Met andere ogen

Een vrouw loopt door het museum, bekijkt Chadwick en Giacometti maar voelt zich bekeken door haar moeder die mee is. Ondertussen wordt ze gadegeslagen door – ja, door wie? Er zijn altijd ogen. Van jezelf, of van de ander die je je toeëigent. Zo is iedereen zijn eigen bespieder, zijn eigen Big Brother.

Het ritme van haar hakken is te snel voor in een museum en haar route ongebruikelijk. Vanuit de entree gaat ze linksaf, naar de zaal die veel bezoekers missen of voor het laatst bewaren. Als ze de ruimte betreedt, vertraagt ze een fractie, kijkt vluchtig naar de schilderijen zonder er één te naderen, stiefelt dan in één streep naar de uitgang aan de overkant van de zaal. De zwartgeklede suppoost die ze passeert, recht zijn rug, zijn hoofd draait met haar beweging mee. Vlak voor zij de zaal verlaat, verlaat hij zijn kruk en wandelt naar de deur waardoor ze binnenkwam. Pas in de gang ontdekt ze dat de enige route terug naar de entree langs die deur leidt. De suppoost houdt haar staande en vraagt of ze hulp nodig heeft. Ze stamelt wat van niet, begint alweer te lopen maar hij praat door, loopt mee, vraagt wát ze dan zocht. Ze weet het al, komt goed, blijft stug doorlopen. Hij kijkt haar na terwijl ze terug de entreeruimte in stapt.

Toen ik op een nazomerse donderdagmiddag met mijn moeder Museum de Fundatie bezocht, gebeurde er iets geks toen ik wegkeek van het zoveelste vreemde kunstwerk van Chadwick. Of was het van Giacometti? Hun bronzen beelden waren duidelijk verschillend, toch kon ik maar niet onthouden van wie nou die dunne, brokkelige mensfiguren waren waarvan het leek of ze in grote haast waren gekleid voor ze via een gietmal in brons werden omgezet, en wie juist de grovere beelden had gemaakt, van geometrische vormen, aaneengesmeed tot plaatstalen puzzels waarin ik soms weinig menselijks of dierlijks kon ontdekken. Inmiddels had ik meer zin in koffie dan in nog meer brons, toen op de volgende sokkel twee driehoekige, bronzen brokken plotseling veranderden in mensen die met uitgestrekte armen, tegelijk naar elkaar reikten en elkaar wegduwden in een verstild moment van mislukte toenadering. Ik wilde wel dichterbij deze twee figuren komen, hun ruwe huid bevoelen, maar ik bleef op afstand. Vanuit mijn ooghoeken probeerde ik nog zoveel mogelijk van de sculptuur te zien en hield ik tegelijk mijn moeder in de gaten, probeerde te ontdekken of ze zag wat dit beeld met mij deed. Ik wist dat ik nog een keer terug zou moeten, alleen, om het beeld te bekijken zonder het gevoel zelf bekeken te worden.

Ze laveert door de drukte bij de entree, op weg naar de vleugel waar de meeste bezoekers hun route beginnen. Ze knikt naar de dame in het zwart bij de deur, drukt haar tas nog wat dichter tegen zich aan. De vrouwelijke suppoost knikt terug voordat ze haar kin op haar borst drukt en iets mompelt naar het gekrulde snoer dat in haar bloes verdwijnt. Zonder de toonzalen links en rechts te betreden loopt ze door naar het trappenhuis. De haast is nog niet uit haar tred geweken. Haar hakken tikken pas een gematigder tempo als ze de zaal op de eerste verdieping betreedt.

Als tiener vluchtte ik tijdens het eten vaak naar het toilet, omdat ik graag even alleen en in stilte wilde denken aan mijn schooldag, of aan een jongen die ik leuk vond. Maar zodra ik zat, begon ik te fantaseren dat ik niet alleen was met mijn gedachten, daar op die toiletpot. Wat als er in het ventilatierooster een onzichtbaar microfoontje was geïnstalleerd, waarmee mijn ouders aan tafel mijn gedachten konden horen? Meestal besteedde ik het hele toiletbezoek aan het uitdenken van dat scenario en niet aan datgene wat ik had willen overdenken.

‘Geloof je in God dan ben je nooit alleen en word je altijd op de vingers gekeken’, schrijft Arie Storm in Een diadeem van dauw. Ik ben niet religieus opgevoed, maar wij hadden Sinterklaas die op magische wijze altijd precies leek te weten wat je goed en fout had gedaan. Dat het geheim van Sinterklaas verklapt werd, vond ik niet echt een opluchting. Degene die mij op de vingers keek, bleek niet in Spanje te wonen, maar in ons eigen huis.

Ze nadert het beeld langzaam. Alweer een andere suppoost loopt haar voorbij en neemt plaats op de kruk vlakbij de sculptuur. Hij kijkt, hoe zij kijkt, hoe ze bukt, hoe ze om de sokkel heen loopt om het beeld van alle kanten te bekijken. Hoe ze zoekt en aan de muur het bordje vindt dat ze op de sokkel zocht. Ze kijkt nog één keer voor als ze de zaal verlaat. De suppoost kijkt haar na.

Ze gaat niet terug naar de ingang, maar beklimt de volgende trap, op weg naar de futuristische koepel waar ooit zoveel om te doen is geweest. Op de stille gang staat ze stil en haalt een boekje met een witte kaft uit haar tas. Ze steekt haar vinger onder het elastiek dat het boekje sluit en maakt het los. Het boekje valt open waar een potlood tussen de pagina’s steekt. Ze schrijft een paar zinnen, stopt middenin een woord als er voetstappen op de trap klinken. Het potlood maakt een veeg over de pagina als ze snel het boekje sluit. Terwijl ze het elastiek er terug omheen trekt, begint ze te lopen. De haast is terug.

Ik ging met de auto naar de middelbare school, niet op de fiets of met de bus. Elke morgen klom ik via de treeplank in de hoge auto van mijn vader, die in de stad werkte waar ook mijn school was. De radio en de motor maakten meer geluid dan wij, maar onze stilte was prettig en vertrouwd. Ik miste dat uurtje rust in de ochtend als hij op zakenreis was en ik naar school moest met het openbaar vervoer.

Toen ik studeerde, haalde mijn vader me in het weekend van het station. Als ik alleen was reden we in onze vertrouwde stilte naar huis, maar als ik mijn vriendje meenam, werd die stilte ineens oorverdovend. Om haar te overstemmen, begon ik kakelig te praten en onzinnige vragen te stellen waar mijn vader niet of nukkig op antwoordde.

In de koepel vindt ze een catalogus op een bankje. Ze bladert erin tot ze Chadwicks “Dans III” gevonden heeft, pakt dan weer haar witte boek. Ze zit, schrijft, kijkt op als een suppoost haar passeert, slaat de ogen neer als hij haar blik probeert te vangen. Van onder haar wimpers kijkt ze hem na voor ze verder schrijft over wat zij zag en wat ze dacht dat de suppoosten zagen, over hoe zij dacht te zien wat de suppoosten dachten te zien aan haar.

Als God – of Sinterklaas – bestaat, is er letterlijk iemand die de camera op mijn leven gericht heeft, met mij meekijkt zoals Orwells Big Brother in 1984 met ieders leven meekijkt. Maar ook zonder Gods camera kun je je bekeken voelen. In mijn wereld zonder God, Sint of Grote Broer, waren het de ogen van mijn vriendje waardoor ik een stilte veroordeelde die ik altijd gekoesterd had. Het waren de ogen van mijn moeder waardoor ik bang was te laten zien dat een kunstwerk mij raakte. Het waren de ogen van de suppoost waardoor ik mij een verdachte voelde met mijn ferme passen en schichtige gedrag in een museum.

De ogen van de ander registreren, natuurlijk, maar zien zij de film die ik denk dat ze zien? En is hun oordeel wat ik denk dat het is, of gebruik ik slechts de ogen van de ander om mijzelf te beoordelen? Dan is het je eigen camera die altijd aanstaat, je voortdurend volgt en beoordeelt. Dan ben je je eigen moeder, suppoost of Grote Broer.


*Dit is een van de drie genomineerde essays voor de Jan Hanlo Essayprijs Klein. Het winnende essay werd ook in het papieren blad gepubliceerd. Thema dit keer was: ‘Ieder is zijn eigen broer’, een tekst van Jan Hanlo die even lang is als zijn titel. *