H.J.A. Hofland

Met chirurgische precisie

Tony Blair is de enige staatsman in dit gezelschap, zei Peter van Walsum in het programma Buitenhof. Onze topdiplomaat heeft gelijk. Hij is de enige regeringsleider van betekenis die duidelijk ziet dat het Westen, gevangen in zijn tegenstellingen, in het Midden-Oosten op een ramp afstevent. Hij ziet het niet alleen, naar vermogen doet hij ook alles om de oorlog te voorkomen. Hij werkt op drie fronten.

Blair is niet «het poedeltje van Bush». Hij probeert de geestdrift van de president c.s. voor de oorlog te remmen. Hij gaat naar Washington om uit te leggen dat het beter is eerst voor de hele wereld te bewijzen dat Saddam daadwerkelijk aan zijn MVW’s werkt. Hij herhaalt dat alleen op die manier de Veiligheidsraad zijn unanieme zegen aan de onderneming kan geven. Hij is de enige die in Washington recht van spreken wordt toegekend omdat hij, met tienduizenden soldaten ter plaatse, heeft bewezen dat het Verenigd Koninkrijk zal meevechten als het er op aankomt. Daarmee heeft hij zijn entreebewijs voor het Witte Huis gekocht. Hij gaat uit van het beginsel dat je met de kudde mee moet lopen als je die van richting wilt doen veranderen.

Dan gaat hij naar Europa om uit te leggen dat radicale oppositie tegen Bush een averechts effect zal hebben. Ze zijn in Washington misschien alleen nog van een oorlog af te brengen als Saddam uit zichzelf de Sint-Helena-oplossing kiest: als hij nú in ballingschap gaat voordat hij, onvermijdelijk, zijn Waterloo zal vinden. De kans op zijn vrijwillige vertrek is het grootst als hij ervan overtuigd raakt dat hij geen hoop meer hoeft te hebben op ruzies in het Westen die hem uit- en afstel verlenen. Het Westen in zijn geheel moet dus tot de uiterste rand van de oorlog gaan om de oorlog te voorkomen. Dat is de laatste kans.

Maar aan Schröder valt geen eer te behalen. Als de bondskanselier zijn kiezers laat weten dat Duitsland ook maar voor een tiende aan de oorlog zal meedoen, dan is het met zijn politieke carrière gedaan. En Chirac wil alle mogelijkheden open houden, wat výor Washington niet genoeg is. Blair, de staatsman, ziet alle risico’s, maar heeft geen serieuze gesprekspartners. In Washington wordt zijn bijdrage gewaardeerd zolang hij zich niet met de hoofdlijnen bemoeit. In Berlijn en Parijs wordt hij gewantrouwd en in Bagdad vergissen ze zich als ze op hem hun laatste hoop vestigen.

Er komt oorlog, met of zonder instemming van de Veiligheidsraad. Die oorlog zal het Atlantische verbond splitsen, de Europeanen verder uit elkaar drijven, terwijl er een niet geringe kans is dat het Midden-Oosten een nog grotere chaos wordt dan het al is. Blair is een tragische figuur, die bovendien onverdiend in eigen land een nog harde tijd tegemoet gaat. Het tragische voor hem en voor het hele Westen is dat hij stront voor dank zal krijgen, omdat hij medeplichtig wordt aan wat hij wil voorkomen: de oorlog.

We hebben het stadium bereikt waarin het geen zin meer heeft ons af te vragen of en zo ja hoe de oorlog kan worden voorkomen. Op woensdag 5 februari komt minister Powell met de definitieve bewijzen van Saddams bedoelingen. Het is de moeite waard een lijstje te maken van het aantal keren dat er al definitieve bewijzen zijn getoond. Drie dagen voordat het nu weer zover zal zijn, schrijft The New York Times (3 februari), «is op het State Department nog iedereen koortsachtig aan het werk om satellietfoto’s en ander geheim materiaal voor de presentatie te verzamelen». Waarom dat niet eerder gedaan? denkt de wereldburger in zijn onnozelheid. Ook The New York Times — dat mag wel eens gezegd — speelt in het verzet tegen de oorlog een heldenrol.

In elk geval komt Powell met de bewijzen, maar wanneer breekt de oorlog uit? Rekening houdend met de feestdagen van islam en christendom lijkt me 3 maart op het ogenblik het waarschijnlijkst. In de eerste twee etmalen worden drieduizend precisiebommen op Saddams strijdkrachten afgevuurd, dat is meer dan één per minuut. Van de eerste Golfoorlog en Kosovo weten we al hoe dat er op de televisie van een afstand, hoog uit de lucht uit zal zien. Wat er ter plaatse op de grond gebeurt, zullen we misschien nooit precies te weten komen. In de eerste Golfoorlog was de nieuwsvoorziening nog preciezer geleid dan het toen moderne wapentuig. Alles werd in de hand gehouden via de persconferenties van generaal Schwarzkopf. (Waar is die gebleven?) Philip Knightley, schrijver van The First Casualty (over het liegen in oorlogstijd, eerste druk 1976), heeft voorspeld dat op het gebied van de geleide nieuwsvoorziening de aanstaande oorlog alles zal overtreffen. Dit alles nodigt uit tot een stelling: hoe geleider de projectielen, hoe geleider de nieuwsvoorziening en hoe bedrogener de burgerij.

Laten we er geen moreel oordeel over uitspreken. De publieke opinie is in de oorlog het zware wapen aan het thuisfront, en nu, in de tijd van de gemondialiseerde massacommunicatie, aan het wereldfront. Niets kan aan het toeval worden overgelaten. Maar hoe dat op deze, ongetwijfeld met «chirurgische precisie» uitgevoerde vertoning van dodelijk vuurwerk zal reageren, weten we nog niet precies. En daar gaat het straks om. De wereld heeft de conferentiezalen van het diplomatieke spel verlaten en ook Tony Blair is uitgespeeld. Het huiveringwekkende ogenblik tussen vrede en oorlog is nu geschiedenis.

Mevrouw Rice heeft een paar dagen geleden nog eens uitgelegd hoe de Amerikanen Irak na de oorlog één, misschien anderhalf jaar zullen bezetten, net als indertijd Duitsland en Japan, om het volk de voordelen van de democratie te leren. Je gelooft je oren niet. Moeten we werkelijk de onmetelijke verschillen tussen het Duitsland van toen, te midden van de bevrijde volken, en het Irak van nu, omgeven door een Arabische wereld in ongerichte, maar revolutionaire beweging uitleggen? Naoorlogse scenario’s, en vooral ook scenario’s voor een oorlog in volle gang — natuurlijk moet je die hebben en met de grootst mogelijke precisie ontwerpen.

Ons wantrouwen tegen de Amerikanen van Bush wordt onder andere veroorzaakt doordat het juist daaraan ontbreekt — of die scenario’s zijn zo geheim dat we het niet mogen weten. Tony Blair mag meepraten over de oorlog omdat «zijn» strijdkrachten meevechten. De rest van Europa is dat recht ontzegd en dat heeft deze rest zelf zo gewild. Dat is, of we het nu leuk vinden of niet, de politieke werkelijkheid die komende maand begint. Hoog tijd voor Europa om zelf aan noodscenario’s te gaan denken.

«Any war will surprise you», zei Dwight Eisenhower. Let op!