Met dank aan de bladspiegel

Peter van Lier, Hoor. € 14,50

14 AUGUSTUS

Of de mooie meid

alleen

maar aan de quiz deelnam om op

tv te komen? -

ongetwijfeld: maar voor wie met zo'n prachtig

capitulerende glimlach antwoordt

op

‘de truc tot overleven’

(die welk dier gevaarloos toepast binnen de territoriale

wateren van een geducht tegenstander?; bijzaak) is, volgens

velen, een carrière voor de camera’s

mooi wel begonnen.

PETER VAN LIER

HOOR

Van Oorschot,

64 blz., € 14,50

Een jaar of tien geleden verzamelde Martin Parr de allersaaiste ansichtkaarten die hij had kunnen vinden in twee commentaarloze boeken onder de titel Boring Postcards. Daarmee was niets te veel gezegd. Met name het deel dat aan de Verenigde Staten is gewijd, overtreft de stoutste verwachtingen. Het behelst slechte, vaak amateuristisch bijgekleurde foto’s van de oninteressantste locaties die men zich kan voorstellen, zoals lege snelwegen, benzinepompen, nietszeggende winkels in nette suburbs en dodelijke interieurs van motels, zonder uitzondering plekken die erom vragen ogenblikkelijk vergeten te worden.

De fascinatie die deze boeken oproepen komt misschien voort uit het inzicht dat een groot deel van onze dagelijkse ervaringen terecht niet in het bewuste geheugen wordt opgeslagen, omdat we anders aan al die deprimerende lelijkheid te gronde zouden gaan. Door de plaatjes naast elkaar te zetten wijst Parr op de absurditeit van het gewone. Het stompzinnige wordt spannend. Dat effect is echter van korte duur, want na een paar keer doorbladeren slaat onherroepelijk de verveling toe. Het concept is briljant, maar de foto’s blijven onbeduidend.

Wat Parr doet, wordt al minstens een eeuw ook door dichters gedaan. Het tijdschrift Barbarber (1958-1972) is groot geworden met readymades, de lulligste gedichten uit onze literatuur werden waarschijnlijk door Cees Buddingh’ geschreven, en 'de kroketten in het restaurant/ zijn aan de kleine kant’ van C.B. Vaandrager (uit de cyclus 'Madurodam’) is terecht een klassieker geworden. Maar het blijft een gimmick. Uiteindelijk wil je toch dat de dichter iets te melden heeft, net zoals de fotograaf een sterk beeld moet maken.

Peter van Lier (1960), wiens debuutbundel met reden Miniem gebaar heette, is altijd een minimalistisch dichter geweest. Hij focust op het onooglijke, hij vangt flarden uit onbeduidende conversaties op, beschrijft gebeurtenissen die nauwelijks die naam verdienen, en monteert ze met behulp van doordachte regelafbrekingen, inspringingen en witregels tot kale teksten die bij vlagen een grote zeggingskracht hebben. Minieme gebaren blijken onheilspellend te kunnen zijn, clichés verontrustend, doodgewone situaties doen een drama vermoeden.

Hoor opent met Het eerste woord: 'Nu je, zojuist gevoed, boertje toe, licht pruttelend inslaapt op moeders schoot, terwijl pa op dag twee van je bestaan al probleemloos het vernieuwde sluitingsmechanisme van de reclameluier demonstreert en opgelucht verhaalt over het verschijnsel babypoep, zou, ver voor het moment dat boeken erover berichten en steeds verlangender “Mamma” en “Pappa” klinkt, “Bah” wel je verbluffendste binnenkomer in de grotemensenwereld zijn.’ Dat is geen mededeling die aanspraak maakt op het predikaat 'groots en meeslepend’. Maar wordt het misschien poëzie als je de bladspiegel aanpast? Van Lier denkt van wel:

Nu je, zojuist gevoed, boertje

toe, licht pruttelend inslaapt op moeders schoot,

terwijl

pa op dag twee van je bestaan al pro-

bleemloos het

vernieuwde sluitingsmechanisme van

de

reclameluier demonstreert

En zo voort. De opmaak benadrukt de kunstmatigheid van het gedicht, en daar is natuurlijk niets op tegen, maar dat betekent niet automatisch dat een typografisch eerbetoon aan het lidwoord 'de’ ook boeiend is. De titel, mogelijk een verwijzing naar Genesis of het evangelie van Johannes, suggereert een poëticale lading. De dichter schept een nieuwe wereld, een nieuw leven, waarin het woord 'Bah’ een ontluisterend commentaar op het gepruts van de liefhebbende vader vormt.

Dergelijke contrasten brengt Van Lier in bijna alle gedichten aan. 'Kijk maar/ naar/ boven en constateer,// hoe zonnig het eventueel ook is’, aldus begint een van zijn 'gevleugelde woorden’, zoals de afdeling heet, om zo te vervolgen: 'de mol graaft/ nogmaals zijn gangetje dieper,/ nog// eenmaal, nu de oproep:/ “Merel, fluit!” zo vervaagd is’.

Hoog en laag, hemel en aarde, licht en duisternis staan hier tegenover elkaar, de mol is aan zijn laatste afdaling begonnen, de merel heeft een aansporing nodig om te zingen, en het gedicht eindigt met een omineuze fade-out.

Wat bovendien opvalt, is dat Van Lier de zinsbouw licht verstoort. Veel gedichten lijken uit één vloeiende volzin te bestaan, maar altijd hapert er iets. Het zijn de speldenprikken die suggereren dat we in een gebroken wereld leven, waar de dingen nét niet kloppen. Het onschadelijke zou wel eens gevaarlijk kunnen zijn, het alledaagse verhult kleine, maar mogelijk fatale defecten in de constructie van het universum.

Een enkele keer spreekt de dichter expliciet, maar misschien ironisch, van de zwaarte die inherent is aan de condition humaine:

Lamplicht

aan de grachten toont

voor wie rond middernacht zijn wanhoop in

goede banen wenst te leiden: een eend

Meestal blijft de onvrede onuitgesproken: 'Zeker, het vruchten/ eten en// zorgeloos een wijsje fluiten,/ zogenaamd omdat het moet, beklijft// volledig: “Hoor je de vogeltjes?”// “Zeker.”’

Ook al construeert Van Lier zijn situaties zelf, ook al manipuleert hij zinsbouw en bladspiegel, toch is zijn methode vergelijkbaar met die van Parr en Barbarber. De betovering duurt enkele seconden, maar ebt dan weg. Wat resteert is verveling.