Messias met een kaïnsteken

Het vlees was zwak, de geest gewillig en het lichaam een zondige tempel, leerde de kerk me eertijds. Jezus’ meest karakteristieke daad was het uitdrijven van ‘duivels’ uit de lichamen van bezetenen. Ik kreeg onderwezen dat elk lichaam een tempel van God is en dat wij allen van duivels bezeten ter wereld komen. Elke duivelsuitdrijving kwam derhalve symbolisch overeen met een tempelreiniging, een wassing van de ziel. Spannende verhalen hoorden daarbij, met in de hoofdrol een kordaat optredende Nazarener. Maar begreep ik het ook allemaal?

De wijsneuzige knaap uit Wild vlees, het romandebuut van Marc Reugebrink, moet zo'n beetje hetzelfde zijn overkomen. Met gespitste oortjes en een gekrulde neus van nieuwsgierigheid zal hij geluisterd hebben naar al dat duivelse gedoe en die strijd ertegen, al die beproevingen, dat bloedvergieten, uitdrijven en redden. Deze woorden duiken tenminste regelmatig op in de lange monoloog die het boek is. Het heeft hem kennelijk allemaal zozeer in de greep gekregen dat zijn verbeelding een compleet eigen leven is gaan leiden en hij van al dat gefantaseer stevig gestoord is geraakt.
Zijn verhaal begint met de mededeling: ‘Laat ik maar meteen bekennen dat ik niet helemaal goed geboren ben.’ Er is inderdaad niet zomaar iets met hem aan de hand. Zo jong als hij nog is, moet hij al een nier missen. De operatie bezorgde hem een allerlelijkst litteken, 'een wanstaltige vergroeiing’, een gruwelijke streep 'wild vlees’. Bovendien is hij een tijdlang zijn pisbuis niet de baas, wat hem op natte plekken op zijn broek komt te staan. Daardoor wordt hij door zijn medeleerlingen uitgemaakt voor 'pissebed’ en 'stinkzak’.
Zijn lichamelijke handicaps en verminkingen, weet hij, duiden op een ontaarding, 'op een innerlijke verdorvenheid die elk rechtschapen mens een gruwel is’. Hij heeft het over de 'tempel van mijn lichaam’ die ruimschoots voor zijn geboorte bevolkt was met het schuim der aarde: 'tollenaars, duivenkramers, hoeren, bultenaars, sodomieten en andere moordlustige types’.
Regelmatig moet hij voor langere perioden de school verzuimen, een absentie die uiteraard opvalt. Als Wolferink, de leider van de klas waarin hij zit, tenslotte wil weten waarom, laat hij hem in het fietsenhok op het schoolplein zijn litteken zien. Dat is het begin van een ware cultus die om hem heen ontstaat, waarbij hij zijn merkteken van schande en gevaar tegelijkertijd gebruikt als een symbool van lijden en genezing. Met gevoel voor ritueel ontbloot hij dan zijn bovenlijf en mogen medeleerlingen het bekijken en betasten. Hij spreekt heel geëxalteerd over deze bijeenkomsten en verwijst daarbij naar zijn ootmoed en nederigheid, zijn besef van nietigheid tegenover het grote dat hij dient: 'En zo, met mijn hoofd gebogen, de armen zijwaarts, mijn ogen gesloten, fluister ik dan naar de grond: “Kom”, fluister ik: “Kom tot mij…”.’
Spreekt hier een messias in de dop? Je zou het denken, toch moet het antwoord het midden houden tussen ja en nee. Want het stigma - het boekomslag brengt een detail in beeld van Caravaggio’s schilderij Het ongeloof van Sint-Thomas - is evenzeer een Kaïnsteken. Al koketteert de verteller met zijn goedertierenheid, met de wens om eenieder die van het pad der rechtschapenheid is afgedwaald, te redden van een verbanning naar de 'diepste diepten der duisternis’, dubbelhartig is hij wel.
Hij doet er namelijk alles aan om in de gunst te blijven van zijn tegenspeler Wolferink, al moet hij daarvoor de beul spelen. Als Wolferink het beveelt, slaat, stompt en schopt hij de vermeende zondigheid uit het lichaam van wie dan ook. Meisjes krijgen het daarbij het ergst te verduren. Wordt de joodse Esther Schmitz nog geredresseerd vanwege haar bult, waarna ze voorgoed van school verdwijnt, wanneer hij Babs Veldkamp in het zwembad haar kleurige zwembroekje van het lijf heeft gerukt en hij haar 'niet bloedende diepe kerf in de onderbuik’ heeft gezien, staan alle meiden uit zijn omgeving wat hem betreft onder het teken van een ontiegelijk kwaad. Desondanks kan hij tegelijkertijd huiverend genieten bij de aanblik van deze 'gruwelijkste van alle verminkingen’.
Wild vlees is een roman zonder plot of clou, Reugebrinks boek ontleent zijn zinderende spanning aan de manier waarop hij de bewustzijnstoestand beschrijft van een jongen met een buitengewoon gecompliceerde gedachtenwereld. De titel verwijst, als ik het goed begrijp, niet alleen naar de slordige heling op zijn geschonden lichaam, maar minstens evenzeer naar de ongeremde woekering van christelijk taalgebruik en bijbelse beelden die de knaap in zijn omgeving heeft opgedaan en waarmee hij vervolgens aan de haal is gegaan. Zijn monoloog wemelt van de woorden waarop vooral christenen het patent hebben, zoals goedertierenheid, hovaardigheid, zonde, erfzondigheid, verdorvenheid, uitverkoren of verstoten zijn, redding brengen, gehoorzaamheid en verlossing. Woorden die ook nog eens een verband aangaan met gruwelen uit de afgelopen wereldoorlog zoals deportatie en verbranding.
Daarbij heeft de jongen ook nog eens een fenomenaal geheugen voor allerlei Latijnse termen waarin zijn fysieke staat, zijn behandeling en operaties beschreven kunnen worden. Alsof het om kerklatijn gaat, de taal waarin de eredienst van het bovenmenselijke offer dat Christus bracht, dagelijks wordt herhaald. 'Algemeen onderzoek van het abdomen. Is er sprake van intrekking of opzetting? Striae? Diastase der musculi recti? Lokale uitbochtingen? Zichtbare pulsaties zelfs? Of contraperistaltiek bij polorusstenose? Ik bedoel maar… En dan nog de percussie van lever en milt.’
De jongen zegt dan ook niets teveel als hij uiteindelijk concludeert dat hij zichzelf tot in alle details heeft blootgelegd, zich tot 'op de laatste pees, tot op het allerlaatste vlies’ heeft gedetermineerd. Marc Reugebrink leende hem de woorden om dat te kunnen doen, en creëerde zo een ontroerend, fascinerend, maar niet minder huiveringwekkend portret van een bijzondere, voor een deel verknipte knaap, van zijn grootheidswaan en onderdanigheid, zijn vastberadenheid, zelfpijniging en angsten, zijn godsvrucht en de vertekening daarvan, en niet minder ook zijn seksuele verwarring.