Menseneters

Anatoli Mariengof, Cynici. Uit het Russisch vertaald door Robbert-Jan Henkkes en Elena Pereverzeva, uitgeverij Perdu, 117 blz., f35,-
Alleen de titel al, Cynici, moet in de Sovjetunie van 1928 een provocatie zijn geweest. Het boek was de eerste van drie korte romans die Anatoli Mariengof (1897-1962) in die jaren schreef, eerder maakte hij furore als een tot het imaginisme behorende dichter. Van de Staatsuitgeverij die zijn roman zou uitgeven kreeg hij toestemming het boek ook in Berlijn uit te brengen. Voor die buitenlandse uitgave werd hij vervolgens op het matje geroepen en een Russische uitgave zou uiteindelijk zestig jaar op zich laten wachten. De zoveelste schrijver wiens werk door het stalinisme onmogelijk werd gemaakt. Mariengof zou na die roman alleen nog maar zelden opgevoerde historische toneelstukken schrijven. Ter verdediging voerde hij destijds aan dat hij een revolutionair boek had geschreven: ‘De negatieve personages (de cynici) zijn door mij meedogenloos ontmaskerd en stevig aan de kaak gesteld.’

Wat hij daarmee precies bedoelde, hangt natuurlijk af van de vraag wie in dit boek de cynici zijn. De geschiedenis is in vier jaren gesitueerd: 1918, wanneer de regering besluit ‘de Sovjetrepubliek in een legerkamp te veranderen’; 1919, een barre winter waarin hongersnood heerst en de gevolgen van de Entente-blokkade alom voelbaar zijn; 1922, wanneer de Nieuwe Economische Politiek (Nep) weinig vermag tegen droogte en honger en er op massale schaal mensenvlees wordt gegeten; 1924, wanneer de republiek erin slaagt zelf drilboren, vliegtuigmotoren en tractoren te produceren. En dat nadat in dit land in zevenhonderd jaar geen goed geweer, laat staan een vlakke asfaltweg is gemaakt.
Allereerst zijn daar Vladimir en Olga. Deze laatste maakt zich na de socialistische omwenteling vooral zorgen of er in Moskou nog wel lippenrood te krijgen zal zijn. Als zij zich tenslotte van kant maakt, is zij geen snars veranderd, want ook dan vraagt zij zich af of zij er zonder rood op haar lippen niet verschrikkelijk uitziet. Op Vladimirs huwelijksaanzoek gaat ze in omdat ze in een warm bed de winter wil doorkomen. De vrij eenzijdige liefdesgeschiedenis tussen die twee speelt zich af tussen de bedrijven van het oorlogscommunisme of eerder omgekeerd.
Om de wereldrevolutie te dienen zoekt de frivole Olga contact met Vladimirs broer, een archeoloog die de leiding heeft van het watertransportwezen en haar werk bezorgt bij de agitatietreinen. Vladimir ziet de verhouding van zijn vrouw met zijn broer Sergej hevig lijdend maar toch lijdzaam aan, zeker nadat hij door diens toedoen zijn oude leraarsbaan terugkrijgt. Sergej komt met een shellshock van het front en mag op zijn beurt toezien hoe zijn geliefde zichzelf aan een rijke handelaar schenkt voor vijftienduizend dollar, die zij voor voedselhulp aan kinderen spendeert. De carriere van deze Nep-man levert een mooi verhaal op, eerder met bewondering dan verontwaardiging verteld. Volgens deze virtuoze kameleon is geen mens vrij van corruptie. Als Vladimir aan zijn broer het verhaal van de laatste lucratieve transactie van de Nep-man doorvertelt, geeft de uit de partij weggezuiverde Sergej de handelsman aan, met de bekende koude gevolgen. Wie is daar de oppercynicus? De opportunistische handelaar of de verklikker? Of uiteindellijk toch Vladimir en Olga, die genoegen nemen met hun rol van gluurders: nergens geloven ze in, tot spijt overigens van Olga, en geamuseerd kijken ze toe hoe anderen het er wel of niet goed van afbrengen.
Maar misschien zit het cynisme wel in de stijl - de stijl van denken van de verteller Vladimir - die zelfs van de grootste nood iets maakt door alles te versieren met beelden en vergelijkingen. Een 'potage a la paysanne’ is dan een brouwsel van vloeibare leem uit Smolensk, gemengd met vettige potgrond uit Penza, waarna hij ook nog 'het borststuk van een achttien jaar oude ruin krijgt opgediend.’ Niet alleen honger maar ook de verbeelding is een goede saus.