Voorzichtige zelfreflectie in Silicon Valley

Mensen zoals wij voor mensen zoals wij

Waar ethiek in bijvoorbeeld de geneeskunde een centrale plek heeft, ontbreekt ze vooralsnog in de tech-wereld, ‘een gesloten cultuur waar hebzucht de enige moraal is’. Maar het tij lijkt te keren.

Medium 68 149017

‘Moraliteit in Silicon Valley? Dat zal een kort artikel worden’, grapt tech-investeerder Freada Kapor Klein. Snoeihard is ze in haar oordeel: over leiderschap in de technologiebiotoop, over het gebrek aan diversiteit en over de elastieken ruggengraat van mede-investeerders. Samen met haar man runt ze Kapor Capital. Hun investeringsmaatschappij steekt alleen geld in tech-start-ups die de kloof tussen haves en have nots verkleinen. Na ruim dertig jaar ervaring en succes staat ze te boek als het geweten van Silicon Valley. Toch is ze optimistisch over de toekomst van technologie. Ze is niet de enige. Langzaam groeit er iets in Silicon Valley.

Andrew Keen klinkt vermoeid. De promotietournee van zijn nieuwste boek How to Fix the Future beheerst zijn agenda boven verwachting. Keen – tech-criticus van het eerste uur – besloot na drie kritische en in zijn eigen woorden ‘hoogst deprimerende’ boeken dat het tijd werd voor een optimistisch werk. ‘Praten over de problemen is niet interessant meer – het is tijd dat we het over oplossingen gaan hebben.’ Cynisme en optimisme gaan in elke conversatie over dit onderwerp hand in hand, in het gesprek met Keen in het bijzonder.

Idealisme en kapitalisme zijn diep met elkaar verbonden in Silicon Valley. In de schoot van Stanford University ontstond na de Tweede Wereldoorlog een wetenschappelijk klimaat van innovatie en technologie. Het was een warm bad voor de hippies en paradijsvogels die zich in de jaren zeventig in de vallei vestigden. Zij bouwden aan een nieuwe wereld, wars van de hiërarchische structuren en orde van het burgerlijke leven. Het was de plek waar mensen als Steve Jobs nooit zouden worden aangenomen maar wel zelf een bedrijf konden starten. Een plek waar nerds nieuwe helden waren en de ‘gewone’ regels niet golden. ‘Heb je wel eens lsd gebruikt?’ was een heel normale vraag in een sollicitatiegesprek bij Apple destijds. Technologie zou de wereld beter maken. Dat was de belofte.

Internet was de heilige graal: één groot netwerk dat ons allemaal met elkaar zou verbinden. De wereld zou dankzij het net democratiseren en ons gelijke toegang geven tot middelen en invloed. Dit was geen marketingbelofte, het was een doorvoelde overtuiging en een drijvende kracht in de vallei. De groei van deze bedrijven zou de wereld beter maken. Dat was nou juist zo mooi: de wereld verbeteren én geld verdienen: in Silicon Valley kon het. We zouden er allemaal beter van worden. Dat ideaal resoneert nog altijd sterk en is belangrijk in het narratief van deze plek. ‘Het onderscheidt Silicon Valley van bijvoorbeeld Wall Street’, zegt Andrew Keen.

‘Optimistisch’, typeert Molly Turner de Valley. Turner is docente aan de Haas School of Berkeley, de bedrijfskundetak van Berkeley University. Daarvoor was ze ruim vijf jaar hoofd public policy bij Airbnb en verantwoordelijk voor het contact met steden wereldwijd, waaronder Amsterdam. ‘Ondernemers hier bedenken per definitie diensten en producten die nog niet bestaan’, zegt ze. ‘Dat kun je niet volhouden zonder te geloven dat jouw idee de wereld gaat veranderen.’

Maar mateloze ideologie – of optimisme – kent ook een keerzijde: dogmatiek, een gesloten blik en een blind geloof in de heilige missie die al het andere ondergeschikt maakt. Drinking the Kool-Aid is de typische Silicon Valley-uitdrukking voor devotie aan de missie van tech-medewerkers. ‘Zeker in bedrijven waar de oprichters nog altijd de baas zijn, drinken ze het niet alleen, daar hebben ze de Kool-Aid gebrouwen en verpakt’, aldus Keen.

‘Optimisme is een noodzaak, maar het verblindt ook voor mogelijk negatieve effecten’, zegt Turner. ‘Het creëert een klankkast. Als je de positieve boodschap maar vaak genoeg herhaalt, ga je er vanzelf in geloven. Afwijkende opvattingen worden niet gehoord.’

Optimisme en een klankkast verklaren het gebrek aan zelfreflectie, maar helemaal uniek voor Silicon Valley is deze combinatie niet. Wat maakt nou dat juist hier een cultuur van zelfbevestiging zo kan groeien? ‘De morele crisis in Silicon Valley’, zegt Freada Kapor Klein, ‘is gebouwd op het geloof in het individu en de meritocratie. Het idee dat je alles wat je bereikt aan jezelf hebt te danken wordt in heel Amerika verheerlijkt. In Silicon Valley doen we daar nog een schepje bovenop: de visionaire nerd op een zolderkamer is het hoogst haalbare. Die moderne superhelden zijn doorgaans oprichter en ceo van de bedrijven. Mix die heldenstatus met blind idealisme en de echokamer en je hebt een vruchtbare bodem voor een totaal gebrek aan zelfreflectie. Het is het slechtste van de Amerikaanse cultuur uitvergroot.’

‘Idealisme is onderdeel van het DNA, maar competitie, kapitalisme en het libertaire gedachtegoed zijn dat ook’

Ze vervolgt: ‘Bovendien is voor mechanismen van uitsluiting in dit wereldbeeld geen oog. Dat is ook de reden dat diversiteit in Silicon Valley nog altijd een lachertje is. Het idee dat sommige groepen nu eenmaal meer toegang hebben tot middelen en mogelijkheden doet in het wereldbeeld van tech niet ter zake. Ondertussen stroomt het geld naar een klein clubje mensen dat elkaar continu bevestigt en producten ontwikkelt voor mensen zoals zij. Kritiek van buiten resoneert niet in deze organisaties. Het is een gesloten cultuur waar andersdenkenden niet binnen komen en waar hebzucht de enige moraal is.’

Silicon Valley blijft in de eerste plaats een plek van ondernemers, niet van politici of filantropen, voegt Keen daaraan toe. ‘Idealisme is onderdeel van het dna, maar competitie, kapitalisme en het libertaire gedachtegoed zijn dat net zo goed.’ De meest spraakmakende libertaire ondernemer is Peter Thiel, oprichter van onder andere PayPal. Zijn boek Zero to One is een van de bijbels voor start-up-ondernemers. Competitie is voor verliezers: in zijn wereldbeeld kan er maar één de winnaar zijn. Monopolie, aldus Thiel, dient iedereen. Er gaat geen energie verloren door elkaar te beconcurreren – alle middelen, alle energie dienen een enkel doel. Beter voor iedereen. Anticoncurrentiebeding en regulering zijn aan hem niet besteed.

Maar regulering in enige vorm is onvermijdelijk, daar is iedereen het over eens. Amerikanen flirten met de Europese wetgeving, maar weten ook dat verkering er voorlopig nog niet in zit. ‘Wetgeving is een deel van de oplossing. De geesten zijn rijp voor een Amerikaanse variant van wetgeving’, zegt Keen, ‘nu het politieke klimaat nog.’ En daar wringt de schoen. Het politieke bestel ligt op z’n gat, besluiten worden amper genomen. ‘Daarbij is de macht van tech te groot: het economische belang weegt zwaar en de lobby van de sector reikt tot diep in DC’, zegt Kapor Klein. ‘Ik blijf hopen, maar mijn verwachtingen zijn laag.’

Ook Turner is sceptisch over de slagkracht van de wet. Voor het openbreken van monopolies, zoals van Google, ziet zij een duidelijke rol weggelegd voor de federale overheid. ‘Maar wetgevers weten het ook niet. Technologie is nog altijd een jonge sector waar continu nieuwe producten en diensten worden ontwikkeld. Elke dag ziet de wereld er weer anders uit. Ook daarin onderscheidt tech zich van andere sectoren.’

Juist daarin schuilt hoop, ziet Keen. ‘De geschiedenis herhaalt zich. De industriële revolutie veranderde de wereld radicaal en bracht behalve welvaart ook aanzienlijke schade. De maatschappij is in staat zichzelf te corrigeren. Ik zeg niet dat het gemakkelijk is, maar we kunnen dit, dat hebben we al bewezen. Ja, ook Amerikanen. Je kunt er altijd op vertrouwen dat ze het goede doen, nadat ze al het andere hebben geprobeerd’, parafraseert hij Churchill. ‘Mijn hoop is dat ze leren van Europa en uiteindelijk met een betere wet komen.’

Waarom noemen deze veteranen zich, elk op hun eigen manier, optimistisch en hoopvol, ondanks hun sombere analyses? Omdat er langzaam maar zeker in de tech-biotoop een cultuur van zelfbewustzijn ontstaat. Het narratief verandert stukje bij beetje. Er is beweging, is hun gedeelde observatie – op alle fronten.

Het feit dat er gesproken wordt over wetgeving lijkt misschien futiel of ver over datum, maar het is een fundamentele verandering. De hoorzittingen met Mark Zuckerberg veranderen concreet niets of weinig, zeggen alle gesprekspartners. Maar het belang ervan is het narratief in de eerste plaats en het beeld in de tweede plaats. Voor het eerst moet een technologiebedrijf op deze manier verantwoording afleggen. De idealen en het optimisme worden publiekelijk in twijfel getrokken. Voor het eerst moeten politici hun positie tonen. Dat beeld doet ertoe. Dat beeld is het gesprek dat wereldwijd aan vrijwel elke keukentafel, aan elke bar wordt gevoerd. Hoe breder dat gesprek gevoerd wordt, hoe breder verandering wordt gedragen.

‘En er lopen ook gewoon volwassenen rond in Silicon Valley’, zegt Andrew Keen. ‘Techneuten zijn mensen en die komen in allerlei smaken.’ Marc Benioff, ceo van Salesforce bijvoorbeeld, pleit al tijden voor regulering van de industrie en stelt sociale media gelijk aan verslavingsgoederen zoals suiker en sigaretten. Hij beweegt zich in kringen breder dan Silicon Valley en is een graag geziene gast op het economische forum in Davos. Zijn geluid, dat hij al jaren laat horen, landt eindelijk op vruchtbare bodem.

‘De nieuwe generatie geeft minder om status of geld en meer om maatschappelijke impact. Dat stemt hoopvol’

Daarnaast is er een kritische journalistieke stroming die het debat beïnvloedt, aangevoerd door Kara Swisher. Wat Freada Kapor Klein is onder investeerders is Swisher in de journalistiek. In haar podcast Recode Decode legt ze de inner circle van tech het vuur aan de schenen. Een van haar favoriete vragen is: ‘How fucked is Silicon Valley?’ – de toon is duidelijk. Ook spreken steeds meer (ex-)werknemers zich uit tegen de modus operandi van move fast and break things. De rest van de wereld krijgt door hun verhalen meer inzicht in de mores van tech. De buitenwereld dringt langzaam maar zeker binnen en stuurt zo verandering.

Voorman van deze beweging op dit moment is Tristan Harris. De ex-Google-medewerker signaleerde al vroeg de verslavende effecten van sociale media. Google benoemde hem op basis van zijn bevindingen tot ontwerpethicus. Nu staat hij aan het hoofd van het Center for Humane Technology. Met zijn instituut wil hij verslaving uit tech-ontwerpen slopen en de mens daarin centraal stellen. Hij pleit voor algoritmen die verslaving tegengaan en ons beschermen tegen onszelf, en voor een eed van Hippocrates voor ontwerpers waarmee die zich verbinden aan deze principes. Keen noemt de ideeën van Harris ‘kansloos in de uitvoering maar belangrijk in het narratief van deze tijd’.

Harris vindt bijval bij de vele onderzoeksinstituten en denktanks die de afgelopen jaren opduiken, gericht op sociaal en menselijk ontwerp van techniek en kunstmatige intelligentie. De non-profitorganisatie Open AI Institute bijvoorbeeld, gefinancierd door onder anderen Elon Musk, richt zich op de ‘ontwikkeling van kunstmatige intelligentie waar de mensheid als geheel van profiteert, niet gebonden door financieel gewin’. Het Center for the Study of Existential Risk uit 2012, verbonden aan University of Cambridge, is gewijd aan bestudering en het minimaliseren van bedreigingen voor de mensheid. Kunstmatige intelligentie en technologische risico’s zijn twee van de vier onderzoeksrichtingen. Aan de wieg van dit instituut staat onder anderen Jaan Tallinn, oprichter van Skype. In de adviesraad zetelt alweer Elon Musk. Technologie en wetenschap zijn ook hier met elkaar verbonden, zoals Silicon Valley in de schoot van Stanford kon groeien.

Ook het onderwijs pakt de tijdgeest op. Verschillende universiteiten ontwikkelen modules over de verhouding tussen moraliteit en technologie. Op Stanford werkt professor Mehran Sahami met een klein team aan een collegereeks computerethiek. ‘Technologie is geen gegeven op zich, maar moet zich verhouden tot de maatschappij. Daar gaat de collegereeks over’, zegt Sahami. Zijn studenten worden onderwezen in thema’s als privacy en burgerrechten. Harvard en het Massachusetts Institute of Technology (mit) werken aan vergelijkbare modules. Waar ethiek in bijvoorbeeld de geneeskunde een centrale plek heeft, ontbreekt ze vooralsnog in de technologie, is het gangbare argument. Het is tijd om daar verandering in te brengen.

Molly Turner ontwikkelde het curriculum ‘tech en de stad’ voor bedrijfskundestudenten aan Berkeley Haas. ‘Technologie kan steden helpen. Maar ik zie ook dat veel tech-ondernemers de dynamiek van steden niet begrijpen. Ik wil studenten leren hoe ze zich kunnen verplaatsen in de maatschappelijke dynamiek van steden en hun technische kennis kunnen inzetten om grootstedelijke problemen aan te pakken. Dat zou standaard onderdeel moeten zijn van elke tech-opleiding.’

Het blijkt nog niet zo gemakkelijk. Veertig studenten telt het college waar ik te gast ben, en allemaal ambiëren ze een eigen start-up. Vandaag presenteren ze in drie groepen een strategie om de stad te overtuigen van hun oplossing. De Valley kent twee smaken: smeken om vergeving en vragen om toestemming. Het is de gouden regel waarlangs bedrijven opereren om positie te krijgen. Van de drie groepen weet er één een geloofwaardige strategie voor samenwerking te presenteren. ‘Kunnen jullie me vertellen welk belang de stad heeft bij jullie product?’ vraag ik. Stilte. Dan: ‘De stad kan er geld mee verdienen.’

‘Het blijven bedrijfskundestudenten’, zegt Turner naderhand. ‘Maar in de drie jaar dat ik technologiestudenten les geef, zie ik een enorm verschil in de houding van studenten. Tech was per definitie goed en steden waren per definitie te langzaam, was de houding. Nu is dat andersom. Tech is niet per se goed en kan steden ook kwaad doen. Ik kan je niet met zekerheid zeggen wat de verandering heeft veroorzaakt: de blik op Europa, de verkiezingen, de ophef rondom Facebook allicht. Maar studenten zijn zich veel bewuster van hun maatschappelijke invloed. Dat maakt mij bijzonder optimistisch.’

Wat Molly Turner signaleert bij haar studenten ziet Freada Kapor Klein bij ondernemers. Het aantal bedrijven dat in aanmerking komt voor financiering door Kapor Capital groeit met de dag. ‘De nieuwe generatie geeft minder om status of geld en meer om maatschappelijke impact. Dat maakt mij hoopvol. Bovendien duurt het niet lang meer voor Amerika in meerderheid divers is. Dat brengt een ander geluid, het is een kwestie van tijd. Het geloof in de meritocratie zal niet verdwijnen. Maar er is ruimte voor een alternatieve visie in Silicon Valley.’ Ook Andrew Keen ziet beweging bij ondernemers. ‘Een van de best verkopende digitale producten is de advertentieblokker. Dat betekent dat het businessmodel van veel tech-bedrijven radicaal moet veranderen. Het is een kwestie van tijd.’

Een eenduidige of snelle oplossing bestaat niet. Het is juist de samenhang van ontwikkelingen op alle fronten die Keen, Kapor Klein en Turner hoopvol maakt. De geest is uit de fles, er is geen weg meer terug. Zelfs als alles verandert, blijft het optimisme in Silicon Valley een drijvende kracht. Uiteindelijk is het toch die ene visie die het hier wint van alle andere: technologie maakt van de wereld een betere plek.