OPHEFFER

Met Churchill in de hand

Er moesten wat oude, smerige boeken weg naar het antiquariaat. Dus had ik opeens The River War van Winston Churchill in mijn handen. Een boek met nog de handtekening van mijn vader erin – en daarom stopte ik het niet in de doos.
Ik dacht toen ik naar de wc ging: even een paar bladzijden lezen. Maar ik was meteen ‘verkocht’. Ik herkende een schitterende stijl van schrijven. En waar ik het boek ook opsloeg kon ik bijna niet ophouden met lezen.
The River War is een oorlogsboek – alles is echt gebeurd. Churchill was erbij, als cavalerist. Churchill was er ook bij als historicus, als liefhebber van de klassieken, als liefhebber vooral van landschappen en mensen, helden.
Toegegeven: negers zijn bij Churchill uiterst dom, en Arabieren zijn weer sterker dan de negers en natuurlijk is er maar één beschaafd volk, en dat zijn de Britten. Hij dacht zoals alle Britten rond 1900 dachten.
Maar wat kon hij schrijven! Ik kan het helaas niet allemaal citeren, want Churchills zinnen ronken; de negentiende eeuw is het fundament van elke regel. Over het volk in Soedan (in 1882): ‘Their country was being ruined; their property was plundered; their women were ravished; their liberties were curtailed; even their lives were threatened. Aliens ruled the inhabitants; the few oppressed the many; brave men were harried by cowards; the weak compelled the strong. Here were sufficient reasons.(…)’
En dus moest er oorlog gevoerd worden.
Ik heb altijd gedacht dat Churchill enigszins ‘trigger happy’ was. Dat blijkt niet uit dit boek. Integendeel. Hij lijkt alleen ten oorlog te willen gaan als het resultaat zal opleveren. Hij is geen grote idealist, wel een groot kolonisator en zeker zit daar een vorm van idealisme in.
Het boek gaat onder meer over Mohammed Mahdi (de Redder), die Soedan eigenlijk had veroverd op de Britten middels een islamitische opstand. Na twintig jaar heroveren de Britten het gebied met de bekende Slag bij Omdurman – en aan die slag doet Churchill mee als hij midden twintig is. Het citaat dat ik daarnet gaf, illustreert ook dat Churchill niet zozeer de schuld legt bij het islamitisch fanatisme. ‘Fanatism is not a cause of war. It is the means which helps savage people to fight. It is the spirit which enables them to combine – the great common object before which all personal and tribal disputes become insignificant.’
Hoewel ik het boek ook lees om zijn krijgskundige opvattingen zijn het toch vooral de heldenverhalen, de filmdecors die Churchill schetst, de strijd. Je kunt zien dat hij zijn geld heeft verdiend in de journalistiek. Hij weet wat lezers willen lezen. ‘From the summit of the black hill of Sugham the scene was extraordinary. The great army of Dervishes was dwarfed by the size of the landscape to mere dark smears and smudges on the brown of the plain. Looking east another army was now visible – the British and Egyptian army (…)’ Met Churchill in de hand had je geen film meer nodig.
Churchill is every inch een koloniaal. (Reden waarom mijn vader hem waarschijnlijk bewonderde.)
Je kunt daar tegenwoordig niet mee aankomen, maar destijds betekende kolonialisme nog iets anders dan pure overheersing. ‘Daar werd iets groots verricht’, zeiden wij vroeger als het over Indië en onze koloniën ging en we keken daarbij waarschijnlijk naar Engeland. Er waren beschavingsidealen en die stonden soms haaks op democratische beginselen, maar ze bezaten wel een vorm van helderheid en nuchterheid en vooral vredelievendheid.
Wat werkt voor de vrede, was vaak de vraag die werd gesteld. Dat ‘onderdrukking’ soms het antwoord was, was inderdaad mensonterend fout.