Lorrie Moore

Mensen zijn geen wegenkaarten

Lorrie Moore, Vogels van Amerika
Vertaald door Marianne Verhaart, uitg. Atlas, 303 blz., ƒ42,50

Wie de verhalen van Lorrie Moore leest, wordt op bijna elke bladzijde wel getroffen door vileine, ontregelende zinnen die een flits van inzicht bieden. Het zijn vaak zinnen die lijken op het achteloos kwinkeleren van vogels die de onverschilligheid van het universum hoorbaar maken, of het zijn beelden die in de ziel prikken. Een paar voorbeelden: «Zelf was ze verdorie zo echt als een zuivelproduct; elk moment beschikbaar als lunch.» «Eigenlijk was de wereld de wrede moeder van ieder mens, de moeder die je verzorgde en verwaarloosde, en was je eigen moeder in die wereld slechts je zusje.» «Het lichaam liep achter de ziel aan, zeulend met koffers vol verdriet hobbelde het erachteraan.»
Maar Moores verhalen zijn meer dan een bloemlezing van enkele rake zinnen. Zij schrijft in Self Help, Like Life en haar meest recente bundel Birds of America (1998) over mannen en vrouwen in een cruciale overgangsfase in hun leven, hongerend naar contact. Het begin van genegenheid, schrijft Moore in het verhaal Agnes uit Iowa, is misschien wel een onwaarschijnlijk zinnetje, «het moment dat iemand van wie je het niet verwacht eindelijk eens iets passends zegt.» Al haar personages spitsen hun oren om zulke zinnen op te kunnen vangen maar horen vaker banaliteiten en leugens. Ze blijven ballingen die door overspel, scheiding, onverschilligheid, verlies of ziekte ver van huis raken. De kunst van het alleen zijn leren ze nooit echt, maar in het «groepsleven», de trekvogelvlucht, verdrinken ze. Of ze knallen als een eenzaam afgedwaalde vogel met hun koppetje tegen een onzichtbare muur.
Lorrie Moore is zowel geestig als scherp over strandende huwelijken, escapisme, vreemdgaan en wanhoopsdaden. Ze is niet moralistisch, eerder zoekt ze de zwakheden op van haar personages, hun onmacht die uitloopt op chaos. Haar verhalen lijken op rampzalige rollenspellen of gezelschapsspelletjes («trivial pursuit») waarbij de een de ander graag aftroeft. De ene mens jaagt op de ander, die weer aast op een derde. Het jachtseizoen gaat nooit voorbij want het mooie, lelijke en woeste in de natuur is ook in de mens te vinden, «geconcentreerd, alles bij elkaar op één plek». En dat alles in een verteltoon die taalgevoelig en wanhopig-vrolijk is. De onverwachte wendingen van haar verhalen zijn het gevolg van grilligheden in de karakters of van het lot. De mens heeft het onverwachte nodig, de toekomst moet onduidelijk blijven, onwetendheid heeft een functie. Wie alles weet, wordt een machine. «Mensen waren (…) geen wegenkaarten. Mensen waren geen hiëroglyfen of boeken. Geen verhalen. Een mens was een verzameling toevallig heden. Een mens was een enorme berg rotsblokken waar van alles onder groeide.»
Het huwelijk noemt ze «een parkeerplaats voor emotioneel gehandicapten» (in het spookverhaal Onroerend goed) maar ook «de filmacademie van de jaren negentig» (in Het daghet in het Oosten). Het laatstgenoemde verhaal wordt verteld vanuit de onthande Bill, die bezig is met een essay over «theo retisch gezond verstand» maar blind is voor het relationele gesjoemel dat zich voor zijn ogen afspeelt. Dit is niet het enige verhaal waarin Moore afgeeft op verdord intellec tualisme. In haar slotverhaal, over een vrouw die per ongeluk een kind doodt en troost zoekt in een tot mislukken gedoemd verstandshuwelijk, zet ze enkele fanatieke wetenschappers neer als te hoog opgeleiden die «niet meer met hun moeder kunnen praten». Maar niet alleen zij vormen de emotioneel gehandicapten in Birds of America. Iedereen fladdert hulpeloos door het leven.
Lorrie Moore is zeker niet te betrappen op goedkoop slachtoffer-daderfeminisme. Zij geeft Alice Walker een sneer, bekritiseert Hemingway respectvol en brengt een hommage aan Flannery O'Connor. Haar verhalen staan in de traditie van Henry James, Eudora Welty, Carson McCullers, Alice Munro en Raymond Carver. Het verhaal People Like That Are The Only People Here maakte diepe indruk op mij. Dat ziekenhuisverhaal gaat niet alleen over een moeder/schrijfster die haar zoontje dreigt te verliezen aan een kwaadaardige niertumor maar ook over hóe te schrijven over onvoorspelbaarheid, over kanker, over «een klont woekerend niets met een razende, begerige drang om iets te worden (…)» met een «demonische neiging tot sabotage en chaos». Moore weet hier meesterlijk te manoeuvreren tussen sentiment en woede om het redeloze lot. «Ik schrijf over de zorgvuldige ironie van de dagdroom. Ik schrijf over de zompige ideeën die als basis dienen voor de intieme omgang tussen mensen.» En dat doet Lorrie Moore zeer effectief.