Boeken over Thomas Hobbes

Met angst als tweelingbroer

Thomas Hobbes wordt wel gezien als wegbereider van het moderne totalitarisme. Ten onrechte. Hobbes ontwikkelde zijn theorie van een sterke staat als tegenwicht voor de totalitaire aanspraken van de verschillende godsdiensten in zijn tijd.

Er zijn denkers die een slechte reputatie hebben omdat hun ideeën haaks lijken te staan op wat wij als belangrijk en waardevol beschouwen. Voorbeelden hiervan zijn Nietzsche, Machiavelli en Thomas Hobbes. Een overeenkomst tussen deze drie denkers is dat ze allen een weinig sympathiek hoofd hadden. Een andere overeenkomst is dat hun imago niet geheel correspondeert met de werkelijkheid. Nietzsche is als denker zo ongrijpbaar dat zowel nationaal-socialisten als anarchisten zich op hem beroepen. Terwijl Machiavelli in de volksmond synoniem is voor een gewetenloze machtspolitiek wordt hij door sommige hedendaagse politicologen gezien als de aartsvader van het pluralisme en als overtuigd republikein. Het geletterde publiek mag dan inmiddels wel weten dat Nietzsche geen platte nazi was en dat Machiavelli een serieus te nemen filosoof is, het imago van Thomas Hobbes is nog altijd heel wat minder florissant. Vaak wordt aan hem de uitspraak «de mens is de mens een wolf» toegeschreven. Op grond van deze, niet door hem geformuleerde premisse zou Hobbes zijn theorie van de absolute staat hebben ontwikkeld.

Thomas Hobbes (1588-1679) was een buitengewoon boeiende figuur, die in een zeer roerige periode leefde en daarbij een voor die tijd uitzonderlijk hoge leeftijd bereikte, terwijl hij bovendien invloedrijk was. Hij werd verwekt in de late zomer van 1587. Op het eerste gezicht niets bijzonders, ware het niet dat reeds een eeuw lang allerlei profetieën circuleerden die 1588 noemden als een jaar vol rampen en ellende, en zelfs als vermoedelijk begin van de «eindtijd». Dat in het Engeland van die dagen dergelijke praatjes er nogal inhakten, was niet zo vreemd als we weten dat er een zeer reële dreiging van een invasie was. Het gerucht dat de Spaanse Armada was uitgevaren, werd begin april zo sterk dat bij de hoogzwangere moeder van Hobbes de weeën veel te vroeg begonnen. In zijn autobiografie schreef Hobbes dat ze zo bang was dat «ze een tweeling baarde, mij en samen met mij Angst». Deze tweelingbroer zou Hobbes nooit verlaten, en drukte een loodzwaar stempel op zijn werk.

Als zoon van een nauwelijks geletterde, drankzuchtige en schuinsmarcherende dorpspredikant zou Thomas Hobbes altijd een ondergeschikte positie innemen. Vrijwel zijn gehele leven was hij huisleraar van de familie Cavendish, die als graven van Devonshire en hertogen van Newcastle een belangrijke politieke rol speelden. Enkele malen vergezelde Hobbes een jonge Cavendisch op diens grand tour door Europa, waarbij hij in contact kwam met toonaangevende geleerden als Galileï, Mersenne, Gassendi en Descartes. Met de laatste voerde hij een verbeten en verbitterde polemiek, waarin hij Descartes verweet terug te schrikken voor de materialistische consequenties van zijn eigen rationalisme.

Goed beschouwd leken hun opvattingen zo sterk op elkaar dat beiden er belang bij hadden om de nadruk te leggen op eventuele verschillen. Hobbes beweerde dat hij ver voor Descartes tot bepaalde inzichten was gekomen, maar dat hij die niet had gepubliceerd en alleen had doorgegeven aan zijn werkgevers en aan enkele vrienden, waaronder Mersenne. Deze laatste was tevens de contactpersoon van de in ballingschap levende Descartes. Over en weer beschuldigden de heren elkaar dus van plagiaat. Dat Hobbes echter een filosoof van formaat was, die zeker niet onderdeed voor de veel beroemdere Descartes, blijkt uit de recente biografie van A.P. Martinich. Wie liever een bondige en glasheldere samenvatting van Hobbes’ werk en betekenis wil lezen, kan beter terecht bij het aan hem gewijde boekje van Richard Tuck, dat onlangs verscheen in de reeks Kopstukken Filosofie van uitgeverij Lemniscaat.

Als filosoof die aan de vorst onbeperkte macht toekende, wordt Hobbes niet alleen gezien als wegbereider van het moderne totalitarisme maar tevens als iemand die op gespannen voet stond met de geestelijke ontwikkeling van zijn tijd, die immers van de Renaissance via de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw naar de Verlichting liep. Beide opvattingen zijn zonder meer onjuist. Hobbes was geworteld in het zestiende-eeuwse humanisme en was zoals alle vernieuwende denkers getekend door het scepticisme. Het was de bevrijding uit de Middeleeuwen waarin het geestelijk leven was dichtgemetseld met onaantastbare waarheden. De fundamentele houding van die tijd werd verwoord door Montaigne: «Wat is het voor een goedheid die ik gisteren nog in aanzien zag staan en morgen niet meer, en die misdaad wordt wanneer je een rivier oversteekt? En wat voor een waarheid die bij deze bergen ophoudt en voor de wereld die erachter ligt een leugen is?»

Als de universele waarheid van het christendom een fictie was, hoe kwam je er dan achter hoe je moest leven? Welke ethische principes bleven er nog over? Humanisten als Montaigne, Justus Lipsius en Hugo de Groot kwamen tot de conclusie dat er slechts één grondslag voor het menselijk handelen was, namelijk de drang tot zelfbehoud. Het was vooral De Groot die het scepticisme omboog in de richting van het «natuurrecht», dat wil zeggen de principes die al ten grondslag lagen aan het menselijk handelen toen de mens zich nog in de zogenaamde «natuurstaat» bevond. Ver voor er sprake was van zoiets als beschaving was het enige recht dat de mens had het recht om zichzelf in leven te houden en te verdedigen. Hobbes zou dit noemen: «de oorlog van allen tegen allen». De grote vraag voor de natuurrechtdenkers was natuurlijk hoe de mens vanuit deze woeste «natuurstaat» de stap had kunnen zetten naar een geordende samenleving. Een oplossing was de idee van het «sociaal contract». Op zeker moment kwam de mens tot het inzicht dat hij de ander nodig had, en besloot een deel van zijn rechten over te dragen aan een hogere instantie, in ruil voor bescherming.

Hoewel de dreiging van de Spaanse invasie kort na Hobbes’ geboorte voorgoed was afgewend en buitenlandse machten geen echte bedreiging vormden, was Engeland in de eerste helft van de zeventiende eeuw een allerminst vredige samenleving. Na de dood van James I, in 1625, veranderde de belangentegenstelling tussen koning en parlement in een onoverbrugbare kloof, die uiteindelijk resulteerde in een burgeroorlog en de onthoofding van Karel I in 1649. De oorlog «van allen tegen allen», die werd verhevigd door hoogoplaaiende religieuze vetes, was geen verzinsel van Hobbes maar bloedige realiteit. Hobbes, die op advies van zijn tweelingbroer tijdens de burgeroorlog in Parijs woonde, zocht naar een uitweg uit deze anarchie. Dit resulteerde in een groot aantal volumineuze geschriften, waarvan Leviathan (1651) het bekendste is.

De absolute macht van de soeverein dient om de veiligheid van de burger te beschermen. Hoe die veiligheid het best gegarandeerd kan worden, welke politieke beslissingen dus genomen dienen te worden, dat is uitsluitend ter beoordeling van de soeverein. Het is dus niet zo vreemd dat Hobbes er meermalen van is beschuldigd dat hij de wegbereider van totalitaire regimes is. Toch klopt dat niet, aangezien Hobbes duidelijk aangeeft waar de grens van de staatsbemoeienis ligt. In zijn dissertatie De rechtsfilosofie van Thomas Hobbes laat Ronald Janse zien welke invloed Hobbes heeft gehad op het ontstaan van het idee van de rechtsstaat.

Volgens Hobbes kon een handeling strafbaar zijn, maar de intentie tot een handeling nooit. Voor ons een vanzelfsprekendheid, maar dat was het niet in het Derde Rijk of in stalinistische regimes, waar men vervolgd kon worden op grond van de reeds door Robespierre geformuleerde beschuldiging: «tegen u bestaat de verdenking verdacht te zijn». Voor een zo door angst geobsedeerd denker als Hobbes was rechtszekerheid een groot goed. Een voor de rechtsstaat zeer essentieel beginsel is dat men niet veroordeeld kan worden voor een daad die op het moment dat hij gepleegd werd nog niet strafbaar is: nullum crimen, nulla poena sine lege. Deze door Feuerbach gemunte term is vrijwel woordelijk terug te vinden bij Hobbes. Hetzelfde geldt voor het nemo tenetur-beginsel, dat inhoudt dat een verdachte niet verplicht is mee te werken aan zijn eigen veroordeling. In een tijd waarin de brandstapels nog veelvuldig rookten en de hoofden nogal eens door het zand rolden, was Hobbes voorstander van een behoorlijke procesvoering. Zo liep hij ook niet warm voor marteling, al was het maar omdat op een dergelijke wijze verkregen bekentenissen hoogst dubieus zijn.

Bij straffen, die in die tijd allesbehalve zachtzinnig waren, ging het volgens Hobbes niet om de wraak, maar om de preventieve, afschrikwekkende werking. Terwijl in de strafrechtliteratuur Cesare Beccaria (1738-1794) en Jeremy Bentham (1748-1832) gelden als geestelijke vaders van de preventietheorie blijkt Hobbes hen dus ruim een eeuw vooruit te zijn geweest. Een bezwaar tegen deze theorie is echter dat als hij in zijn uiterste consequentie wordt toegepast het mogelijk wordt dat onschuldigen worden gestraft omwille van het voorkomen van eventuele misdaden in de toekomst. In totalitaire staten was dat aan de orde van de dag en waren showprocessen beproefde middelen om het volk er onder te houden. Hobbes wees dit echter zonder meer af.

Wie Hobbes op grond van deze denkbeelden wil bestempelen als modern liberaal-democraat draaft te ver door. In de theorie van Hobbes zijn immers onvoldoende controlemechanismen en worden de belangen van de burgers te gemakkelijk ondergeschikt gemaakt. Maar wat vooral niet vergeten mag worden, is dat Hobbes zijn theorie van een sterke staat ontwikkelde als tegenwicht voor de totalitaire aanspraken van de verschillende godsdiensten. In zijn tijd waren het immers juist de kerken die de mensen volledig in hun greep wilden houden en die opriepen andersdenkenden te vervolgen of zelfs uit te roeien. De staat was in Hobbes’ tijd de enige maatschappelijke instelling zonder ideologie. De vrijheid van de burger was dus veel meer gewaarborgd in een sterke staat dan in een samenleving waarin de kerken dominant waren. Ironisch genoeg was Hobbes met deze opvatting toch een van de geestelijke vaders van het liberalisme.

A.P. Martinich, Hobbes: A Biography. Uitg. Cambridge University Press, 390 blz., ƒ97,-; Richard Tuck, Hobbes. Uitg. Lemniscaat (Kopstukken Filosofie), 180 blz., ƒ24,50; Ronald Janse, De rechtsfilosofie van Thomas Hobbes. Uitg. Eburon, 189 blz., ƒ49,50.