Met de neus dicht

Apatisch, levensmoe, verveeld en licht crimineel. Zo typeerde De Groene onlangs de ronddolende personages in de boeken van de Generatie Nix. Ze zitten ingeklemd tussen de jaren-zestigidealen van hun bevlogen ouders en de latere yuppenmentaliteit. Dat benarde beeld hanteren ook Ed van Eeden (1957) en Peter Nijssen (1961) in hun boek Jong in de jaren 70: Tijdsbeeld van een generatie (uitg. Kosmos).

Herhaaldelijk passeert de term lost generation: Het was een generatie die op een gegeven moment niet alleen alle idealen, maar ook ieder toekomstperspectief dreigde te verliezen. Ergens in de aanvangsjaren van tachtig raakten de verlorenen definitief het spoor bijster. De jongerencultuur versplinterde in allerlei kleine groeperingen (punks, skins, mods, rockers, discos, rastas), die zich nauwelijks of alleen radicaal negativistisch met politiek bezig hielden en krampachtig hun eigen levensstijltje verdedigden. Toen even later de economische crisis losbrandde, verzeilde deze vlees-noch-visgeneratie in de wachtkamers van de sociale dienst, waar ze door aanstormende kwieke yuppen links en rechts werd gepasseerd. De in de jaren zestig geboren schrijvers beklagen in de media momenteel luidkeels hun lot. Maar hoe is het te verklaren dat generatiegenoten die muziek als vertolking van hun gevoelens kozen al enkele jaren een ongekende revival doormaken?
Niet door het boek van Nijssen en Van Eeden te lezen, al zetten ze de afsluitende muziekparagraaf hoog in. Alles hield op in 69, citeren ze Blondie-zangeres Debbie Harry. Met de vraag wat voor substantieels er daarna nog gebeurde, krabben ze zich de veertien volgende paginas achter de oren. Het antwoord raakt allengs ondergesneeuwd in een - overigens vakkundige - opsomming van alle muzikale trends: reggae, glamrock, jazzrock, hardrock, de bezadigde middle of the road van Fleetwood Mac en The Eagles, en aan het slot van het decennium disco, punk en new wave. Maar substantieel anders dan vroeger? De schrijvers aarzelen. Een werkelijk vernieuwende trend is de geprononceerde introductie van de synthesizer in de rockmuziek, concluderen ze. Het publiek kijkt toe hoe de stroomvretende instrumenten geheel zelfstandig monotone muziek voortbrengen, ter begeleiding van ingeblikte stemmen die almaar dezelfde tekst herhalen. Uit het citaat spreekt de wijze waarop Van Eeden en Nijssen delen van hun boek hebben geschreven: met dicht geknepen neus. Het meest markant uit zich dat in het eerste hoofdstuk. Daar noteren de schrijvers de vruchten van een gezamenlijke brainstormsessie. Ik herinner me Jazz Bilzen van 1978. Hoe het volkomen verregende en hoe we bibberend van de kou Lou Reed bewonderden. Hoe we s'nachts in een grote tent, waar vijfhonderd hippies sliepen, in een klamme slaapzak kropen en s'ochtens ontbeten met een griesmeelpudding van de Hare Krisjnas.
Die toon heeft voor generatiegenoten zn charme, maar is ook een gemiste kans. Hadden de schrijvers hun sentimenten kunnen indammen - en was hun interesse in de popbizz ook na de jaren zeventig persistent gebleken - dan was de conclusie gerechtvaardigd dat die stroomvretende synthesizers van een band als Kraftwerk de bakermat zijn gebleken van de house. En dat dank zij het commercie"le succes van de punk de muzikale infrastructuur ingrijpend is gewijzigd. Daar plukt bijvoorbeeld de huidige grunge nog steeds de vruchten van. De schrijvers kijken in hun boek met een jaren-negentigoog naar vroeger, maar trekken vervolgens hun conclusies. Lezenswaardig is het daarom uitsluitend als tijdsdocument. Een beetje Generatie-Nixer weet daar alsnog een aardige setting voor een roman uit te peuren en kan het literaire geweeklaag doen bee"indigen.
En de muziek van de jaren zeventig? Blijkens de bij het boek gestoken cd zat daar behoudens synthesizers en punk ontzettend veel pulp tussen, waar je allicht levensmoe, verveeld, apatisch en licht crimineel van wordt.