Dik van der Meulen, Multatuli: Leven en werk

Met de literatuur als wapen

«Zo nodig met opoffering van alles wat hem dierbaar was» zocht Multatuli naar de waarheid. Uit de biografie van Dik van der Meulen rijst de grootste (negentiende-eeuwse) Nederlandse schrijver op als een bevlogen, hartstochtelijk, geëngageerd kunstenaar.

Wanneer spreek je eigenlijk van een uitstekende biografie? Die behoort in de eerste plaats goed geschreven zijn. Je moet als lezer van de stijl van de biograaf genieten. Bij Dik van der Meulen, de biograaf van Multatuli, is dat het geval.

H. Brandt Corstius heeft daar in zijn recensie in NRC Handelsblad (13 september) al op gewezen. Van der Meulen hanteert een bijna Engelse vorm van humor — daarmee schetst én relativeert hij trouwens Dekker. Hij trapt niet in de val om «multatuliaans» te schrijven. Een voorbeeld. In zijn inleiding vertelt Van der Meulen wat hij van plan is te doen en komt uiteraard te spreken over de zogenaamde «Verlovingsbrieven» die Eduard Douwes Dekker schreef aan «Tine». Van der Meulen schrijft dan over Multatuli: «De schijnbare nonchalance ten spijt heeft hij zichtbaar moeite gedaan ‹literair› te schrijven.» Zo’n zin moet je proeven. Als je Multatuli niet kent, leest het als een Vorausdeutung in de vorm van een amuse gueule. Zo zit het boek vol met kleine, mooie, zinnenprikkelende observaties.

Verder moet een biografie een leven schetsen zoals dat ongeveer is verlopen. Dat was makkelijk voor Van der Meulen, want alles wat bekend is over Multatuli kun je zo ongeveer vinden in het Verzameld Werk. Maar toch is Van der Meulen de eerste die hier flink en gedegen gebruik van maakt.

Ten derde moet je er als lezer iets van je gading in kunnen vinden. Dat is voor iedereen anders. De afgelopen jaren verschenen er twee biografieën die nogal wat opzien baarden. Elsbeth Etty met haar biografie over Henriëtte Roland Holst en Hans Goedkoop met zijn biografie over Herman Heijermans. De ene (over Roland Holst) vond ik iets beter dan de andere (over Heijermans), juist omdat ik meer in Heijermans geïnteresseerd was dan in Roland Holst en niet vond wat ik zocht, namelijk informatie over hoe en waar en hoeveel precies Heijermans schreef. Daar kan Goedkoop niets aan doen — dat is nu eenmaal mijn afwijking en die is bij elke schrijver en lezer anders.

In Van der Meulens Multatuli vind ik wat ik zoek: over Dek zijn schrijven, over hoe Multatuli dacht, over wat hem dreef en over zijn vrouwen. Goed, dat was al enigszins bekend — vooral door Paul van ’t Veer die ook een Multatuli-biografie wilde maken, en zelfs de eerste jaren in kaart bracht en toen stierf, en zeker ook door Hans van Straten die een ten onrechte miskende biografie schreef — maar Van der Meulen completeert het beeld, terwijl je natuurlijk nooit zult weten of het beeld werkelijk volledig is.

Kortom: alles was aanwezig om Van der Meulen «cum laude» te laten slagen voor zijn biografie die hij als zijn proefschrift presenteerde. Dat is niet gebeurd.

Waarom niet?

De promotiecommissie vond dat Van der Meulen onze beste negentiende-eeuwse schrijver niet «psychologisch had geduid». Blijkbaar moet dat, in een wetenschappelijk werk. Dat is vreemd. Want niet alleen kun je je vraagtekens zetten bij de wetenschappelijkheid van «psychologische duiding», het geeft ook aan dat de promotiecommissie de geest van «Multatuli» in wezen niet goed heeft begrepen.

Ik zal dat laatste proberen uit te leggen.

Multatuli heeft aan de wieg gestaan van een reeks eigenwijze, typisch Nederlandse denkers. Je zou ze «De Nuchteren» kunnen noemen (hoewel je overigens bij de nuchterheid van Multatuli wat vraagtekens zou kunnen zetten). Feit is dat Douwes Dekker de inspirator was van schrijvers als Karel van het Reve, Rudy Kousbroek, Hugo Brandt Corstius, Jaap van Heerden, Jan Blokker, Hans van den Bergh (eveneens een promotor van Van der Meulen), Max Pam en zelfs Maarten ’t Hart, al heeft die een hekel aan de manier van schrijven van Multatuli. Al die schrijvers — ik heb er een paar overgeslagen — typeren zich, behalve door hun geestigheid, tevens door een wetenschappelijke wijze van redeneren en denken. (Vier van de auteurs die ik heb genoemd zijn of waren dan ook hoogleraar). Het zijn niet alleen multatulianen — ze hebben eveneens hun ernstige bedenkingen als het om «psychologiseren» gaat. Zelfs Jaap van Heerden, die hoogleraar psychologie is. Daar zijn twee redenen voor. Freud was, wetenschappelijk gezien, een grote Weense Leugenaar en zelfs indien je een persoonlijkheid als Multatuli psychologisch hebt geduid, betekent dat niet dat er uit iemand met net zo’n persoonlijkheid een Multatuli kan groeien. Dus wat heb je dan aan zo’n duiding?

Daar komt in dit geval nog iets anders bij. Geen schrijver is in Nederland zo «geanalyseerd» als Douwes Dekker. Spigt, Haasse, Ett, Saks, noem alle multatulianen maar op — ze hebben zich allen gewaagd aan «duiding». Want ja, de kleine Dek ontbeerde een vader, want die was altijd op zee, had astma, een moeilijke jeugd en een ingewikkelde omgang met zijn broer, en met de liefde zat het ook raar in elkaar. De «psycholoog» J. Saks kon er maar niet over uit — gelukkig werd hij door Du Perron om zijn eigenzinnige opvattingen fel bestreden.

Eduard Douwes Dekker duiden was zelfs erg in de mode. Met de psychologie van Multatuli is dan ook van alles uitgehaald — zoals we ook al bij zijn vriend, en latere aartsvijand Joh. van Vloten kunnen zien. Maar later kregen we een sociale duiding van Garmt Stuiveling, een sociologische duiding kregen we van Wertheim, en ook Willem Frederik Hermans en Hans van Straten (beiden schreven een Multatuli-biografie) hielden zich onledig met de psyche van Eduard Douwes Dekker. Een bijzonder fraai stuk over dit onderwerp komt van Hella Haasse, De schijngestalten van fancy (1970) dat handelt over Multatuli en de vrouwen. (Dat stuk moet Connie Palmen eens lezen, ze zal dan zien dat wat zij in Geheel de Uwe beweert al dertig jaar geleden door Hella Haasse over Multatuli is beweerd.)

Maar ja, Multatuli psychologisch duiden, dat kon natuurlijk het best worden gedaan door Freud zelf — en die heeft dat ook gedaan. In Nachlese schrijft Freud dat hij een bewonderaar is van Multatuli vanwege diens «verzet tegen het autoriteitsgeloof en van wie ik herhaaldelijk en met instemming zijn opvattingen inzake de positie der vrouw en de kinderopvoeding aangehaald heb, laatstelijk in Zur Sexuellen Aufklärung der Kinder, 1906».

Tja, Freud… (ik haal dit uit Aarts Letterkundige Almanak voor het Multatuli-jaar 1987; het «artikel» is vertaald door wijlen de psychiater J.A.M. Mathijsen) hij leest Multatuli en schrijft over «Wouter» (door Mathijsen onvertaald gelaten als «Walther»): «Het onschuldige en verwonderde kind beleent zijn bijbeltje, symbool van onderdrukkend opvoedingssysteem, maar ook van de vaak afwezige vaderfiguur… etc. etc.» Het is zó Freud dat je bijna gaat twijfelen of Freud hier wel aan het woord is… Nog één citaat in de verrukkelijke «vertaling» van Mathijsen: «Het schuldgevoel van de volwassen Multatuli vond waarschijnlijk zijn grond in de vervangende vaderfiguur die de jonge Walther zich nog ongestraft wenste: de hartstochtelijk levende figuur van de goede rover.»

Mmm… Komisch, maar toch… psychologiseren over Multatuli was, zoals ik al schreef, mode. Er werd dus zelfs de draak mee gestoken.

En dan wil men dat Van der Meulen het nog eens dunnetjes over gaat doen.

Gelukkig heeft hij dat niet gedaan — maar dat kostte hem wel zijn cum laude.

Thans kan ieder uit het verhaal van Van der Meulen zijn eigen Multatuli samenstellen. De angstige neuroot, de astmatische agressieve en obsessieve vrouwenverleider omdat hij in elke vrouw zijn moeder waande, de man met het geheime verdriet en de onvervulde ambitie, die moest opboksen tegen vader en broer, de Jezus Christus-obsessie… Alles mag in de versie van Van der Meulen en zo hoort het ook. Je vraagt je dan ook af hoe Van der Meulen, stel dat hij werkelijk Dek had willen duiden, dit dan had moeten doen?

Elsbeth Etty vertelde dat zij tijdens het schrijven van haar biografie over Henriëtte Roland Holst enkele psychiaters heeft gebeld…

Maar dan blijft de vraag: nou en? Wat weten we dan dat voor ons van belang is? Ik kan het maar niet bedenken.

Mijn Multatuli — zoals ik hem lees in Van der Meulen — is eigenlijk geen schrijver, hoewel hij fantastisch goed schreef. Mijn Multatuli is een «verrekte gelijkhebber», een man die om principiële redenen ging schrijven, maar die zijn principes net zo goed overboord kon zetten. Mijn Multatuli is een voorbeeld, omdat hij gedurende zijn schrijversjaren — die goedbeschouwd maar zo’n vijftien jaar hebben geduurd — de indruk wekt «zijns ondanks» prachtig te schrijven. Hij kon er, bij wijze van spreken, niets aan doen dat hij zo’n scherpe pen had. Hij dacht er niet eens bij na, hij schreef altijd in een roes — en vandaar dat hij zo veel werk in betrekkelijk korte tijd concipieerde. Als dat vreselijke begrip «passie» een naam moet hebben, is dat: Multatuli.

Mijn Multatuli schreef niet om de literatuur — hij schreef puur uit egoïstische redenen, om zijn megalomane denkbeelden te verwerkelijken en puur voor de poen — en hij maakte zodoende per ongeluk literatuur.

Hij was een man die, zegt Van der Meulen ergens, zich van zijn «dubbel spel» bewust was. «Ook hij was zonder meer bereid zijn boek (‹Max Havelaar› —ThH) te zien als een ruilmiddel; ook hij wilde wel van publicatie afzien als daar iets tegenover stond.»

Ja ja, de uitgever (die de minister weer kende) wilde eigenlijk ook niet — om politieke redenen — dat het boek uitgegeven zou worden; uitgevers zijn over het algemeen minder moedig dan hun auteurs. Maar wat Douwes Dekker wilde, zeg maar eiste — in ruil voor zijn boek — was tamelijk veel: hij wilde «resident op Java» worden, «Speciaal Passaroeang om mijne schulden te betalen». (Resident was «de plaatsvervangende vorst» in ons oude Indië, zeg ik er maar even bij als zoon van wijlen een assistent-resident in Passaroeang. Alleen de gouverneur-generaal was hoger.) Verder wilde Douwes Dekker «herstel van diensttijd voor ’t pensioen» (tuurlijk, tropenjaren zijn dubbele jaren, wist Dekker, die altijd met geld in de weer was), uiteraard wilde hij dus ook «een ruim voorschot» en… hij wilde «Ned. Leeuw». Zo staat het er: «Ned. Leeuw».

De hoogste onderscheiding.

Alleen al om de wijze waarop hij dit heeft neergeschreven, zou hij de Ned. Leeuw alsnog moeten krijgen…

Uit dit veelzeggende lijstje blijkt ook dat hij geen literatuur wilde maken om de literatuur. Hij wilde literatuur als persoonlijk wapen. En dat is eigenlijk altijd zo gebleven.

Misschien dat ik daarom hoofdstuk 18, met als titel Zonden en zeden het interessantst van de biografie vond. Van der Meulen beschrijft daarin de Ideën van Multatuli als een «zoektocht naar de waarheid». En Van der Meulen schrijft daar achter: «zo nodig met opoffering van alles wat hem dierbaar was». Het is die «zoektocht naar de waarheid» geweest die «De Nuchteren» heeft aangesproken, tezamen met Multatuli’s bevlogenheid.

Het is dat «zonodig met opoffering van alles wat hem dierbaar was» waardoor Multatuli Multatuli werd. Het is weer een bewijs, voor mij althans, dat het Dekker niet ging om de literatuur. Maar om hemzelf. Ook in zijn Ideën maakte hij per ongeluk literatuur. Niet in de laatste plaats vanwege zijn geestigheid.

Van der Meulen laat zien hoe de nieuwe wetenschappelijke inzichten Multatuli inspireerden, en zo kwam het dat de man die zich met Jezus identificeerde («ik heb veel geleden») ongodsdienstig werd. Liever een Jezus zijn dan een schrijver — misschien dat je daaruit zou kunnen verklaren dat er zoveel bij hem onvoltooid is, of vaak zo’n vreemde structuur heeft.

Je leest de biografie van een hartstochtelijk man, een waar kunstenaar, en je vraagt je af: wie is de nieuwe Multatuli? Wie is de even grote literator als polemist? Wie wil de literatuur nog gebruiken als wapen, terwijl hij eigenlijk «iets anders» wil: een rechtvaardiging van een zaak?

Ik zou het niet weten. Ik zie schrijvers die maar wat graag schrijvers genoemd willen worden; polemisten die maar wat graag polemiek om de polemiek bedrijven. Soms is er wel iemand die een beetje op Multatuli lijkt (de regisseur Theo van Gogh blijft door mijn hoofd spelen, en gek genoeg ook zijn opponent, de taalkundige Hugo Brandt Corstius), maar toch, het blijft een beetje. De vraag zou dan ook eerder moeten luiden: hoe komt het dat er nu geen Multatuli’s meer zijn, zeker niet onder de jeugd.

Eén van de eerste ideeën (nummer 4) van Douwes Dekker was: «De jeugd moet zich oefenen in het bepalen.» Bepalen heeft nog steeds zo’n zeven betekenissen; in 1870 was het, meer dan nu, «door waarneming en redenering vaststellen». Tegenwoordig is het meer: beperken tot iets, vaststellen, vastleggen ook, niet afwijken… Multatuli heeft zijn hele leven zijn houding bepaald, op zoek naar de waarheid en rechtvaardiging van zijn bestaan — hij stond voor een «bepaalde» attitude.

Het is iets waaraan de afgelopen jaren geen behoefte was. De «multatulianen», of zoals ik ze liever noem, de «nuchteren», waren en zijn eigenlijk exponenten van de eerste generatie na de Tweede Wereldoorlog. Er viel toen veel te winnen, veel te bepalen ook — we waren in 1939 opgehouden met onszelf te ontwikkelen en die draad werd in 1946 pas weer opgepakt. Die «oefening in het bepalen» kun je bij Han Voskuil (Bij nader inzien) mooi waarnemen — Voskuil die in 1946 tot de eerste studenten behoorde die Nederlands gingen studeren. In de jaren tachtig was die bepaling eigenlijk niet nodig; we raakten verwend. En eigenlijk zie je dat nu, in 2002, die noodzaak weer gaat ontstaan om zich te bepalen. Wat doe je als je ouders moslim zijn en je studeert hier? Wat doe je als je vrienden allemaal LPF willen stemmen of SP of VVD? Wat doe je in een wereld waarin je soms denkt dat de Israëliërs het best te vergelijken zijn met nazi’s? Dan moet je je oefenen in het bepalen. Dus binnenkort zal er wel een nieuwe Multatuli opstaan, vermoed ik. Een acteur, of een filmer, of een ambtenaar van justitie die onrecht is aangedaan.

Oefenen maar, jongens en meisjes!

Dik van der Meulen, Multatuli: Leven en werk van Eduard Douwes Dekker Uitg. Sun, 912 blz., € 45,-