KUNST

Merkwaardige heiligen

Russische orthodoxie

Glans en glorie in de Hermitage Amsterdam biedt een groot overzicht van de kunstgeschiedenis van de Russisch-orthodoxe kerk. Zoiets is niet te doen met kunstwerken en liturgische voorwerpen alleen; je moet de westerse bezoeker ook uitleggen hoe die orthodoxe kerk in elkaar zit, wat de geloofsbeleving is, hoe de liturgie werkt en vooral, hoe die kerk verbonden is met de geschiedenis van Rusland en de Sovjet-Unie. Dat is een hele opgave, en de tentoonstellingsmakers brengen het er redelijk vanaf. De geduldige lezer kan een goed beeld van die specifieke cultuurgeschiedenis krijgen, maar het is niet heel makkelijk. De terminologie is nogal exotisch, en dat geldt ook voor de iconografie, met een verzameling merkwaardige heiligen die weinig verbinding hebben met het westerse pantheon, en dus goeddeels onherkenbaar zijn.
De werken zijn niet alleen uit Petersburg afkomstig; een klein maar belangrijk deel komt uit het Staatsmuseum van Pskov, het Russisch Museum en het Staatsmuseum voor Religieuze Geschiedenis. Daarmee worden enkele lacunes opgevuld: de absolute topwerken van de orthodoxe kerk, de Moeder Gods van Vladimir en de iconen van Andrej Rublyov, om maar wat te noemen, hangen in Moskou, en worden denkelijk nooit uitgeleend. Toch is de tentoonstelling bijzonder genoeg. Uit Pskov komen bijvoorbeeld uiterst zeldzame fragmenten van veertiende-eeuwse fresco’s, en die zijn de reis naar Amsterdam al waard. Het is een beetje suf dat de Hermitage besloot de tentoonstelling te ‘completeren’ met grote (en matig uitgevoerde) tekst- en fotoborden, waarop de ontbrekende topstukken uit andere musea te zien zijn.
De geschiedenis van de orthodoxe kerk wordt gekenmerkt door een zeker fanatisme dat te verklaren is uit haar marginale positie en haar bloedige geschiedenis. De Russische gelovigen klampten zich vast aan de oude waarheden, krachtiger dan hun geloofsgenoten in Byzantium en Griekenland dat ooit hadden gedaan. De kunstgeschiedenis van de orthodoxe kerk is interessant, omdat die in tegenstelling tot die van West-Europa heel erg statisch is. Een icoon, bijvoorbeeld, werd beschouwd als een heilig voorwerp. De afbeelding voerde terug op het prototype, de afgebeelde heilige zelf, en daar kwam dus geen artistieke inventie bij kijken. Integendeel: hoe sterker de schilder het stramien volgde, hoe beter het werk was. Pas in de zestiende eeuw werd daar onder invloed van westerse contacten van afgeweken.
Het intrigerende van die statische werken is dat ze ver teruggaan in de geschiedenis van het beeld, verder, zelfs, dan die van het christendom. In techniek en compositie sluiten iconen aan op een oude traditie, die van de Egyptische Fayoem-portretten, afbeeldingen van overledenen, die op de sarcofaag werden geplaatst. Ook in de presentatie van iconen in de kerk is een veel oudere, Romeinse traditie te herkennen. Onder de regering van keizer Diocletianus werd het gezag van de keizer in hoge mate vergoddelijkt. De keizer werd niet zelf god, maar wel een transcendente figuur, gekleed in goud, purper en juwelen, waarvoor de onderdanen zich prostreerden. In openbare ruimtes zoals de basilica, waar in naam van de keizer recht werd gesproken, was het gelaat van de keizer altijd aanwezig, en altijd op de rechterstoel. Het is een verleidelijk idee dat die starre, hemelse, onveranderlijke figuren van de Russische icoon, met hun glanzende aureool en hun borende blik, de directe nazaten zijn van de vergoddelijkte Romeinse heersers.

Glans en glorie: Kunst van de Russisch-
orthodoxe kerk, Hermitage Amsterdam,
t/m 16 september 2011. www.hermitage.nl