Vierhonderd jaar Galileo Galilei

Met de blik op het oneindige

Hoezeer kunst en wetenschap van elkaar verwijderd zijn geraakt, en hoe jammer dat is, laat een tentoonstelling zien over leven en vooral werk van Galileo Galilei.

VOOR DE MEESTE mensen is het universum zo goed als plat. Ze kijken voor zich uit, of staren – door gedachten bevangen – naar het trottoir. Het eindeloze dat zich boven hen afspeelt, wordt nauwelijks opgemerkt. En wordt het al opgemerkt, dan terloops. Hé, kijk, volle maan. En door maar weer naar het café.
Ik moet bekennen dat ook ik weinig stilsta bij het immense daarbuiten. Het gevolg van dat vermaledijde ‘opgroeien’. Als tiener liep ik plompverloren in greppels en bosschages, het hoofd in de nek geworpen, sjokkend door het diepe donker van het platteland. Daar werden de sterren niet door stadslichten weggedrukt en viel zowaar het spermaspoor van de Melkweg te ontwaren. Sterren hadden betekenis, en bij die betekenis hoorde een gevoel. Een gevoel van een vreemd soort verbondenheid, van ademloze verwondering, van angst en verlangen. Op elk van die lichtbronnen, of beter, wat daar ongezien omheen cirkelde, vielen ongekende mogelijkheden te projecteren. Misschien dat ik te weinig vrienden had.
Het gekrompen uitzicht. Gedachten daaraan bekropen me bij het zien van de tentoonstelling Galileo, Images of the Universe, from Antiquity to the Telescope in het Palazzo Strozzi in Florence. Niet alleen mijn eigen gekrompen uitzicht (waar waren oude kennis en verwondering gebleven?), maar vooral het in recente eeuwen gekrompen uitzicht van kunstenaars. De homo universalis (type Huygens of Da Vinci) die in de tentoonstelling rijkelijk aanwezig is, bestaat niet meer. Hij heeft zich gesplitst in alfa’s en bèta’s, twee typen waartussen nauwelijks nog communicatie bestaat. Terwijl de wetenschapper steeds verder naar buiten ging kijken, keek de kunstenaar nadrukkelijker naar binnen. Beiden vergaten zo dat binnen en buiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

EN ZO KAN het dus dat deze overweldigende – en bij vlagen intimiderende – tentoonstelling vrijwel geheel genegeerd wordt door cultuursupplementen en kunstcritici. Het is immers maar wetenschapsgeschiedenis.
Inderdaad, dat is het óók. Maar het is tegelijk een weldadig bad van autonome en toegepaste kunst.
Dit jaar is het vierhonderd jaar geleden dat de Toscaanse astronoom Galileo Galilei in Venetië een stuk kinderspeelgoed kocht. Het bestond uit een lange buis met twee vergrootglazen erin. Zeg maar: een verrekijker. Galileo bedacht dat je het voorwerp ook op de hemel kon richten. Hoewel het niet de eerste telescoop was, was Galileo de eerste die er belangwekkende observaties mee deed – het begin van de moderne astronomie en de reden dat 2009 is uitgeroepen tot het Internationale jaar van de astronomie. Met steeds verfijndere telescopen boekte Galileo na 1609 snel progressie. Hij ontdekte de vier grootste manen rond Jupiter. Hij maakte accurate kaarten van het oppervlak van de maan, en stond zo aan de wieg van de senelogie (de kunst van het tekenen van maankaarten). Hij zag vreemde uitstulpingen bij Saturnus, uitstulpingen die later herkend zouden worden als ringen. Het waren waarnemingen met immense implicaties, ook voor hem persoonlijk. Vrezend voor haar monopolie op bovenaardse zaken veroordeelde de katholieke kerk Galileo voor ketterij en zadelde hem op met een levenslang huisarrest. Dat maakt het meest opmerkelijke artefact in de tentoonstelling – Galileo’s vinger onder een glazen stolp – ook zo ironisch. Het verheft Galileo’s botten tot de status van die van Jezus. De man die aan de stoelpoten van de kerk zaagde, werd zelf een afgod.
Galileo’s verhaal vinden we terug in de laatste zalen van de tentoonstelling. In de tjokvolle zalen eraan voorafgaand wordt een beeld geschetst van duizenden jaren menselijk denken over het universum. Dit gebeurt aan de hand van objecten, een zee aan informatie en een catalogus die een kruising lijkt tussen een kunstboek en een academische stoomcursus astronomie. Muurschilderingen, beeldhouwwerk, rijkversierde boekwerken, fijnzinnige zonnewijzers en andere instrumenten; kaarten, adembenemende globes, planetaria en portretten van astronomen en hun werkkamers, het komt allemaal voorbij. Er wordt ingegaan op de ‘hemelse muziek’ die volgens onder anderen Johannes Kepler verborgen zou zitten in de interplanetaire verhoudingen. Het is dat veelzijdige karakter – een historie van wetenschapstechniek en filosofie, gekoppeld aan de kunstzinnige uiting en maatschappelijke betekenis ervan – dat impliciet duidelijk maakt hoezeer in onze tijd kunst en wetenschap van elkaar vervreemd zijn geraakt.

‘RUIM TWEEHONDERD jaar lang’, zo schrijven Govert Schilling en Lars Lindberg Christensen in het door de International Astronomical Union uitgegeven jubileumboek Eyes on the Skies: 400 Years of Telescopic Discovery, ‘moesten astronomen die door hun telescopen tuurden om gedetailleerde tekeningen te maken van wat ze zagen, ook kunstenaars zijn.’
De vraag is: waarom hield dat op?
Ondanks beschikbare meetmethoden bleef ook na de komst van de telescoop astronomie nog lang een kwestie van interpretatie en persoonlijke stijl. Optische illusies – kanalen op Mars! – en wishful thinking kleurden de kaarten die in de zeventiende en achttiende eeuw gemaakt werden. Dat veranderde in 1839, toen John Draper de eerste daguerreotypieën van de maan maakte. De opkomst van fotografie vormde een eerste stap in het losrukken van kunst (interpretatie) en wetenschap (objectieve waarneming) in de astronomie. Voeg daarbij andere voor de hand liggende oorzaken. Sterrenkunde ontwikkelde zich theoretisch naar een vrijwel ondoordringbaar niveau, nauwelijks te vatten door het niet-gespecialiseerde brein. Het tijdperk van de Romantiek, een reactie op technologische vooruitgang, hervormde het idioom van de kunst. Wetenschap, lang een privé-aangelegenheid van gegoede burgers die het zich konden veroorloven zich te omringen met kunstzinnige objecten, democratiseerde en institutionaliseerde.
Wie de catalogus van de Galileo-tentoonstelling naast het boek Eyes on the Skies legt, ziet in een oogopslag de levensgrote verandering. De primitieve, toevallige schoonheid – zeg maar: de art trouvée – die ruimtetelescoop Hubble ons voorschotelt, staat in Eyes on the Skies in schril contrast met de afzichtelijke verpakking ervan. Terwijl de Galileo-catalogus juist bol staat van de schoonheid (waarmee dan weer veel misvattingen zijn omhuld). De scheiding blijkt ook uit het stereotiepe beeld dat we hebben van de kunstenaar en de sterrenkundige, die ooit één en dezelfde konden zijn. De kunstenaar: zwierig, emotioneel, gekleed als bohémien. De sterrenkundige: suffe droogstoppel in gebreide trui, met jampotglazen en een bloempotkapsel. De veelwijver en de maagd op leeftijd.
De laatste plek waar op grote schaal astronomie en kunst samenkomen is de sciencefictionliteratuur, al kan over het kunstzinnige gehalte van dat subgenre worden getwist. Het menselijke en het kosmische gaan er nog in gesprek met elkaar; de mens heeft zijn plek in het grote geheel, maar het grote geheel is ook een plek ín de mens, een weerslag van zijn percepties. Helaas lijdt veel sci-fi aan artistieke armoede. Het is geschreven in een taal die niet zou misstaan in het Handboek kopieermachines. Bovendien, hoeveel sciencefiction is er in de boekhandel nog te vinden? Het genre is weggeblazen door het alfazusje: de fantasy. Ook in de literaire niche vernauwt zich de blik.
Dat de samenwerking tussen het zachte en het harde teloor is gegaan heeft zijn voordelen gehad – in het Palazzo Strozzi is te zien dat astrologie en astronomie lang met elkaar verweven zijn geweest, een band die zeer terecht is doorgesneden. Maar er ging ook iets verloren. Een heel palet aan grote vraagstukken speelt in de kunst nauwelijks een rol, zoals ook de fabuleuze esthetiek van het universum – nevels, melkwegstelsel, quasars, planeten, pulsars – weinig weerslag vindt. De sterrenkunde zelf is nog minder dan voorheen geworteld in de maatschappij en het publieke discours. De kunstenaars van de zeventiende en achttiende eeuw maakten sterrenkunde tenminste nog enigszins tot een publieke zaak.
Het is goed te zien dat in recente jaren voorzichtig geprobeerd wordt alfa en bèta bijeen te brengen. Bijvoorbeeld door schrijvers als Michel Houellebecq en David Mitchell, die de harde wetenschap in hun werk niet schuwen, of kunstenaars die zich bezighouden met bio-art, zoals te zien in From Code to Commodity: Genetics & Visual Arts in The New York Academy of Arts & Sciences. De hete hangijzers voor schrijvers en kunstenaars zijn genetica en nanotechnologie, maar met de komende introductie van enkele zeer krachtige (ruimte)telescopen zal ook het universum weer in beeld komen. Zeker wanneer Aarde-achtige planeten bij andere sterren zullen worden ontdekt, zoals de verwachting is – ontdekkingen met menselijke, invoelbare dimensies. En grote implicaties. Zoals ook Galileo’s ontdekkingen grote implicaties hadden.


Galileo, Images of the Universe, from Antiquity to the Telescope. Palazzo Strozzi, Florence. Tot 30 augustus.
Eyes on the Skies: 400 Years of Telescopic Discovery (inclusief dvd), door Govert Schilling en Lars Lindberg Christensen