Luilekkerland in de Middeleeuwen

Met de handen onder de oksels

Arbeid leidt maar tot wedijver en meer bezit, vonden de revolutionairen van de jaren zestig. ‘Leve de luiheid’ was daarom hun motto. Zij waren de erfgenamen van typisch christelijk denkgoed uit de Middeleeuwen.

TOT DE MORELE dooddoeners van deze tijd behoort zeker dat iedereen moet werken voor zijn brood. Wie dat niet doet, hoort er niet bij. Lichamelijk onvermogen wordt geaccepteerd maar tegelijkertijd weggesluisd in raadselachtige percentages die iemand ten dele arbeids(on)geschikt maken. Daarnaast wordt men op een concrete leeftijd plotseling tot luiheid veroordeeld onder het vergoelijkende mom van een welverdiend pensioen. Maar gewoon lui zijn mag niet, want het spirituele verzet tegen arbeid wordt met de grootste argwaan bekeken. Eigenlijk moet men behoorlijk gek zijn om het recht op luiheid erkend te krijgen. Zelfs uiterste onaangepastheid mag nooit een reden zijn om niet te willen werken. Ook voor autisten is er genoeg te doen. Voor sommige beroepen is hun beheptheid zelfs een voorwaarde. Wie wil anders nachtwaker zijn of krokodillenverzorger?
Het afwijzen van arbeid als bron van alle kwaad in de wereld klinkt nu nogal absurd. Toch behoort een dergelijk beroep op moreel onvermogen om de schop ter hand te nemen wel degelijk tot onze cultuur. Luidkeels verkondigden de revolutionairen van de jaren zestig de lof der luiheid. Arbeid leidde tot wedijver, bezitsvermeerdering, machtsvertoon en imperialisme die onvermijdelijk zouden uitlopen op wereldoorlog en atoombom. ‘Leve de luiheid’ hoorde het vredelievende motto te zijn van de ware wereldburger.
Het werkte bijzonder ontnuchterend op de studenten, kunstenaars en schrijvers van toen als men erop wees dat zij de directe erfgenamen waren van typisch christelijk denkgoed uit de Middeleeuwen. De kerk maakte immers arbeid verdacht met een beroep op de bijbel. Werken was een straf die God aan Adam en Eva had opgelegd vanwege de zondeval. In zweet en pijn moesten ze arbeid verrichten om in leven te blijven. Deden ze meer dan nodig was voor het dagelijkse brood, dan heette dat hoogmoed. Een beetje meer mocht alleen om aalmoezen aan de armen te geven, tegelijkertijd de aangewezen weg om de hemel te verdienen.
Investeren en rente betrekken waren als arbeidsloos inkomen uit den boze, immers zo onttrok men zich aan de straf voor de erfzonde. Alleen bedelen kon door de beugel. Men distantieerde zich dan van het aardse gewroet dat alle gevaren van zelfverrijking in zich bleef houden. Bovendien kostte het veel inspanning waardoor de boetedoening gegarandeerd bleef. Zulk gedrag was echt iets voor monniken die de besmetting van de wereld na de zondeval wilden trotseren. Als bedelmonniken liepen ze de Middeleeuwen plat. Sommigen ontwikkelden zich tot ware beroepsbedelaars die voordelig zaken deden met het opgestreken geld en goed. Maar bezit deugde niet. Rente op uitgeleend kapitaal heette woeker. En tot arbeiden was men gedwongen, maar dat leidde al gauw tot oorlog.
Hoe heeft zich dan ooit in die steden van de Middeleeuwen een moderne markteconomie kunnen ontwikkelen? Daartoe waren doelgerichte positiveringen van arbeid vereist. Want het verhandelen van landbouwoverschotten op strategisch gelegen stapelplaatsen bleek niet in te tomen. Veelzeggend waren de stedelijke aanvallen op de devote nietsnutterij van de bedelmonniken. Een veertiende-eeuwse tekst plaatste uitdagende vraagtekens bij de oprechtheid van hun religieuze bevlogenheid. In feite waren ze onproductief. Iedereen hoorde met het werk van zijn handen in het eigen onderhoud te kunnen voorzien. Bovendien was arbeid gezond voor het lichaam en beschermde tegen de zonde. Meer in het algemeen gold ook voor leken dat ze zich niet te veel aan godsvrucht dienden over te geven: ‘Ze moeten niet de hele dag in de kerk rondhangen, want dan geven ze zich over aan luiheid. En ze moeten niet te vaak ter communie gaan.’ De tekst heeft een bijna ketterse allure omdat kerk en sacramenten niet als louter zaligmakend verklaard worden. Verder gaat het evenmin over arbeid als straf voor de zondeval, integendeel: werken is gezond en hoort kennelijk bij de menselijke conditie.
Een dergelijk geluid stond niet op zichzelf. In literaire verpakking was het eveneens verwerkt in de invloedrijke Roman van de roos, een catechismus van de wereldse liefde verpakt in verhaalvorm en liefst tweemaal uit het Frans bewerkt in het Middelnederlands. Ook hierin werden de minderbroeders om tal van redenen te grazen genomen, in het bijzonder vanwege hun opdringerige gebedel. Als voorbeeld van een meer gewenste situatie haalde de auteur Paulus aan, die de apostelen ervan overtuigde dat werken tot de menselijke levensvervulling behoorde: ‘De bedelstand werd hun verboden,/ hij zei hun: Werk met uw handen,/ maak u door schooien niet te schande.’ Zelf weigerde hij geld aan te nemen voor zijn preken: ‘Goed volk, houd toch uw gaven,/ mijn eigen arbeid kan mij laven,/ mijn eigen handen zijn toch sterk,/ waarom dan nog uw liefdewerk?’
Op allerlei manieren werd arbeid in de stad uit de doem van een strafexercitie gehaald. Zo boog men de voorstelling van God als strenge rechter bij het Laatste Oordeel om naar die van de hardwerkende bouwmeester van aarde en heelal. De beelden in de kerk toonden hem als een creatieve handwerksman, die het grootste karwei aller tijden geklaard had in zes dagen. Zijn handen hielden passer en meetlat in de aanslag alsof hij nog druk bezig was. Arbeid kon dus heilzaam zijn en hoefde niet altijd opgevat te worden als straf.
Verder ontwikkelde de stad een lawine aan afbeeldingen van Adam en Jezus als vlijtige tuinlieden. Ook hiervoor bood de bijbel geschikte aanknopingspunten. Na zijn dood verscheen Jezus op aarde als tuinman aan Maria Magdalena. Ze wilde hem voelen. Maar met een ‘raak me niet aan’ herinnerde hij haar aan zijn veranderde status. De stedelijke uitbeeldingen legden een zwaar accent op hark of schop die hij nadrukkelijk vasthield: Jezus als arbeider.
Genesis 2:15 gaf evenzeer aanleiding om een model uit de heilsgeschiedenis als werkman voor te stellen. God had Adam in het paradijs geplaatst. Daar hoefde hij niets te doen, want het eten hing aan de bomen. Alleen vroeg God wel aan Adam om de paradijstuin op orde te houden, ‘te bewerken en erover te waken’. Ook die opdracht werd in de stad uitvergroot. Adam was al arbeider vóór de zondeval. Daarmee werd de angel van arbeid als straf uit het verhaal gehaald. Adam moest ten gevolge van zijn misstap werken, maar zijn boete betekende alleen een verandering van de secundaire arbeidsvoorwaarden. Wat hij eerst fluitend deed, diende later in het zweet zijns aanschijns te geschieden. Maar arbeid op zichzelf deugde.

DIE LOF VAN het werken werd ook geadverteerd door de droomvoorstellingen van Luilekkerland. Men speelde het genotvolle luieren als een soort carnaval van de omgekeerde wereld. Juist door de gewenste gedragsvormen tijdelijk op te schorten en te ridiculiseren met tegenovergesteld gedrag creëerde men een uitlaatklep voor opgelopen spanningen. En daardoor bleek het bedoelde gedrag op aarde weer beter te verdragen. Sterker nog, wederom toonde men aan dat arbeid de meest verkieslijke uitweg was uit de zelfgeschapen wanorde. In Luilekkerland hoefde de consument vrijwel niets te doen om aan voedsel te komen: alleen kauwen en slikken bleven over. En zelfs daarop viel nog af te dingen, want onder een prent naar het Luilekkerlandschilderij van Bruegel uit 1567 stond: ‘De luiaard stopt zijn handen onder zijn oksels, en het valt hem zwaar om ze naar zijn mond op te heffen.’
Die positiveringen werkten des te sterker door de opwaardering van de zonde traagheid (acedia) tot luiheid in het algemeen, die het voorportaal zou zijn van de gevreesde melancholie. Aanvankelijk sloeg deze minst bekende hoofdzonde alleen op het verzaken van de religieuze plichten door geestelijken. Maar het werd serieuzer toen deze zonde in het licht van de stedelijke arbeidsmoraal werd opgevat als luiheid waartoe de duivel zowel geestelijken als leken probeerde te bewegen. Men raakte dan aan het piekeren en verzeilde in een conditie van melancholie (letterlijk zwartgalligheid), die uiteindelijk naar zelfmoord voerde. En daar was het de duivel om te doen, want dan had de mens zijn ziel voor eeuwig verloren.
Luiheid was dus levensgevaarlijk want men kon daarmee zelfs de eeuwigheid verspelen. Deze melancholie, geregisseerd door de duivel, nam een voorname plaats in bij de ziekteleer. Gezondheid was afhankelijk van het juiste evenwicht tussen de lichaamsvochten. Overheerste het zwarte gal, dan diende het rode bloed gestimuleerd te worden om de balans te herstellen. Wandelingen in de natuur en vooral vrolijke literatuur maakten de gewenste sanguïniteit aan, waardoor men genas. Van de zwaarmoedige schilder Hugo van der Goes, een der voornaamste Vlaamse primitieven, werd gezegd dat hij in een klooster werd behandeld met hilarische kluchten en komische liedjes. En zelfs Erasmus geloofde dat hij genezen was van een gevaarlijke zweer door het lezen van grappige verhalen.
Daarmee werd een heilzame werking toegekend aan literatuur als remedie tegen levensbedreigende luiheid. Dat verband tussen literatuur en gezondheid verdiepte zich nog door een verdergaande spiritualisering van die duivelse ledigheid. Er was al verband gelegd met piekeren en peinzen in die omstandigheid, wat met name kenmerkend werd geacht voor dichters en geleerden. En de overtuiging groeide dat de ware dichter een melancholicus moest zijn. Gekweld door grillige gedachten kon hij ’s nachts niet slapen en probeerde dan maar die hersenspinsels van zich af te dichten. Die ontwikkeling is ook af te lezen uit een betekenisverandering van het woord fantasie. Lang verwees dat in het Middelnederlands naar angstdromen en andere kwellende gedachten. Maar in de veertiende eeuw kwam daar de notie bij van creatieve verbeelding in positievere zin. En die klinkt nu vrijwel exclusief in het woord door.

VAN TIJD TOT TIJD wordt na de Middeleeuwen weer de lof der luiheid gezongen, als remedie tegen de kapitalistische verwording die de aarde dreigt op te blazen. Maar het blijft steeds bij dialectische oprispingen, bij wijze van ideologisch carnaval. Dat werkt heel zuiverend en relativeert de dronkenheid van het bezit. Daarna gaat iedereen weer opgelucht aan het werk. Ook voor de noodzaak tot werken biedt de bijbel meer dan voldoende bewijsplaatsen, al blijven die steeds in het licht staan van de straf voor de zondeval. En de honger naar arbeid wordt extra aangescherpt als men een tijdje niets doet.
Dat liep over in de gelegaliseerde luiheid die inmiddels vakantie heet. Toch ligt de aardse arbeidsmoraal zo diep verankerd in de westerse samenleving dat luieren en nietsdoen meestal uitgesproken wensdromen blijven die zelden in de praktijk gebracht worden. Het gaat nu om een geseculariseerde paradijsdroom waaraan men zich inmiddels licht gegeneerd of zelfs stiekem voor korte tijd overgeeft. Nietsdoen hoort niet op aarde. Op vakantie worden de gebruikelijke inspanningen van het normale leven tijdelijk omgezet in andere verrichtingen die daaraan zo weinig mogelijk doen denken. Maar het gaat nog steeds om inspanningen zoals het (eindelijk) lezen van een stapel boeken, het beklimmen van bergen en zwemmen in branding of bad. En dankzij dit tegengif van de zelfgekozen of -ontworpen ontberingen valt de gebruikelijke arbeid nadien weer beter te verdragen. Luiheid is al lang niet meer in de mode. Zelfs niet gedurende de vakantie. En de associatie met geleerdheid is eerder in het tegendeel verkeerd. Misschien kan de dichter er nog een beetje mee uit de voeten. Maar laat hij zijn luiheid dan vooral melancholie noemen.