De kinderen van de Khomeini-aanhangers

Messias Khatami

De kinderen van Khomeini-aanhangers lopen voorop in de strijd om hervormingen in Iran. Zij hebben de parlementsverkiezingen gewonnen. President Khatami is hun man. ‘Hij heeft dit land uit zijn isolement gehaald.’

VRIJDAGOCHTEND 11 februari. Teheran maakt zich op voor de viering van de 21ste verjaardag van de islamitische revolutie. In de straten rond het Azadi(vrijheid)plein worden nog snel wat papieren opgeveegd. De muren zijn hagelwit. Overal hangen portretten van de overleden geestelijk leider ayatollah Khomeini en van zijn opvolger Khamenei. Langzaam stroomt de mensenmassa het plein op. Mannen, kinderen, ouderen en vrouwen gehuld in een zwarte chador marcheren gedisciplineerd naast elkaar. Uit de boxen klinkt ‘Lang leve Khomeini en Khamenei’. De menigte roept ‘Makbar Israel, makbar Amerika’ (dood aan Israel en Amerika). Een Amerikaanse journalist nadert een groep jongeren. Nieuwsgierig vragen de jongeren waar hij vandaan komt. De journalist mompelt ‘Amerika’. Lachend geven ze hem een hand. ‘Nice country’, roept een jongen terwijl hij een pen uit zijn binnenzak haalt. ‘Can I have your address. I would like to visit you!’


De opkomst valt tegen. Slechts driehonderdduizend mensen zijn komen opdagen. Men had er anderhalf miljoen verwacht. De mensen brengen deze dag, die in het weekeinde valt, liever door met vrienden en familieleden en, als het even kan, in een van de grote parken van Teheran, zoals het Parke- Mellat. Tientallen families hebben tafelkleden op de grasvelden uitgespreid. Allerlei lekkere hapjes en drankjes worden te voorschijn gehaald. Kleuters rennen achter elkaar aan. Kleine meisjes spelen met een grote plastic bal. Op het water vaart een bootje. Het is winter. Een stevig windje bolt onder de chadors van de vrouwen. Een enkel meisje moet haar hoofddoek, die ze losjes om haar hoofd heeft geslagen, vasthouden. Haar roodgeverfde haren kleuren mooi bij de crèmekleurige doek met vrolijke borduursels. Jonge stellen lopen hand in hand. Ergens op een bankje, onder een hoge kastanje, zit een groep meisjes. Ze zien er prachtig uit. De zwarte chador dragen ze niet. Hun haren komen onder de hoofddoeken met mooi gehaakte randen uit. Hun rokken zijn lang, dat wel, maar modieus en prachtig van kleur. Hun mantels passen er uitstekend bij. Ze hebben hun hoofden bij elkaar gestoken. Een meisje legt haar slanke hand met roodgelakte nagels op de arm van een ander meisje. Een glimlach plooit zich rond de rood gestifte lippen. De islamitische revolutie mag dan voor veel mensen haar glans hebben verloren, deze jonge meisjes hebben er een glans bij gekregen. Een waterig februarizonnetje werpt zijn stralen over een stukje Teheran dat wellicht het decor vormt voor een toekomst die de Iraniërs zelf kunnen modelleren.


Ik ontmoet de 42-jarige groenteboer Mohmmad Ramezani. Hij woont met zijn vrouw en drie kinderen in het armzalige Islamshahr, een buurt in het zuidwesten van Teheran. Hier is hij geboren en opgegroeid. Tien jaar geleden woonden in deze buurt enkele tienduizenden mensen, nu zijn dat er meer dan honderdduizend. Na de revolutie zijn veel plattelandsbewoners voor een betere toekomst naar Teheran verhuisd. De minderbedeelden komen automatisch naar deze wijk. In Islamshahr kunnen ze zich de relatief goedkope huur van de grauwgrijze huizen net permitteren. De werkloosheid en de daarmee gepaard gaande criminaliteit is hier het hoogst van Teheran.


Ramezani woont in een huis met drie kamers. De woonkamer is eenvoudig ingericht; een tapijt, een paar stoelen. Aan de muren hangen koranspreuken en een schilderij van Mekka. Er zijn sporen van lekkage, bruin, in grillige vormen. Buiten valt sneeuw. Een elektrische kachel die Ramezani op de markt op de kop wist te tikken, doet het niet. Hij verontschuldigt zich: ‘Ach, jullie kunnen beter tegen de kou dan wij.’


Ramezani heeft de hoop om ooit in een betere buurt te kunnen gaan wonen, allang opgegeven. Met zijn groentezaak, die hij van zijn vader heeft overgenomen, verdient hij net genoeg om de huur te betalen, zijn gezin te onderhouden en de studie van zijn twee dochters te betalen. De islamitische revolutie heeft niet de economische voorspoed gebracht waar hij op hoopte.


Als twintigjarige student liep Ramezani voorop in de demonstraties tegen de sjah. Met de val van het sjah-regime in 1979 zou alles veranderen, dacht hij. ‘De dag dat Khomeini na vijftien jaar ballingschap terugkwam in Iran, zal ik nooit vergeten. Het was alsof ik opnieuw werd geboren. Eindelijk een leider die ons onze waardigheid zou teruggeven. Alles zou anders worden. Geen angst meer. De welvaart in het land zou ten goede komen aan iedereen.’ Voor de revolutie kende Ramezani Khomeini nauwelijks. ‘Ik wist van mijn vader dat hij in ballingschap leefde. Sommige vrienden hadden tijdens het bewind van de sjah stiekem naar zijn preken op cassettebandjes geluisterd.’ Ramezani verbaast zich nog steeds over zijn Khomeini-verering van destijds. ‘Het heeft met de aard van de Iraniërs te maken: wij hebben altijd behoefte aan een messias, iemand die het volk van zijn lijden zal verlossen. Nu vertolkt president Khatami die rol.’


Tolerantie, vrijheid en gelijkheid, dat waren de idealen van Ramezani aan het begin van de revolutie. ‘Misschien was het een utopie, maar ik geloofde er met velen van mijn generatie in. Nu, 21 jaar later, koester ik geen idealen meer en is mijn vertrouwen in de toekomst tot een dieptepunt gedaald. Als ik deze groentezaak van mijn vader, die inmiddels is overleden, niet had overgenomen, was ik nog slechter af geweest. Nepotisme en repressie, het zijn begrippen die de mullahs schaamteloos hebben overgenomen van het zo verfoeilijke sjah-regime. Wat dat betreft zal alles bij het oude blijven. Ook als Khatami meer macht krijgt, want hij blijft een leeuw zonder tanden. Immers, de werkelijke macht blijft bij degenen die met de volksrevolutie aan de haal zijn gegaan: de geestelijken.’



NIET IEDEREEN lijkt zich te willen neerleggen bij de gedragscodes die de geestelijken de samenleving opleggen. En vooral niet nu de hervormers steeds meer terrein winnen. Vooralsnog blijft Iran een land met twee gezichten. Het openbare leven waar men zoveel mogelijk de grenzen aftast van wat wel en niet kan en het privé-leven dat zich voornamelijk binnenshuis afspeelt. Vooral de rijke elite heeft weinig boodschap aan de islamitische waarden die de mullahs voortdurend prediken.


We zijn uitgenodigd voor een verjaardagsfeestje in de chique wijk Shamiran in het noorden van Teheran. Een studente is 24 jaar geworden en wil dat groots vieren. Haar ouders behoren tot de bovenlaag van de bevolking en bewonen een groot huis dat achter een hoog hek in een grote tuin met zwembad ligt. Het huis wordt bewaakt door videocamera’s. Voordat het hek openzwaait, moeten we ons in de microfoon bekendmaken. We lopen door de donkere tuin. Het dunne laagje sneeuw knerpt onder onze voeten. Op het zwembad ligt een dun ijsvliesje. Vanuit het huis klinken gitaren, drums, saxofoon en citer. Muziek met een vleugje oosters en een sausje Amerikaans. In de grote kamers dansen jonge mensen op Riky Martin. De meisjes dragen minirokjes en zijn fel opgemaakt. De jongens hebben snelle pakken aan met dassen in westers dessin. Men danst dicht tegen elkaar aan. Soms tasten lippen mooi opgemaakte wangen af. Nog dichter nestelen de meisjes zich tegen de jongens aan. Handen gaan zoekend over lichamen. De muziek vult de ruimte, geeft de maat aan, maar op het hoogtepunt valt het geluid weg. Er klinkt een nerveus lachje. Een meisje vleit haar hoofd op de schouder van haar danspartner. ‘We luisteren of de religieuze politie weer op pad is’, fluistert Faizahh, een 23-jarige studente rechten. ‘De politie bewaakt dag en nacht de islamitische moraal. Wij noemen ze gekscherend de lipstickbrigade. Als je geld in hun handen stopt, worden ze ter plekke doof en blind. Ze zijn vooral fel op dit soort feestjes. Als het aan de mullahs ligt, mogen we niet dansen of naar westerse muziek luisteren.’


Er komt iemand langs die vraagt wat ik wil drinken: wijn, pils, whisky, port, het is er allemaal. De jonge mensen laten hun glazen vullen. De ogen schitteren. De ouders van het jarige meisje doen volop mee aan het feest. De studente rechten vertelt me dat de ouders allemaal heimwee hebben naar de sjah, toen er niets stiekem hoefde te gebeuren. ‘Je ging openlijk naar feesten en partijen. De chador moest nog worden uitgevonden. Die vrijheid was de vrijheid van het Westen en toen kwam de islamitische revolutie. Ik heb die niet meegemaakt, mijn vader wel. Hij vertelde me dat het net was alsof het licht overal uitging en je in het donker je weg moest vinden. We gaan gebukt onder het fundamentalistische juk van de mullahs en dan probeer je uitwegen te vinden. Overdag gaan we naar de universiteit in de voorgeschreven kleding. We lopen langs elkaar heen, groeten elkaar onmerkbaar, maar ’s avonds leven we ons uit. Wij hebben een schotelantenne en we zijn uitstekend op de hoogte van de mode en de life style in het Westen. Die schotelantennes zijn verboden. Overdag zie je er niet één, maar ’s avonds in het donker staan ze weer op het dak. ’s Avonds dansen we, flirten we, kussen we, drinken we, kletsen we. Dan is de sjah weer even terug, begrijp je?’


Het feestje loopt op zijn einde. De meisjes hullen zich in lange jassen en slaan de hoofddoeken om.



JAREN GELEDEN kwamen studenten in opstand tegen de sjah. Wie zich het begin van de revolutie herinnert, weet dat de Iraanse studenten van toen onmisbaar waren voor de overwinning van de revolutionaire ideeën van ayatollah Khomeini. Nu zijn het de kinderen van die oud-revolutionairen die het tij willen keren en vooroplopen in de strijd om meer culturele, sociale en politieke hervormingen. Wat dat betreft is er een parallel te trekken met het begin van de revolutie.


Op de campus van de Teheran Universiteit zijn de studenten nog niet vergeten hoe vorig jaar de knokploegen van de conservatieve Hezbollah met knuppels en ijzeren staven het universiteitsterrein bestormden en op studenten begonnen in te slaan. Aanleiding was de vreedzame demonstratie van studenten tegen de sluiting van de liberale krant Salam. De muren van de slaapvertrekken op de campus zijn inmiddels ontdaan van de bloedsporen en de ingeslagen ruiten zijn vervangen. De woede en haat richting geestelijken, die volgens de studenten verantwoordelijk zijn voor de gewelddadigheden, zijn hier nog altijd groot.


In de aula van de universiteit zitten de studenten in groepjes op krakkemikkige stoelen de krant te lezen. De 24-jarige medicijnenstudent Karim Petgar verhaalt met ingehouden woede over de bloederige avond. Ook hij liep klappen op. Voor Petgar en andere studenten waren de gewelddadigheden het bewijs dat de conservatieve krachten in het land geweld niet schuwden om hun macht te behouden. ‘Het was een teken van zwakte’, zegt Petgar. De conservatieven beseffen volgens hem maar al te goed dat ze geen steun genieten van de bevolking. ‘Er volgden studentendemonstraties die dagenlang aanhielden. De boodschap van de studenten was duidelijk: ze hadden genoeg van de alleenheerschappij van de geestelijken. Daarom wordt Khatami massaal gesteund door de bevolking. We zijn voor een democratische islamitische staat. Politieke, sociale en culturele vrijheden zijn niet in strijd met de islam, zoals de mullahs ons willen doen geloven.’


De studenten op de campus dragen Khatami op handen. Voor hen is hij de aangewezen persoon om politieke hervormingen door te voeren. ‘Hij is integer en slim’, zegt de 22-jarige chemiestudent Maani Yari. ‘Khatami voelt duidelijk aan wat de bevolking wil. Zijn pleidooi voor hervormingen is serieus en niet populistisch. Hij heeft dit land uit zijn isolement gehaald. In het Westen tellen we weer mee. Dat is zijn verdienste.’ Yari kan zijn geluk niet op nu de hervormers de parlementsverkiezingen gewonnen hebben.


De studenten begrijpen dat de hervormingen niet van de ene op de andere dag gerealiseerd kunnen worden. Dat zou de conservatieven alleen maar in de kaart spelen, met als gevolg dat de confrontatie tussen de hervormers en de conservatieven verder escaleert. En daar zit niemand in dit land op te wachten.


Abbas Abdi (44) vindt juist, nu de hervormers de parlementsverkiezingen overtuigend hebben gewonnen, dat er haast moet worden gemaakt met het democratiseringsproces. Het zijn opmerkelijke woorden uit de mond van een oud-revolutionair en oprichter van het blad Salam. Abdi was een van de belangrijkste studentenleiders die verantwoordelijk was voor de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran. Vorig jaar vloog hij, tot verbazing van iedereen, naar Parijs om daar de hand te schudden van Barry Rosen, een van de Amerikaanse gijzelaars. Abdi wilde dat hoofdstuk in de Iraanse geschiedenis afsluiten. Zijn excuses aan Rosen betekenen niet dat hij afstand neemt van de revolutie in die tijd. Integendeel. ‘De Amerikanen hebben hun hand overspeeld door jarenlang steun te geven aan het regime van de sjah. Achteraf kun je je misschien afvragen of het correct was om de Amerikanen te gijzelen. Ach, het ging allemaal zo snel.’


Abdi heeft ontzag voor de manier waarop Khatami zijn presidentschap vervult. Maar de wijze waarop de president de hervormingen wil doorvoeren, vindt hij veel te traag. ‘De hardliners in het conservatieve kamp zullen hun macht niet zomaar prijsgeven. Dat moet Khatami beseffen. Daarom moet hij de massale steun die hij van de bevolking kreeg, gebruiken om zichtbare veranderingen door te voeren. Dat is mogelijk nu hij in het parlement veel meer steun kan genieten.’ Abdi is ervan overtuigd dat verdere democratisering noodzakelijk is. ‘Dat is ook de wens van de bevolking. De enorme winst van de hervormers bij de parlementsverkiezingen is daar het bewijs van. Ook de mullahs realiseren zich dat. Het is een onomkeerbaar proces. Democratie is geen westerse verworvenheid. Als we de grondbeginselen van de islam werkelijk willen toepassen, dan is er geen plaats voor welke vorm van dictatuur dan ook, niet van een persoon en ook niet van een groep. Wat dat betreft neemt Iran op dit moment een unieke positie in de islamitische wereld in, want er is nu een democratisch gekozen president en ook het parlement is door de kiezers gekozen. Als dit democratiseringsproces zich voortzet, zal dit ook zijn impact hebben op de rest van de islamitische- en Arabische wereld. In dat geval kunnen we eindelijk onze idealen voor een democratische islamitische staat, die we 21 jaar geleden koesterden, alsnog realiseren.’