Bob Geldof en de wereldarmoede

Met Bob naar de top

Bob Geldof wil de massa mobiliseren om de G8-leiders in Schotland op te roepen tot het beëindigen van de mondiale armoede. Zijn eisen zijn ondoordacht.

Deze week bevat elk nummer van The List, de eve nementenkrant van Edinburgh, een wit rubberen polsbandje met de tekst «Make Poverty History» van de Live8-actie van Bob Geldof. De boodschap is duidelijk: het bandje is geen symbool van activisme, maar een toelatingspasje voor het zoveelste festival dat deze zomer de Schotse hoofdstad aandoet.

Dat uitgeversgebaar tekent het hybride karakter van de actie. Live8 bouwt enerzijds voort op de in 1984 door Band Aid gevestigde traditie (popmuziek brengt geld bijeen) en anderzijds op de strategie van de alternatieve globaliseringsbeweging (massa organiseert zichzelf), maar uiteindelijk draait alles weer om Bob Geldof, die door zijn opneming in het ontwikkelingshulpcircuit van premier Tony Blair politiek volstrekt ongevaarlijk is geworden en derhalve een nieuw actiemodel kan uitproberen: popmuzikant brengt massa op de been.

Op 2 juli moeten tienduizenden witte-bandjesdragers, geïnspireerd door muzikale evenementen, samenkomen in Edinburgh. Daar moeten ze door middel van een «wit cordon» rond de stad kracht bijzetten aan Bobs eis aan de G8-leiders, die er rond deze tijd worden ingevlogen, om hongerend Afrika te hulp te schieten. Wanneer deze regeringsleiders zich op 6 juli in Gleneagles terugtrekken voor hun eigenlijke overleg worden ze met een muzikale massamanifestatie uitgeluid zodat ze – «eenmaal bij elkaar in één kamer» (Geldof) – niet anders kunnen dan aan de publiekswens tegemoet komen.

De actievorm doet denken aan de «menselijke keten van Birmingham» van 1998, toen demonstranten tijdens de G8-vergadering al daar de stad afsloten en kwijtschelding van alle schulden van de Derde Wereld eisten. Aan die actie ging wel twee jaar van intensieve voorbereiding door Britse en buitenlandse kerken, hulporganisaties en actiegroepen vooraf, die ook nadien actief zijn gebleven en het onderwerp op de internationale agenda hebben ge houden. De popmuzikanten rond Geldof kunnen binnen twee uur een vergelijkbare hoeveelheid publiciteit genereren, maar hun actie dreigt even snel weer te vervliegen.

Anders dan bij Band Aid vraagt Geldof nu dus om onze fysieke deelname. Over de eisen hoeven de demonstranten niet zelf na te denken, dat heeft Bob al gedaan. De G8-leiders beschikken, zo schrijft hij op de Live8-website, over «de macht om de geschiedenis te veranderen. Door de ontwikkelingshulp te verdubbelen, alle schulden kwijt te schelden en rechtvaardige handelsvoorwaarden te bieden kan de G8 de toekomst voor miljoenen mannen, vrouwen en kinderen in Afrika veranderen.» Hij is ditmaal, met andere woorden, niet uit op ons «fucking» geld, maar op de «fucking» macht.

Geldofs eisen zijn ondoordacht. Het verdubbelen van de ontwikkelingshulp is niet eens een druppel op een gloeiende plaat. Ontwikkelingshulp van overheidswege komt voornamelijk ten goede aan de donoren en aan corrupte regimes en is dus zelf eigenlijk een gloeiende plaat. En wat het averechtse effect van «hulp van bovenaf» betreft heeft Band Aid een kwalijk precedent geschapen. De betrokken hulporganen (zoals de VN, Oxfam en de Ierse organisatie Finucane) werkten destijds samen met het Ethiopische Dergue-regime en gingen zelfs akkoord met de «hervestigingspolitiek» van dictator Menghistu. Direct of indirect financierden ze de kampen en reservaten die de Dergue voor andere bevolkingsgroepen in richtten. Artsen zonder Grenzen, dat weigerde mee te werken en Ethiopië uit werd gegooid, sprak van de «grootste deportatie sinds de genocide door de Rode Khmer».

Kwijtschelding van schulden is ook al zo’n tweesnijdend wapen. In de praktijk komt het neer op het kwijtschelden van schulden die toch niet geïnd kunnen worden. Dat is rechtvaardig als het gaat om odious debts, oftewel schulden die voormalige dictators als Menghistu of Mo boetoe Sese Seko hebben opgebouwd ten bate van hun eigen macht, maar niet als het gaat om schulden van zittende dictators, en daarvan zijn er in Afrika helaas nogal veel. Wie overweegt om op 2 juli met Bob mee te lopen, moet zich dus wederom afvragen waar de op hoge toon geëiste hulp straks terechtkomt.

De enige eis die hout snijdt, is tevens de moeilijkst haalbare. Dat is de eis dat de rijke landen ernst maken met hun verklaarde voornemen om Afrikaanse landen gunstiger handelsvoorwaarden te bieden, zodat Afrikanen zich aan hun eigen haren uit de armoede om hoog kunnen trekken. Daarvoor zijn structurele veranderingen in het internationale handelsregime (gesanctioneerd door de Wereldhandelsorganisatie) en in de opstelling van afzonderlijke rijke landen nodig, en voor zulke veranderingen is het gesternte wel bijzonder on gunstig.

Alleen al om de Noord-Afrikaanse boeren een eerlijke kans te geven, zou het Europese landbouwbeleid geheel moeten worden hervormd. Het daadwerkelijk openen van de Europese markt voor Afrikaanse producten is in het behoudzuchtige post-referendum klimaat in Europa ondenkbaar en George Bush moet nog een mislukte oorlog in Irak afbetalen. Het is een werk van lange adem en die heeft Bob Geldof niet, anders had hij zich wel verdiept in de problemen van de mensen voor wie hij het wil opnemen. De gedachte dat de armoede uit de wereld kan worden geholpen als we er met z’n allen even de schouders onder zetten, is al even onzinnig als zijn bewering dat op het Italiaanse eiland Lampedusa onder de Noord-Afrikaanse kust «dagelijks tientallen lijken van verhongerde Afrikanen aanspoelen». De vorige actie leverde tenminste nog geld op. Het is de vraag of deze meer oplevert dan een fijne cd voor in de babyboomercollectie.