‘mensen, wat zijn dat?’

Vidosav Stevanovic, Christos en de honden. Uit het Servokroatisch vertaald door Reina Dokter. Uitgeverij Bodoni, 192 blz., f44,50.
Angelos is een vluchteling in Athene, het land waar hij vandaan komt heet Balkan: ‘Je moet niet vluchten naar het land waar iedereen vandaan vlucht, naar het schiereiland dat een eiland wil worden en zich langzaam losscheurt van het vasteland…’ Het zal duidelijk zijn om welk land het hier gaat, al wordt de voormalige naam nergens genoemd. Vorig jaar verschenen in een band de twee eerste delen - ‘Sneeuw in Athene’ en ‘Het Balkan-eiland’ - van de trilogie De sneeuw en de honden, waarvan dan nu het derde deel is vertaald, Christos en de honden. De schrijver, Vidosav Stevanovic (1942), voormalig uitgever in Belgrado, moest vanwege zijn antinationalistische houding de wijk nemen naar Athene en woont sinds 1992 in Parijs.

Niet bekend
‘Nachtmerrie’ is een veel te onschuldig woord voor deze romans: de figuren zijn als types maar al te reeel, zoals ook hun daden en gedachten even waarschijnlijk als fictief zijn. Zo zetten in de nieuwe roman verschillende mannen die met macht te maken hebben, hun ideeen uiteen. Een van hen is Boz, die officieel enkele dagen ervoor gestorven is en bij wiens graf zich de groten der aarde verzameld hebben. Zijn nabeschouwing is van hetzelfde cynisme als dat van de Duc, de Kapitein en de Nationale Schrijver. 'Geen oorlog gaat hier ooit voorbij. Hij wordt alleen onderbroken en weer voortgezet.’ Aldus de Kapitein, over wie de vluchteling Angelos in Athene zegt: 'Zijn enige werk was: ons veranderen in iets anders. En dan zouden anderen dat andere veranderen in niets.’ De superieur van de Kapitein weet te melden dat het verliezen van de oorlog niets betekent in vergelijking met de wereldwijde triomf van de idee erachter, die van de Liquidatie: 'Ieder individu moet getraind en bekwaam en handig genoeg zijn om iedere vijand te liquideren, zichzelf inbegrepen.’
De machtsspecialist bij uitstek, de Duc, weet weer te vertellen hoe het woord 'revolutie’ krachteloos was geworden en zijn vitale opvolger vond in het woord 'volk’: 'Het volk dat alles zou doen wat ik zei, dat nooit iets zou vragen. Het volk dat bereid zou zijn te sneuvelen, anderen te doden en uit te sterven als ik dat wilde.’ Op zich heeft het bijna iets geruststellends te horen hoe goed deze cynici weten wat ze willen. Veel angstaanjagender is te horen wat de mensen die zij gebruiken, denken en voelen - of juist niet denken en voelen. De schrijver geeft een aantal van hen een apart hoofdstuk, met telkens als titel 'Het lijden naar Angelos, Donna Clara, Kapitein, Maria, Duc, Christos’. Ze zijn uit ballingschap teruggekeerd en het is niet eens helemaal duidelijk of de oorlog nu voorbij is of niet. Als de escalatie in de wederzijdse afslachting van miljarden loopt, zo bedenkt de Nationale Schrijver, is alles klaar, de oorlog voorbij: 'We hebben territoria veroverd, wat hebben we aan mensen, welke mensen, mensen, wat zijn dat?’ Trots wijst hij erop dat je in dit land een romancier op een tank kon vinden, een lyricus met een kalasjnikov, een historicus of een psychiater aan het hoofd van commando’s. In deze fantastische roman krijgt de verbeelding niet eens de kans om de werkelijkheid te tarten.