Het karakter van D66

Met Alexander in de lift

De oude grap luidt: D66 zit in de lift… naar beneden. Maar nu groeien de Democraten weer. Dat is voornamelijk te danken aan fractievoorzitter Alexander Pechtold. Hij heeft de partij weer karakter gegeven.

NET TOEN D66-LEIDER Alexander Pechtold vorige week bij het televisieprogramma De wereld draait door een nieuwtje wilde vertellen, viel de sidekick van presentator Matthijs van Nieuwkerk hem in de rede. Pechtold kreeg ook daarna niet meer de kans te vertellen wat hij wereldkundig had willen maken: dat hij als partijleider in de fractie blijft zitten als zijn partij na verkiezingen in de regering zou komen.
Voor een fractievoorzitter met maar drie zetels in de Tweede Kamer lijkt dat een wat voorbarige, zelfs hoogmoedige mededeling. Dat de zetelaantallen fors schommelen is weliswaar een van de kenmerken van D66, maar minder dan zes zetels had de partij nog nooit gehad. De oprichters zouden in 1967, toen de partij voor de eerste keer deelnam aan verkiezingen, met drie zelfs geen genoegen hebben genomen en niet de Kamer in zijn gegaan. Waarom wilde Pechtold zijn mededeling dan toch kwijt?
Omdat D66 sinds 2006 gestaag groeit in de peilingen. Bij Maurice de Hond staat de partij nu op negentien zetels en in de Politieke Barometer op dertien. Pechtold zelf relativeert die aantallen altijd, maar zegt ook altijd dat zelfs de helft nog een flinke groei zou betekenen.
Met een zetelaantal van zes of zelfs negentien is een partij echter nog steeds geen vanzelfsprekende kabinetskandidaat. Maar omdat andere traditionele partijen met regeringservaring zoals CDA en PVDA gestaag aanhang verliezen, is in coalitieland Nederland de kans groot dat zij ook een volgende keer een derde partner nodig hebben om te regeren.
Dat hoeft in theorie dan nog steeds niet D66 te zijn. Maar als na nieuwe verkiezingen PVDA of CDA in de kabinetsformatie het voortouw zou mogen nemen, dan zal de kans dat ze kiezen voor de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders of de SP van Agnes Kant variëren van uitgesloten tot als-het-even-kan-liever-niet.
Dat Pechtold al laat weten fractievoorzitter te zullen blijven, is dus minder vreemd dan het lijkt. Maar hij had nog een andere reden om zijn ‘nieuwtje’ kwijt te willen. Die heeft te maken met datgene waar de partij sinds haar oprichting voor wil staan: een gezonde parlementaire democratie.
Die is er volgens Pechtold bij gebaat dat de politiek leider in de Kamer zit. ‘Dat is nodig om van het dualisme nog iets te maken’, zei hij de dag na zijn tv-optreden. ‘Nu zitten alle drie de politieke leiders in het kabinet. Als ik nu ook weer lees over de ervaringen van ex-minister Ella Vogelaar word ik erin bevestigd dat dat niet goed is. PVDA-leider Wouter Bos liep haar in zijn functie van minister van Financiën voor de voeten in haar onderhandelingen met de corporaties.’

MET ZIJN OPMERKING over de plaats van de politiek leider heeft Pechtold aan de vooravond van het partijcongres, dit weekeinde in Rotterdam, willen laten zien dat hij niet is vergeten in welke traditie zijn partij wortelt. Het is een signaal voor zijn achterban. Niet onbelangrijk, want sinds zijn aantreden als partijleider steekt hij niet veel energie en tijd in wat bij D66 de kroonjuwelen zijn gaan heten, zoals de rechtstreeks gekozen minister-president en een ander kiesstelsel. Een deel van de achterban hecht daar echter nog steeds aan.
Voor Pechtolds opstelling is een pragmatische reden: na ruim veertig jaar heeft het getrek en geduw aan die kroonjuwelen niet veel opgeleverd. Maar daarnaast vindt hij dat de kroonjuwelen een doel op zich waren geworden. Vernieuwingen als de gekozen burgemeester kwamen voort uit een analyse van de betonrot in de democratie anno 1966. Die analyse is volgens hem aan het begin van de 21ste eeuw toe aan een update.
Die update maakt Pechtold niet in zijn eentje thuis. Daar is hij de persoon niet naar. Hij vormt zijn gedachten graag via gesprekken met derden. Een zo’n gesprekspartner is de politicoloog professor Herman van Gunsteren. Geen partijlid overigens.
Twee jaar geleden was Van Gunsteren gastspreker op het D66-congres. In zijn betoog hield hij de partijleden toen voor dat ze jarenlang aan de mechanismen van de democratie, zoals de gekozen minister-president, hadden zitten prutsen, maar dat ze zich op de principes van de democratie moesten concentreren.
Via dat betoog van Van Gunsteren is onder meer te verklaren waarom Pechtold niet alleen consequent probeert Geert Wilders in het parlement van repliek te dienen zoals dat in een democratie hoort, maar tevens vindt dat de rechter als onafhankelijk instituut binnen een democratische rechtsstaat ook zijn mening moet kunnen geven over de vraag of de uitlatingen van Wilders aanzetten tot haat.

DE MANIER waarop Pechtold de leider van de PVV aanpakt, wordt in de media vaak genoemd als reden voor de populariteit van de D66-leider. Wilders heeft zelf eens gezegd dat zonder hem Pechtold niet zo had kunnen stijgen in de peilingen.
Volgens de D66-woordvoerder geven nieuwe leden echter andere redenen op als hun wordt gevraagd waarom ze zich aanmelden. Dat laatste doen ze in groten getale. Volgens Pechtold met meer dan honderd per week. Daardoor heeft de partij, die naar zijn zeggen een paar jaar geleden minder dan achtduizend daadwerkelijk betalende leden had, er nu ruim dertienduizend.
De drie belangrijkste redenen voor de nieuwkomers zijn volgens de woordvoerder het belang dat D66 hecht aan onderwijs, de manier waarop de partij zich verzet tegen het moralisme van dit kabinet en het niet-dogmatische karakter van de partij. Daarnaast is Pechtold zelf een belangrijke ledentrekker.
Hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen na een toch tamelijk desastreus verlopen ministerschap blijft gissen. Zijn verbale talent en humor spelen zeker een rol. Omdat hij in de oppositie zit, hoeft hij zich bovendien niet in bochten te wringen.
Maar misschien moet zijn populariteit ook gewoon gezocht worden in het contrast met zijn opponenten in de Kamer. Vergeleken bij collega’s Mariëtte Hamer (PVDA), Pieter van Geel (CDA) en Mark Rutte (VVD) doet hij het beter. Pechtold is geen houterig debater, krijgt niet van de zenuwen druppeltjes op zijn bovenlip, en doet geen overtrokken uitspraken die hij later moet terugnemen. Wat hij op Femke Halsema van GroenLinks voor heeft, is een ondogmatische partij.
Daarnaast is voor de D66-stemmer een zekere mate van redelijkheid altijd belangrijk geweest. Daar speelt Pechtold op in. Bijvoorbeeld door zichzelf uit te nodigen in het Torentje van minister-president Jan Peter Balkenende om mee te denken over de aanpak van de crisis. In een tijd als deze oppositie voeren om het oppositie voeren vindt zijn achterban niet passen. Leuk meegenomen is dat Pechtold zo die achterban ook duidelijk kan maken dat als alleen de drie fractievoorzitters van de regeringspartijen daar mogen meepraten, dat niet democratisch is.
Praten over de achterban van D66 is overigens lastig. Een gemeenschappelijk kenmerk is vooral dat deze hoogopgeleid is. Dat is altijd zo geweest. Van het platteland of de Rotterdamse haven moet D66 ook nu haar ledenaanwas niet hebben, wel van universiteitssteden als Groningen en Nijmegen.
Maar de D66’er voelt zich bovenal ongebonden. Dat kan ook niet anders; de partij is ooit opgericht voor dat doel: het verbreken van vanzelfsprekende banden tussen politieke partijen, kerken en vakbonden. Voor jongere generaties is die vroegere vanzelfsprekendheid inmiddels ook echt geschiedenis.
D66 worstelt daardoor ook niet met opgedrongen standpunten; er is niet een grote homogene groep in de achterban die vanuit eigenbelang een bepaalde koers wil. Het levert D66 echter al ruim veertig jaar het verwijt op dat niet duidelijk is waar de partij uiteindelijk voor staat. Om dat beeld te ontkrachten hamert Pechtold nu zo nadrukkelijk op hervormingen, zoals bij de AOW en de hypotheekrenteaftrek. Door de economische crisis heeft hij het tij mee.
Het nadeel van de ongebonden achterban is dat een potentiële D66-stemmer elke keer opnieuw beslist of hij wel of niet op die partij gaat stemmen. Een stemmentrekker als Pechtold is dan fijn, maar het maakt een partij ook meteen heel kwetsbaar. Ook dat is echter niet nieuw bij D66, dat het altijd moest hebben van individuele leiders. Hans van Mierlo en Jan Terlouw gingen Pechtold voor.

DAN DUIKT ook meteen een ander kenmerk van D66 op: na regeringsdeelname valt de partij, op één uitzondering na, altijd terug in zetelaantal. Dat was zo in de tijd van Terlouw, begin jaren tachtig, na het eerste paarse kabinet met Van Mierlo, maar ook na het tweede paarse kabinet en de regeerperiode met CDA en VVD begin deze eeuw.
Pechtold zegt uit dit gegeven drie lessen te hebben getrokken. Ga niet in een coalitie zitten waarin je numeriek overbodig bent, zoals in Paars II. Ga ook niet in een regering zitten waarin jij alle kritiek moet opvangen die afkomstig is vanuit één vleugel, dus niet in een rechts kabinet op de linkervleugel, zoals ten tijde van Balkenende II. En zorg dat je de ministerspost bemachtigt waar je je hard voor hebt gemaakt, want een ander zal jouw wensenlijstje niet voor je bevechten, zoals onder meer in Paars I, toen Van Mierlo niet naar Binnenlandse Zaken ging.
Dat die lessen niet eerder zijn getrokken, brengt Pechtold op les 4. Dat is dan tevens kritiek op zijn voorgangers. Er had in het verleden meer geïnvesteerd moeten worden in de partijorganisatie en een gestructureerd kennisapparaat. Dat probeert hij nu samen met de partijvoorzitter wel te doen.
Of het allemaal samen voldoende is om de gunstige peilingen om te zetten in werkelijke Kamerzetels moet bij verkiezingen blijken. Maar vooralsnog heeft Pechtold er in een dikke twee jaar tijd voor gezorgd dat D66 weer in de lift zit… nu omhoog.