Mensenplaag

De koningskrab en de muskusrat zijn «ontplofte» diersoorten: ze hebben zich in no time massaal voortgeplant. De mens is ook zo’n soort, zegt Jelle Reumer, schrijver van De ontplofte aap.

«Red de vis, eet krab!» Met die slagzin lanceerden restauranthouders in Londen deze maand een campagne om koningskrab te eten. Geen vervelende opdracht. In tegenstelling tot veel ander gewetensvoedsel (sojaburgers, tofoe-broccolisoep, pompoentaart) smaakt koningskrab goed.

Dat de krab zo lekker is, was in de jaren zestig de reden voor de sovjetautoriteiten om het Siberische beest uit te zetten in de Baltische wateren. Een volwassen koningskrab kan maar liefst elf kilo vlees opleveren en een wijfje legt driehonderdduizend eitjes per jaar: precies wat de visser nodig had, dachten de sovjets. Inmiddels is de koningskrab een ware plaag in de Baltische zee, vreet al het voer voor de vissen weg en is al gesignaleerd voor de kust van Noorwegen. Als we nu niet heel veel krab gaan eten, móeten we straks wel, want dan is er verder geen vis meer over.

De koningskrab is een voorbeeld van wat biologen een «ontplofte soort» noemen: een exotische diersoort die elders wordt uitgezet en het in de nieuwe omgeving zo goed doet dat de autochtone dieren of planten eraan onderdoor gaan. Bioloog Jelle Reumer schreef vorig jaar een boek over die ontplofte diersoorten: De ontplofte aap.

De bekendste geëxplodeerde soort is de muskusrat. In 1900 nam een Tsjechische graaf drie muskusratten mee uit Canada omdat het hem aardig leek op zijn landgoed op deze beesten te jagen. De graaf bleek een slechte schutter te zijn. Binnen tien jaar waren er naar schatting tien miljoen muskusratten in Europa. Omdat de muskusrat de slechte gewoonte heeft aan onze dijken te knagen, wordt hij tegenwoordig fanatiek bestreden. De meest gangbare methode is om het knaagdier door middel van fuiken en klemmen te verdrinken. In Nederland worden per jaar driehonderdduizend muskusratten op die manier gedood.

Onverstandig, vindt Reumer, want andere voorbeelden van ontplofte diersoorten leren dat de populatie eerst een piek moet bereiken om vervolgens weer tot een aanvaardbaar niveau te dalen: het soufflémodel. Als we de muskusratten hun gang lieten gaan, zouden ze zich een tijdlang razendsnel vermenigvuldigen, waarna door ziekte en schaarste de sterfte vanzelf zou inzetten en de natuur uiteindelijk een evenwicht zou vinden. Als we de muskusrat stelselmatig blijven verdrinken, bereikt hij die piek niet en kan er ook geen evenwicht ontstaan, redeneert Reumer.

Klinkt logisch. Maar hoe zit het dan eigenlijk met de meest ontplofte der diersoorten: de mens? We begonnen in Afrika, introduceerden ons in de rest van de wereld, plantten onszelf rap voort, hebben nauwelijks natuurlijke vijanden en vormen een constante ramp voor onze leefomgeving. «Tja», zegt Reumer, «als bioloog zou ik zeggen dat de menselijke populatie door rampen, ziekte, oorlogen en honger vanzelf tot een aanvaardbaar niveau zal dalen. De eerste voortekenen daarvan zijn al zichtbaar.»

Maar wat is een aanvaardbaar niveau? Reumer: «Dat weet niemand. Hoe lang we nog hebben weet ook niemand. Het is alleen een gegeven dat de populatie gaat afnemen. Misschien ligt onze piek bij acht miljard, misschien bij tien miljard? Niemand kan het zeggen. Met hoeveel we dan overblijven, weet ook niemand. Misschien sterven we wel helemaal uit. Dat kan. Er zijn immers ook geen wolharige neushoorns en mammoeten meer.»

Grote rampen dreigen dus voor de mens? «Zeker. Er is eigenlijk maar één oplossing: condooms! Als we die rampspoed willen afwenden, moeten we snel stoppen met voortplanten», aldus Reumer.

Jelle Reumer

De ontplofte aap

Contact, 143 blz., e 17,90