Mentaal orgasme

Tafereel in het park: het meisje, zestien of zeventien, zit rechtop, benen gekruist, en draait met haar vingers in haar glimmend gitzwarte haar. Hij, zelfde leeftijd, joekels van gympen en een sporttenue zit naast haar, opgefokt op haar in te praten, naar haar toe gekeerd.

Zij kijkt hem niet aan, staart voor zich uit, verveeld, of misschien ook wel geërgerd, maar tegelijkertijd ook duidelijk geamuseerd, flirterig. Het is een fascinerende dubbelheid. Is dit een afwijzing of een uitnodiging?
Ik blijf een beetje in de buurt drentelen, ook omdat ik niet weet of de hofmakerij tegen of met haar zin gebeurde. Zijzelf weet het waarschijnlijk evenmin, en dat verklaart iets van het verdere verloop. Nu eens zie ik haar zich plotseling tegen hem aanvlijen, en zoenen ze even, dan weer worstelt ze zich los en malen haar mooie blote armen als giftige klauwen in het rond en scheldt ze hem de huid vol.
‘s Avonds blader ik toevallig in Een stervend dier (2001) van Philip Roth en kom een passage tegen waarin de verteller mijmert over zijn ervaringen vóór de seksuele revolutie: 'Je stal seks. Je vleide, soebatte, je drong aan - elk beetje seks moest worden bevochten, op de waarden, zo niet op de wil van het meisje. De regel was dat je haar je wil moest opleggen. Zo had ze geleerd de schijn van haar deugdzaamheid op te houden.’

Dat laatste zinnetje doet het ‘m. Natuurlijk! Dat parkmeisje kwam uit een cultuur die een voor ons nogal overtrokken belang hechtte aan eer en deugdzaamheid. Haar onverklaarbare gedrag was in één slag helder. Het was het gedrag van een meisje dat de schijn van haar deugdzaamheid ophield. En de jongen deed het ook precies volgens het boek: hij vleide, soebatte, drong aan, bevocht.

Een goede schrijver kan in een paar zinnen een complete situatie verduidelijken. Hij kan het zo formuleren dat je meteen denkt: 'Ja, zo is het precies!’ En meteen daarna: ‘Dat heb ik altijd al geweten!’ En ook: ‘Dat had ik zelf kunnen bedenken!’
De meeste geestdrift wekken die zinnen waarvan je weet dat je ze zelf ook had kunnen schrijven, ze lagen op het puntje van je pen, en alleen omdat je er nog niet de moeite voor had genomen om ervoor te gaan zitten, had je ze nog niet opgeschreven. Feitelijk verdienen ze jouw copyright, en pleegt de schrijver plagiaat op jouw gedachten.
Zo dacht ik er tenminste over, maar nu begin ik te twijfelen. Had ik werkelijk op eigen kracht tot de ontdekking kunnen komen dat het meisje de schijn van haar deugdzaamheid ophield? Of geeft Roth mij alleen maar de illusie dat hij mijn op-het-puntje-van-de-tong-gedachten uitspreekt?
Ik heb het ook met knappe vergelijkingen. Een stemmend orkest dat rond de centrale a zwermt als vogels rond een homp brood (Mulisch). Herinnering die als een hond is die gaat liggen waar hij wil (Nooteboom). Goede metaforen geven een schokje fysiek genot, dat je gerust als familie van het orgasme mag classificeren. Alsof je eventjes zweeft, eventjes duizelig blijft hangen in de luchtlagen tussen de letterlijke en de metaforische realiteit.
Daarna volgt de ontlading, en vult zo'n zin zich met betekenis en leven: raak! Goede vondst! Maar is het ook een vondst? Dat woord suggereert, opnieuw, alsof het er altijd al was, en we het zonder die schrijvers vroeg of laat ook wel op eigen kracht hadden ontdekt.

Ik begin te geloven dat het geen vondsten maar constructies zijn. De schrijver doet alsof hij iets bijzonders ziet liggen, zomaar op straat, maar verhult dat hij het daar zelf heeft neergelegd.
Dat vereist een zekere mate van matigheid. Ik bedoel, het lukt niet met al te exuberante uithalen. ‘Haar lichaam was als een helikopterplatform.’ Dat kan misschien origineel lijken, maar het mentale orgasme blijft uit, omdat je het niet zelf bedacht had kunnen hebben. In goed schrijven moet iets vanzelfsprekends zitten. Ach, natuurlijk! Haar lichaam was een geladen pistool, waar ze nog niet mee om had leren gaan (Roth opnieuw, zelfde boek). Ja, dát is het, zó zijn die meisjeslichamen precies!

En het blijft zwendel. Evengoed had ik na mijn parkscène een roman kunnen lezen waarin overtuigend het karakter wordt geschetst van iemand die niet weet of ze wel of niet met een jongen wil en daardoor een haat-liefdereactie vertoont. Was dat pakkend geschreven, dan had ik dat als vondst omarmd, en was die hele schijn van haar deugdzaamheid in geen velden of wegen te bekennen.
De lezer de illusie geven dat hij het zelf ook had gekund, en dat jij per ongeluk net wat eerder was, daar gaat het om. Ik vertel daar overigens niets nieuws mee. U hebt nooit de moeite genomen het zelf te formuleren, maar u wist dit allemaal al lang.