. Het is in de schilderkunst heel gebruikelijk om sommige stukken scherper uit te werken dan andere: zo wordt het oog van de beschouwer geleid naar de hoofdzaken. Hier is dat ook het geval, maar het verschil is deze keer wel extreem groot. Het gebruik van grove kwasten zijn we sinds het expressionisme wel gewend, maar het bijzondere is dat hier in één en hetzelfde werk plastisch uitgewerkte delen contrasteren met ruige, onafgewerkte passages. Zo’n brute tegenstelling tussen fijn en grof vind je nu en dan bij meesters als Titiaan, Rembrandt en Turner.

Merkwaardig genoeg is deze uiterst picturale handelwijze in hoge mate bevorderd door een boek. In 1528 publiceerde Baldassare Castiglione zijn internationale bestseller Il Cortegiano (de hoveling), een verhandeling over hoe men zich aan vorstenhoven dient te gedragen. Veel aandacht wordt daarin besteed aan het begrip sprezzatura, dat ongeveer betekent: bestudeerde onverschilligheid, superieure luchthartigheid. De conversatie moet ontspannen verlopen. Krijgt u het woord, praat dan onnadrukkelijk, terloops, speels. Vooral niet drammen, daar hebben vorstelijke personen een hekel aan. Laat u prestaties zien of horen, zorg dat ze moeiteloos gedaan zijn, of toch minstens die indruk maken. Sporen van inspanning en zweet moeten gecamoufleerd worden. Gekwelde kunstenaars zijn aan het hof niet welkom.

Hoe komt de leer van een zestiende-eeuwse edelman terecht in Garijp? Niet via familie. Weliswaar is Pieter een verwant van de onlangs herontdekte beeldhouwer Pier Pander, een negentiende-eeuwse classicist die uiteraard bekend was met de opvattingen der Renaissance, maar er is geen directe verbinding tussen de twee Panders. Het leerboek van Castiglione heeft Pieter nooit gelezen; de aristocratische attitude die erin wordt aanbevolen heeft hem langs andere weg bereikt, namelijk via de Academie Minerva te Groningen, waar hij zijn opleiding kreeg. Dit was in de jaren tachtig de enige Nederlandse academie waar de beeldende kunst als een ambacht werd beschouwd. Je kon daar, als je wilde, echt iets leren. Hij trof daar Matthijs Röling, zelf een schilder die met sprezzatura niet zuinig omgaat. Die nam boeken met reproducties van grote meesters uit het verleden mee naar de les.

Gedurende de jaren tachtig waren de meeste kunstinstituten en kranten nog in de ban van de Koude Oorlog. Traditioneel realisme werd afgedaan als iets achterlijks, dat onder totalitaire regimes tot regeringskunst was verheven, maar in democratische landen niet thuishoorde. Voor dit soort propaganda waren Pieter Pander en andere jonge kunstenaars van zijn generatie niet toegankelijk. Zij volgden hun instincten en die wezen in de richting van de rijkdom en de verbeeldbaarheid van de wereld om hen heen. Voor Pander zijn dat mensen en dieren. Voor het landschap heeft hij nooit veel interesse gehad, voor stillevens met potten en pannen evenmin. Menselijke maaksels als bouwputten en constructiewerken heeft hij wel als onderwerp genomen, maar het overgrote deel van zijn oeuvre gaat over mensen en andere gewervelde schepselen. De tentoonstelling die nu te zien is in het Drents Museum heet Geen bloemen, een duidelijke boodschap. Je mag zeggen dat Pander tussen het vee is opgegroeid: zijn zwager had een boerderij waar hij als kind altijd de vakanties doorbracht. De beesten bevolken nog steeds zijn oeuvre, aangevuld met enkele exoten als apen en olifanten.

Een schilderij, hoe snel gemaakt ook, vergt een zekere tijd. Volwassen modellen kunnen redelijk stilzitten, maar kinderen en levende dieren zijn in beweging. Daarom werkt Pander soms met foto’s. Anders dan sommige collega’s doet hij daar niet geheimzinnig over. Sinds de verbreiding van de fotografie na 1850 hebben schilders er dankbaar gebruik van gemaakt: Ingres, Degas en Breitner zijn bekende voorbeelden. Toch staat deze praktijk slecht aangeschreven; dat komt doordat de amateurs de afdrukken hersenloos kopiëren. Als je niet weet hoe iets in elkaar zit, kun je met een foto niets beginnen. Daardoor heeft het zogenoemde fotorealisme veel beroerde schilderijen voortgebracht.

Bij Pander is van letterlijk kopiëren geen sprake. Kijk naar het portret van de windhond. Op de achtergrond is een blauw vlak toegevoegd, een map misschien, die daar waarschijnlijk helemaal niet stond. Dat blauw is ook in de grijze muur geslopen en in de schaduwpartijen van de kop. Op een foto is dat niet te zien, in de werkelijkheid waarschijnlijk ook niet. Dat blauw is daar omdat de schilder houdt van die kleur. Het veroorzaakt een koel koloriet.

Als je het originele paneel met de windhond van dichtbij bekijkt, zie je dat het bestaat uit niet meer dan drie lagen verf: eerst de grondverf, een laag acryl-gesso, die wit uit de pot kwam, maar door de schilder is bijgekleurd tot de juiste grondtoon (ik gebruik hier met opzet een muzikale term, want die grondtoon is bepalend voor de tonale eenheid). Vervolgens een onderschildering, eveneens in acrylverf, waarin met de brede kwast de hoofdvorm wordt opgezet. Dat lukt gewoonlijk direct, omdat compositionele besluiten (hoe groot moet die kop, hoe hoog geplaatst, van welke kant gezien et cetera) reeds van tevoren, in des schilders hoofd, zijn genomen. Acryl is snel droog, en daaroverheen komt de toplaag, olieverf, die langzaam droogt en waarin je nat-in-nat op je gemak kunt doorwerken.

Merk op dat zo’n schilderij niet eerst op het paneel getekend wordt. Het wordt direct met de kwast gevormd. Er zijn in Pander’s werk wel lijnen te zien, maar die zijn er later bovenop gezet. Toch zijn de constructie en de plastiek grijpbaar als bij een beeldhouwwerk; je voelt de hardheid van de schedel en zijn tegendeel, de zachtheid van het oog met de karakteristieke licht bedroefde hondenblik. Het realisme is verbluffend, maar in de nekpartij zijn abstracte vlakken te zien, weer een voorbeeld van schildersvrijheid die geen afbreuk doet aan het illusionisme van het geheel. Om zo’n kwaliteit te bereiken moeten verschillende factoren samenwerken: talent uiteraard, maar vooral grote concentratie, intense aandacht en liefde voor het onderwerp. Deze factoren zijn in het werk van Pieter Pander ruim voorhanden.

Pieter Pander, Geen bloemen. Te zien in het Drents Museum, Assen, tot 6 januari 2008 en het Scheringa Museum voor realisme, Spanbroek, van 13 januari tot 12 mei 2008