Interview hoofdofficier van justitie Henk Wooldrik

«Mensen willen stevige rechters»

Meer criminelen, een eindeloze stroom drugskoeriers, het cellentekort, de roep om strengere straffen en een meer gezaghebbende rechtspraak. Intussen moet de Haarlemse hoofdofficier van justitie Henk Wooldrik bezuinigen.

«Volkert van der G. sloeg een deuk in de rechtsorde.» Een deuk in de rechtsorde — niet voor de eerste keer gebruikt Henk Wooldrik de uitdrukking. In drie lange gesprekken spreekt de Haarlemse hoofdofficier van justitie over de toegenomen rol van het strafrecht. Ditmaal valt de term bij de moord op Pim Fortuyn. De deuk die Volkert van der G. in de rechtsorde knalde was zo groot dat Wooldrik de eis van levenslang, vorige week uitgesproken door collega-officier van justitie Plooy, volkomen terecht vindt.

Henk Wooldrik: «De officier moet namens de samenleving antwoord geven op gevoelens van vergelding. Hij mag de verstrekkende gevolgen die deze moord voor de samenleving heeft daarbij laten meewegen.»

Wooldrik durft geen voorspelling te doen, maar zegt dat levenslang de laatste jaren een geaccepteerde en met steeds grotere regelmaat opgelegde straf is geworden. Zelfs de roep om de doodstraf klinkt weer helder.

«Sommige misdrijven zijn zo erg dat je iemand niet terug wilt in de samenleving. Je moet wel goed nadenken over wat je doet. In Engeland werden in de zeventiende eeuw postkoetsen met rijke mensen overvallen. Toen daarop de doodstraf werd ingesteld, schoten de overvallers vervolgens hun slachtoffers dood om geen getuigen te hebben. Je moet oppassen voor een spiraal naar beneden en desperadogedrag vermijden.

Bij de strafmaat moet je oog houden voor de persoon die terechtstaat. Niemand is 24 uur per dag slecht. De meeste mensen komen op enig moment een keer vrij en je wilt ook geen tijdbommen die sterk verbitterd in de samenleving terugkomen. Toch is er een categorie waarvan je denk: hoe langer vast, hoe langer uit de samenleving — hoewel je dan ook weer moet denken aan het effect op familie, vrienden, kinderen, enzovoort.»

Meer mensen de cel in, dat is de tendens van de afgelopen jaren. Gingen in de jaren zeventig nog stemmen op om het strafrecht maar af te schaffen — het zou toch geen zin hebben — later werd het van «afvoerputje van de maatschappij» (Wooldrik) tot laatste baken van gezag in een ontkerkelijkte en ontideologiseerde samenleving. Henk Wooldrik (61), PvdA-lid en zoon van een BVD’er, heeft het met eigen ogen aanschouwd. In de jaren zeventig zag hij de rechters die als een begripvolle kameraad met de verdachte meeleefden. Nu maakt hij mee hoe de rechter aan het uitgroeien is tot een morele autoriteit en richtinggever. De strafprocessen worden weer theatraler en zelfs een tikje sacraal.

En dit dan dwars door opeenvolgende bezuinigingsrondes heen. Want Wooldrik is ook de hoofdofficier die bijna exclusief met handen en voeten aan een legertje drugssmokkelaars uit de Antillen werd gebonden. Een tijdje terug liet hij zien er niet voor terug te schrikken die bolletjesslikkers dan maar, met dagvaarding, weer naar huis te sturen. De gigantische achterstand die de drugssmokkel hem bezorgde is inmiddels bijna weggewerkt. Maar, vertelt hij, het is nog steeds ontzettend moeilijk om zaken tijdig voor de rechter te krijgen. En lukt dat niet, dan vallen ze buiten de boot.

Wooldrik: «De verwachtingen omtrent de rol van het strafrecht zijn de afgelopen jaren enorm toegenomen. De trend is dat er meer gehandhaafd moet worden. Dus komen er steeds meer zaken voor de rechter en ontstaat er een grotere druk op de trechter politie/openbaar ministerie/rechter/gevangenis.»

Maar, zegt Wooldrik, het systeem is niet op orde. Om het te ontlasten komt minister van Justitie Piet Hein Donner met enkele maatregelen om het openbaar ministerie meer zaken te laten afhandelen. Hij wil het OM de bevoegdheid geven meer schikkingen aan te gaan en sommige verdachten zelf met een straf naar huis te sturen zonder de rechter in te schakelen. Op die manier moet het aantal zittingsdagen worden beperkt.

«Dat is een negatieve manier van redeneren. Eigenlijk zijn we dus niet in staat om de capaciteiten op elkaar af te stemmen. Daarom komt er een maatregel om veel taakstraffen op te leggen of worden er meer gevangenen in een cel gestopt.»

Het probleem in een notendop, volgens Wooldrik: «In plaats van een masterplan wordt er steeds hier en daar een voorstelletje gedaan. Want voor een masterplan zou veel geld nodig zijn.»

Niet genoeg cellen. Niet genoeg zittingen. Wooldrik zit op de scharnier tussen waar de samenleving om vraagt en wat de politiek wil uitgeven. Hij moet bepalen welke zaken geseponeerd worden en aan welke overtredingen de politie geen aandacht moet besteden. Verkeerde keuzes zijn daarbij onvermijdelijk, benadrukt hij, maar over rugdekking heeft hij niet te klagen. Zijn directe baas, procureur-generaal De Wijkerslooth, ontkende niet dat prioriteiten moeten worden gesteld. Hij zei onlangs: wij kunnen u niet beschermen tegen de diefstal van uw fiets. Achter georganiseerde diefstal kunnen wij aangaan, maar aan de individuele fietsendiefstal kunnen we niets doen.

Tegelijk wordt echter de verwachting van wat het strafrecht kan betekenen alleen maar hoger.

Henk Wooldrik: «Nederland was als platteland van Europa altijd heel beschermd en had een lage criminaliteit. Dat is de afgelopen dertig jaar dramatisch veranderd. Daarvoor was het hier een oase van rust. Huizen van bewaring werden gesloten. Het strafrecht verdween bijna. Men was het erover eens: de laagste straf was de beste straf. Maar de samenleving is veranderd. De sociale controle is weg. Nederland wilde als handelsnatie mee blijven doen en nu zijn we een gemiddeld crimineel land. Ontvoeringen, zware overvallen, schieten, ramkraken; het aantal ernstige geweldsmisdrijven is gedurende mijn loopbaan toegenomen. Een roep om strengere straffen is de reactie. Weinig mensen de cel in vanwege een cellen tekort en lange procedures geven dan een slecht vertrouwen. Je moet op zijn minst zorgen dat de strafrechtelijke infrastructuur op peil is.

Zolang het vertrouwen van de samenleving er was, was het makkelijker om preventief op te treden met reclassering en zo. Maar nu timmert ook de reclassering aan de weg en wordt strenger, dat is echt een culturele revolutie ten opzichte van de jaren tachtig. Het steeds opnieuw een laatste kans geven werkt ook niet meer. De beuk moet erin en er moet streng gestraft. Het strafrecht moet hierop reageren. Dan moet je geen ernstig geloofwaardigheidsprobleem hebben, zoals bij de verkeershand having. Burgers vinden het onbegrijpelijk dat ze voor een paar kilometer te hard rijden een hoge boete krijgen, terwijl er voor ernstige delicten weinig straf wordt gegeven. Veel kritiek betekent dan: de normstelling helpt niet. Maar dit staat wél los van de vraag of die strengere maatregelen zinvol zijn. Ik ben daar sceptisch over. De maakbaarheid van de samenleving door middel van strafrecht is gering.»

Toch zouden in uw masterplan snelheidscontroles een lagere prioriteit krijgen.

«Ja, ik ben het er natuurlijk mee eens dat je de snelheid uit het verkeer moet halen, want snelheid leidt tot veel slachtoffers, maar ik zou een andere strategie willen ontwerpen dan die kastjes en flitspalen. Een strategie van meer trajectcontroles en meer staandehoudingen.»

Vanwege de maatschappelijke druk.

«Nee, om de acceptatie van mijn vak. Waar je ook komt, ze beginnen altijd over die ene bekeuring te zeuren. Verjaardagspartij, meteen: ‹Ik kreeg laatst echt een belachelijke bon.› Nou heeft dat niks te maken met roofovervallen of zedenmisdrijven, maar wel met de publieke acceptatie van het strafrecht op een andere plek.»

Zijn er meer voorbeelden?

«Hét voorbeeld zijn de bolletjesslikkers op Schiphol als prioriteit. Onder allerlei politieke belangen moesten er opeens een noodwet, extra opvang, extra mensen enzovoort komen. Heel kostbaar. En nu pas begint iedereen in te zien dat ze inderdaad iets te sterk achter de waan van de dag zijn aangelopen.»

Ruim anderhalf jaar geleden, in verkiezingstijd, zag hij geen andere oplossing dan gepakte bolletjesslikkers met dagvaarding naar huis te sturen. De politiek viel over hem heen. Verontwaardigde columnisten en commentatoren zagen er hét bewijs van de halfzachtheid van de paarse polderpolitiek in. Totdat doordrong dat onder de buitensporige aandacht voor de bolletjesslikkers de vervolging van zelfs de eenvoudigste tasjesroof niet meer gewaarborgd kon worden. Onder het nieuwe CDA-VVD-LPF-regime werd Wooldriks aanpak ettelijke maanden later alsnog beleid. Nederlandse bolletjesslikkers worden inmiddels heengestuurd met een dagvaarding en met hun Antilliaanse collega’s gaat dat binnenkort ook gebeuren.

Henk Wooldrik: «In mijn arrondissement heb ik gezien dat duizenden zaken zeer traag behandeld zijn en dat talloze zaken alsnog geseponeerd moesten worden omdat er geen rechters waren om recht te spreken, want dát is gebeurd. De positie van het openbaar ministerie was die van een makelaar. Minister Korthals reageerde te laat. Het OM is vaak bij hem geweest om te zeggen: dit is de achterstand, doe wat! Maar daar werd niet op gereageerd. Er kwamen geen cellen bij. Pas in verkiezingstijd, veel te laat, nam hij maatregelen. Onder druk van de politiek zei hij: ik ga geen mensen laten wegzenden wegens plaatsgebrek. Dus moest ik maar zorgen dat er minder mensen werden opgepakt en moest ik de aangehouden verdachten zo snel mogelijk zien weg te werken. Maar ondertussen deed Haarlem bijna niks anders dan Schiphol. Er ontstonden grote achterstanden in de politieregio’s Kennemerland en Zaanstreek-Waterland.»

De stroom bleef aanzwellen, zo moest ook de nieuwe minister Donner erkennen. Hij trad aan in de zomer van 2002 en zag dat hij niet anders kon dan heenzenden. Daarop zag Wooldrik de partijen draaien. Toen Korthals in januari 2001 zijn noodplan aan de Kamer presenteerde, had het CDA van fractievoorzitter Balkenende nog een motie van wantrouwen ingediend. Heenzenden was onbespreekbaar. Een half jaar later zat premier Balkenende het kabinet voor dat wel voor heenzenden was.

Waar faalt het systeem?

«Wat buitengewoon irriteert, is dat het zo onevenwichtig is en dat er geen vast patroon van bejegening en behandeling bestaat. Er zijn allerlei verschillende instanties met verschillende belangen en culturen. Nu klaagt Jelle Kuiper (hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie — sp) terecht dat als de Riagg’s en andere hulpverleningsinstanties om vijf uur ’s middags sluiten, hun klanten aanspoelen bij de politie die 24 uur per dag de rotzooi op straat moet opruimen.»

Wat kan daaraan gedaan worden?

«Als een minister van Justitie er nou eens in slaagt om vier jaar lang elke euro die hij in politie, openbaar ministerie, rechtbank en gevangenissen steekt, of wegbezuinigt, evenredig over die hele keten te verdelen, dan maakt hij al een geweldige sprong vooruit.»

Wat gebeurt er nu?

«Ik bereken dat ik voor dit jaar vijftienhonderd taakstraffen nodig heb en vraag aan het ministerie hoeveel ze me er daarvan kunnen geven. Dat is vrij traditioneel aangepakt: alle steunfraudeurs krijgen een taakstraf. Of die straf nu helpt of niet. Dat is ooit bedacht vanuit het negatieve: we hebben te veel straffen en te weinig gevangenissen.

Dit jaar heb ik tegen de politie gezegd dat ik niet meer zaken wil dan het aantal dat ze in 2002 hebben ingestuurd. Als het meer wordt kan ik het niet aan.»

Welke zaken hebben een lage prioriteit?

«Kijk, dronken rijders, daar kun je er net zoveel van maken als je wilt. Als je maar genoeg controles houdt. Een cellenoverschot zou ook nooit een probleem zijn, er zijn altijd wel mensen die iets gedaan hebben dat niet deugt. Ernstige delicten als moord en doodslag worden natuurlijk altijd aangepakt. Het gaat om de categorie kleinere delicten.»

En dan wordt het kwartetten met de politie: geef mij drie dronken rijders, maar neem dan zelf een mishandeling terug.

«Zo gaat het nog niet. Er worden prioriteiten afgesproken. Woninginbraken worden altijd vervolgd. Fietsendiefstal? Kun je over aarzelen. Een mishandeling tussen buren? Dat moeten ze eerst zelf uitzoeken — tenzij het natuurlijk een ernstige mishandeling is. De politie probeert van alles met bemiddeling, maar op een gegeven moment doen mensen aangifte en die moet wel in behandeling worden genomen. Soms zien wij er dan weer niets in en dan wordt het seponeren.»

Wooldrik noemt de drie taken van de politie: opsporing, hulpverlening en handhaving van de openbare orde. Ontzettend lastig om die drie te combineren, maar het directere contact met de bevolking dat eruit voortvloeit heeft ook zijn voordelen. Zo staat in Frankrijk de openbare-ordepolitie veel losser van het volk en zitten de agenten daar in kazernes te wachten tot ze erop los moeten timmeren.

Henk Wooldrik: «De politie heeft twee bazen, op zijn minst, en drie taken. Dat maakt de organisatie buitengewoon ingewikkeld. Het wordt nog ingewikkelder als de financiering ook nog anders loopt. Een goeie korpschef maakt daar gebruik van en vergaart daardoor zelf grote macht. In Nederland is de politie in zekere zin eigen baas. Ze wordt niet dagelijks aangestuurd door het gezag, dat staat ook zo in de wet.

Helaas is in de jaren tachtig binnen de politie de specialisatie min of meer afgeschaft. Daarvoor had je bijvoorbeeld nog een aparte afdeling autodiefstallen. De politie moest dichter bij de burger — wat op zich volkomen juist was. Je had toen die rellen van provo gehad en de politie wist niet meer wat er op straat gebeurde. Toen zeiden de politiechefs: wij moeten dichter bij die burger, want we moeten weten wat er gebeurt. Op zich prima. Maar nu zijn openbare orde en hulpverlening dominant geworden. Recherche is eigenlijk een beetje naar de zijkant gebracht. Het openbaar ministerie is er niet in geslaagd een beetje tegenwicht aan te brengen en te zeggen: wij willen de eigen deskundigheid bewaren.»

Waarom is het daarin niet geslaagd?

«Omdat het OM geen macht heeft. De enige die iets voor ons kan doen is de minister van Justitie en die heeft één stem in de ministerraad. Het bestuur heeft het geld. Het openbaar bestuur heeft de macht in Nederland. Maar de burgemeesters beginnen nu ook last te krijgen van burgers die klagen over criminaliteit en denken: daar moet ik ook wat aan doen. De belangen van het openbaar ministerie en het openbaar bestuur beginnen zo weer parallel te lopen.

De politie spreekt altijd graag over goede samenwerking tussen politie en openbaar ministerie. Wij denken: natuurlijk, maar wij hebben het gezag dus wij bepalen wat jullie moeten doen. Dat weten we alleen niet altijd waar te maken. Een jaar geleden heb ik het meegemaakt. Er was het vermoeden dat een groepering bezig was met het beramen van overvallen. Daarvoor moesten tegen vakantietijd rechercheurs worden vrijgemaakt. Nee, er kon geen team op de been worden gebracht, want het was vakantie. Dezelfde avond was er een voetbalwedstrijd waar tientallen dienders rondliepen. Voor voetbalwedstrijden en andere evenementen zijn blijkbaar wel altijd genoeg agenten. Burgemeesters zeggen: ik wil voor popfestivals en andere grootschalige evenementen wel agenten vrijmaken. Als je probeert te zeggen: misschien moet die voetbalwedstrijd maar niet worden gespeeld want dat kost veel te veel politie, dan heb je een aardig debat. Dan komt het bestuur onder druk te staan van de samenleving.»

En de prestatiecontracten, helpen die?

«Dat is eigenlijk een beetje het LPF-achtige programma. Stoere taal staat erin, maar er zitten niet zoveel middelen bij. Ik ben er niet tegen, maar een van de grote problemen is dat wij moeten bezuinigen. Merkwaardigerwijze heeft mijn parket de komende jaren met een enorme bezuinigingsslag te maken. In plaats van dat ik er met die prestatiecontracten geld bij krijg, gaat er geld af.»

Hoe gaat u bezuinigen?

«Door weer wat minder te doen natuurlijk. Er is toch algemeen een duidelijke behoefte aan meer gezag en meer politie in de wijk? Ik heb net besloten om het JIB-kantoor in Haarlem op te doeken. JIB betekent Justitie In de Buurt, dat was een kantoor dat zich in een probleembuurt richtte op de criminaliteit. Bij problemen in de wijk meteen erbovenop zitten en interventies plegen. Maar ik krijg ook de opdracht om de jeugdcriminaliteit in het gehele arrondissement systematisch aan te pakken. Die twee kan ik niet tegelijk doen en ik heb gekozen voor de jeugd.»

«Wij zijn in dit land op zoek naar gezag», besluit de hoofdofficier. «Naar gezaghebbende uitspraken. Want we weten het niet meer. De vanzelfsprekende zekerheden uit mijn jeugd in een verzuilde tijd, die zijn er niet meer. In de jaren zeventig is alles ter discussie gesteld. De rechter hoefde geen toga meer aan. Hij moest amicaal omgaan met de verdachte. Rondetafelgesprekken! Het was niet allemaal onzin wat ze zeiden, alleen is er toch een behoefte aan iets mystieks. Vooral in deze tijd waarin de zekerheden van de verzuiling zijn weggevallen.»

Verwacht men meer moraal van de rechter?

«Dat denk ik wel. Rechters moeten natuurlijk objectief en onpartijdig zijn, in de wet staat zelfs dat ze geen blijk moeten geven van vooringenomenheid. Maar mensen willen stevige rechters. Niets is erger dan een rechter die niet duidelijk besluit. Mensen willen weten wat hij ervan vindt. In strafzaken wordt het gewaardeerd als de rechter precies zegt waar het op staat. Het decorum zou daar best wat in mogen meeveranderen. Vroeger kwam de rechter binnen en ging iedereen staan. Nu ga ik als officier van justitie dan nog staan, maar verder staat er helemaal niemand meer in de zaal.

Eigenlijk zijn wij toch een volk van dominees en regenten. Van boven ons gesteld gezag, en daar hoort ook de rechtspraak bij. De volksrechtbank met jury drukten wij meteen de kop in, terwijl de Duitsers, Belgen, Fransen en Engelsen er allemaal iets van hebben. De rechtspraak laat je niet over aan het gewone volk, vindt men, daar heb je autoriteiten voor.»