Met de oorlog op tournee

Miroslav Krleza, De Kroatische god Mars. Vertaling Helene Houtzager, uitgeverij Prometheus, 364 blz., 349,90
Als een schrijver vooruitblikt, doet hij dat omdat hij heel vaak over zijn schouder achterom heeft gekeken. Charles Simic bij voorbeeld, de Amerikaanse dichter die in 1938 in Belgrado werd geboren, het bombardement op 6 april 1941 van de Duitsers op zijn geboortestad mocht meemaken, de etnische hysterie en de beginjaren van het titoïsme onderging, en daarna naar een andere toekomst emigreerde: de Verenigde Staten. Het staat allemaal in zijn schitterende autobiografie In den beginne was de radio.

In het aprilnummer van De Gids schreef Simic een indringend stuk over de versplintering van Joegoslavië onder de veelzeggende titel ‘De wezenfabriek’. Simic schrijft over de oorlog die op de Balkan woedde en nog steeds smeult. Hij zag niet alleen 'oude filmbeelden uit mijn jeugd’ op CNN toen hij de strijd in zijn geboorteland volgde, hij blikte ook in de toekomst en zag niet veel goeds. 'De marsmuziek van de volgende eeuw zal ongetwijfeld bestaan uit religie en nationalisme. De koorrepetitie is al begonnen. Overal worden reeds de kinderen van het licht en de kinderen van de duisternis gesorteerd.’
Het sarcastische machiavellisme van de kleine Balkanstaten is niet alleen van deze tijd. De stupide, moordzuchtige vijandigheid tussen Kroatië en Servië woekert al de hele twintigste eeuw door. Er is een schrijver geweest (een Kroaat, maar dit tussen relativerende haakjes) die die permanente oorlog voor iedereen en voor alle tijden heeft vastgelegd: in zijn dagboeken, in zijn verhalen, novellen en romans. Zijn naam is Miroslav Krleza. Binnen korte tijd zijn van hem drie boeken in het Nederlands uitgegeven: de roman Op de rand van het verstand (een herdruk), de essayistische herinneringen Kinderjaren in Agram, en, als laatste, De Kroatische god Mars.
De oorlog, schrijft Krleza in zijn dagboek van 1938, heeft wel iets weg van 'een smerig provinciaals circus. De oorlog geeft voorstellingen in de meest afgelegen gehuchten en sjokt onvermoeibaar van de ene plek naar de andere volgens een tevoren reeds bepaald plan voor een lucratieve tournee.’
Het is de toon die de marsmuziek beheerst. En de muziek die in De Kroatische god Mars klinkt is die van de oorlogsgod. Deze zeven novellen over domobranen, dat wil zeggen Kroatische soldaten, schreef Krleza in de jaren 1917-1923, toen hij zelf de paranoïde geest van het leger ruimschoots had mogen ondervinden en bijna als 'Oostenrijks spion’ was geëxecuteerd. In alle verhalen lijken de personages, stuk voor stuk slachtoffers van een oorlog waarin niemand precies weet wie de vijand is, rond te dwalen in een soort feodale mist. Er is iets vreemds aan de hand met mensen die uit hun burgerlijke bestaan worden weggerukt en plotseling in een streng hiërarchisch leger maar moeten zien te overleven. Of je nu bevelen geeft of opvolgt, je wordt permanent op de proef gesteld. Pesterijen, schijnexecuties, eindeloze exercities, scheldpartijen, vernederingen, ontsnappingspogingen, woedeuitbarstingen, het is allemaal onderdeel van een aburdistisch theater in Krleza’s schokkende boek. Men moet het rechtsgevoel van een doorgewinterde frontsoldaat begrijpen, schrijft hij in een verhaal waarin de kazerne het toneel voor een operette lijkt te zijn. God bestaat niet en de democratie zal de wereld redden? Blijven liggen, dat is het eerste verstandige principe van succesvolle oorlogvoering.
Let wel, dit schreef Krleza bijna tachtig jaar geleden. Hoewel zijn werk misbruikt werd en wordt door nationalisten, is elk woord dat hij schreef altijd gericht geweest tegen de ahistorische en levensgevaarlijke clichés van etniciteit, ras en afkomst. Tegen het oorlogsgeweld zet Krleza zijn enige wapen in: de stormram die taal heet. 'Als gigantische zwarte stormrammen vliegen eindeloze mensencolonnes op elkaar af om elkaar te verpletteren in een tragische botsing van financiële, burgerlijke, feodale en imperialistische, klimatologische en etnische leugens.’
De ondergeschiktheid is de ziel van de militaire dienst. Krleza laat in 'Koninklijk-Hongaarse domobraanse novelle’ een kapitein, die zijn soldaten aan zinloze exercities onderwerpt, een vergelijking maken tussen discipline met sport. 'Als je een paar dagen niet schermt (…) dan kun je het verder wel vergeten. Dan ben je niet meer de baas over je eigen degen. Zo gaat het ook met de discipline.’ Het zijn de simpele 'waarheden’ van de kortzichtige burgerman die in het leger zijn scheurkalenderwijsheden als een kakelende automaat in de praktijk kan brengen en zich de macht van de bevelende taal goed laat smaken.
Alle verhalen die Krleza vertelt hebben een gemengde onderstroom van gevoelens: woede, cynische gelatenheid, pikzwart pessimisme, maar ook mededogen en soms hoop. In die woeling van tegenstrijdigheden moet de lezer zijn eigen weg zien te volgen.
Maar De Kroatische god Mars is niet alleen een in scherpe, schitterende taal vervat protest tegen de oorlog, het is tegelijkertijd een aanklacht tegen het ontbreken van mededogen. Krleza leeft zich in in beulen en slachtoffers, en schept op die manier wrange tegenstellingen in zijn verhalen. De, in die tijd hoogst moderne, innerlijke monologen waarvan hij twee vijandig tegen over elkaar staande soldaten voorziet, weerspiegelt zijn behoefte aan diepgang, aan inzicht in wat de mens bezielt om anderen te vernederen.
Het leven van de geportretteerde soldaten in De Kroatische god Mars 'reist derde klas’, lees ik in het slotverhaal 'Kroatische rapsodie’, waarin Krleza en passant 'de Kroatische idee’ belachelijk maakt. In dit meesterlijke verhaal dendert een trein onherroepelijk richting kazerne en slagveld. 'En die Genius, die stralende, goede Kroatische Genius, deze Redder van ons, die het Woord en de vorm van de Expressie vinden zal, die Messias, die ons zal genezen van deze slopende ziekte, Hij komt.’
Een held is iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest, schreef W.F. Hermans eens. In Krleza’s literaire werk is geen held te bekennen, alleen antihelden. Misschien is de maker van al die antihelden wel een moedig mens. Krleza heeft meer dan eens moeten boeten voor wat hij schreef. Op 16 maart 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog, schreef hij in zijn dagboek iets op wat ik zijn credo noem: 'Wat betekent het om moedig te zijn? Zich teweerstellen met de pen is een van de grootste heldendaden. Het gaat daarbij niet om het innemen van een positie bij een stormloop. Het is een hele reeks onzichtbare heldendaden die zichzelf wegcijferen, die voortvloeien uit de hoogspanning van de wil. Het is jezelf reduceren tot niets. Het betekent: de ontginner te zijn van onbekende oorden in de woestijn van de geest, waar niet alleen leeuwen, maar ook mensen op de loer liggen.’
Die woestijn van de geest heeft Miroslav Krleza meesterlijk beschreven in De Kroatische god Mars.