Interview met Nayla Tueni

Met de pen van haar vader

Er zijn al vijftien gezaghebbende Libanezen vermoord vanwege hun openlijk anti-Syrische opstelling. Na de begrafenis van minister Gemayel praat de 24-jarige Nayla Tueni over Libanon en de moord op haar vader, de hoofdredacteur van de krant An-Nahar. Inmiddels is ze zelf mogelijk doelwit.

BEIROET – De 24-jarige Nayla Tueni zit in een kantoortje in het witte, ultramoderne gebouw van An-Nahar, de krant waarvan haar in december 2005 vermoorde vader, Gibran Tueni, de hoofdredacteur was. Buiten op het Martelaarsplein is het donker aan het worden; schoonmaakploegen zijn in de weer met het opruimen van de troep die zo’n achthonderdduizend Libanezen hebben achtergelaten na de begrafenis vandaag van de dinsdag vermoorde minister Pierre Gemayel. Tueni is gekleed in een zwarte broek plus een zwarte rolkraagtrui, een outfit die inmiddels haar uniform lijkt te zijn geworden. Eerder moest An-Nahar ook al zijn hoofdredacteur, Tueni’s vader dus, en zijn populairste columnist, Samir Kassir, begraven na een bomaanslag.

‘Ik zat vanmiddag in de kerk bij de genodigden’, zegt Nayla Tueni. ‘Links van mij zat een oom die aan een aanslag is ontsnapt en rechts een andere oom die ook aan een aanslag is ontsnapt.’

Nog geen jaar geleden zat ze in dezelfde St. Georgeskerk om haar eigen vader te begraven. Tot de moord op Pierre Gemayel op 21 november was Gibran Tueni het laatste slachtoffer in een lange rij van aanslagen die aan het regime in Damascus worden toegeschreven. Nayla Tueni die zich ontredderd op de doodskist van haar vader stort is een van die iconische beelden die nu al tot het collectief geheugen van het Libanese volk behoren. Net als de woorden die Nayla Tueni uitsprak op de begrafenis: ‘Ik draag de pen van mijn vader. Ze is alleen beschadigd, niet gebroken. Libanon zal niet sterven. De vrijheid zal niet sterven.’ Het was een variatie op de woorden waarmee de daders de moord hadden opgeëist: ‘Wij hebben de pen van Gibran Tueni gebroken en hem voorgoed het zwijgen opgelegd. We hebben An-Nahar in de donkerste nacht herschapen.’ An-Nahar is Arabisch voor daglicht.

Het is een emotionele dag geweest voor Tueni. De naam van haar vader viel in bijna elke speech waarin de namen van de ‘martelaars’ – vijftien in twee jaar tijd – werden opgesomd. ‘Het heeft het allemaal teruggebracht’, zegt ze, ‘wat er op 12 december 2005 met mijn vader is gebeurd. Dezelfde scènes, dezelfde beelden.’

Toen haar vader nog leefde, werkte Tueni als beginnend journaliste bij de krant die in 1933 door haar overgrootvader werd gesticht. Ze wilde onder aan de ladder beginnen. Maar de geschiedenis besliste anders: vandaag is ze behalve journaliste voor de jongerenbijlage van An-Nahar ook lid van de raad van bestuur en adjunct van de directeur-generaal, haar grootvader Ghassan. ‘Het is niet makkelijk geweest. Ik heb een hoop dingen moeten overslaan: mijn parcours als beginnend journaliste maar ook als jong meisje. Het is een overrompeling geweest.’

Het zal waarschijnlijk niet snel duidelijk worden wie Pierre Gemayel heeft vermoord. Midden-Oosten-kenner Robert Fisk schreef na de moord dat de waarheid moet komen van ‘politieke detectives’, niet van ‘politiedetectives, want die zullen de moordenaars nooit vinden’. Het is juist daarom, zegt Nayla Tueni, ‘dat het zo belangrijk is dat het internationale tribunaal er komt. We kunnen niet toelaten dat iedereen wordt vermoord die zich inzet voor een vrij Libanon zonder dat er ooit een dader wordt gearresteerd. Mijn vader heeft zijn leven gegeven voor dat Libanon. We moeten weten wie er achter die moorden zit.’

Velen in Libanon zeggen nochtans luidop wie de daders zijn: de Syriërs of hun handlangers in Libanon. ‘Ik wacht liever het tribunaal af’, zegt Tueni daarover, ‘maar men kan natuurlijk niet doen alsof Syrië hier niets mee te maken heeft.’ In het geval van haar vader was het oorzakelijk verband evident. Gibran Tueni was de eerste geweest om hardop te zeggen wat veel Libanezen dachten. In 2000 had hij in An-Nahar een open brief geschreven aan de Syrische president Bashir Assad waarin hij aandrong op het vertrek van de Syrische troepen uit Libanon. Zijn naam stond boven aan een ‘hit list’ die boven water kwam in het kader van het onderzoek naar de moord op premier Rafic Hariri in februari 2005. Het was zo gevaarlijk voor hem geworden dat hij naar Frankrijk vluchtte, maar uiteindelijk kon hij niet wegblijven uit Libanon. Op 11 december keerde hij terug naar Beiroet; de volgende ochtend werd zijn Range Rover opgeblazen op weg naar de krant.

Niet betraand, maar gedreven praat Nayla over haar vader: ‘Gibran Tueni had geen wapens of legers achter zich. Hij had alleen het geschreven woord en dat richtte hij rechtstreeks tot hen. En zij sloegen terug met bommen. Dictatoriale regimes zijn als de dood dat die vrijheid van schrijven op een dag overslaat naar hun eigen land, daarom kunnen ze het niet tolereren. Een open en vrije krant als An-Nahar is voor hen een steen des aanstoots.’

Ze weet dat ze als publiek figuur dezelfde risico’s loopt als haar vader: ‘Ik zal niet zeggen dat ik niet bang ben. Maar mijn vader was het dierbaarste wat ik had en ik wil de droom van mijn vader voortzetten. Maar ik wil het hen niet zo makkelijk maken als mijn vader deed. Dat plezier gun ik ze niet.’

Behalve een pijnlijke herinnering aan de dood van haar vader was de Gemayel-begrafenis ook een herinnering aan 14 maart vorig jaar, toen de Libanezen met de grootste betoging uit de geschiedenis van het land het vertrek van de Syrische troepen forceerden. Sindsdien is ‘14 maart’ synoniem voor de coalitie van christenen, soennieten en Druzen die de huidige regering vormt. (De familie Tueni zelf is Grieks-orthodox.)

Maar er is sleet gekomen op 14 maart. Toen de Syrische bezetter eenmaal was verdreven, bleek weinig de coalitie meer te binden. ‘Old politics’ en corruptie kregen opnieuw de overhand. En vooral: een bondgenoot van het eerste uur, oud-president Michel Aoun, die jarenlang in ballingschap verbleef in Frankrijk om wille van zijn anti-Syrische opstelling, is sindsdien overgelopen naar het andere kamp, de pro-Syrische coalitie rond de sjiitische verzetsbeweging Hezbollah. Bij het ter perse gaan van de krant wordt datzelfde Martelaarsplein bezet door honderdduizenden sjiieten en ‘Aounisten’ die het vertrek van de ‘pro-Amerikaanse, corrupte’ regering-Siniora, de regering van ‘14 maart’, eisen.

‘Dat Michel Aoun uit de 14 maart-coalitie is gestapt, dat doet echt pijn’, zegt Nayla Tueni. ‘Ik hoop dat hij op een dag naar ons terugkeert. Dit is niet het moment voor de Libanese christenen om onderling verdeeld te zijn.’

Aan die Libanezen voor wie 14 maart een ‘scheldwoord is geworden, of die gewoon ontgoocheld zijn over de vruchten van de Cederrevolutie, vraagt ze zich vooral de woorden van haar vader te herinneren: ‘Voor mijn vader was 14 maart niet synoniem voor de politici van die dag. Voor hem was 14 maart anderhalf miljoen Libanezen die op het Martelaarsplein zijn samengekomen om een nieuw en vrij Libanon te eisen. Die dag behoort jullie toe, zei hij altijd, al zijn jullie misschien teleurgesteld in de politici die uit die betoging voortkwamen. Blijf vechten voor die dag en verzwak niet, hoe moeilijk dat soms ook kan zijn. Hij wist heel goed dat het nog niet voorbij was, dat er nog veel aanslagen zouden volgen.’

Gibran Tueni wist dat de verstarde verhoudingen het grote probleem van de Libanese politiek zijn. Dat de jongeren de sectaire politiek met de paplepel ingegoten krijgen. Het bleek vorige maand nog tijdens de verkiezingen aan de Amerikaanse Universiteit van Beiroet, die geheel gestuurd waren door de politieke partijen. Het is daarom dat Gibran Tueni de jongerenbijlage had gecreëerd bij An-Nahar, en het ‘jongerenparlement voor een dag’ had opgericht. Zijn laatste project was een ‘jongerenregering voor een dag’, en Nayla heeft ook dat overgenomen.

‘Hij wilde dat jongeren actiever zouden worden in de politiek, in plaats van gewoon de straat op te trekken als spreekbuis voor de traditionele politici. Er zijn shows op de Libanese televisie waarin jongeren gebruikt worden als marionetten, waarin ze aangemoedigd worden om tegen elkaar te schreeuwen. Het is een vorm van entertainment. Mijn vader wilde dat doorbreken.’

Hoe doe je dat in een land dat zo gepolitiseerd is? Nayla Tueni: ‘Door de studenten aan concrete projecten te laten werken rond de toekomst van Libanon, in plaats van ze alleen over politiek te laten praten. Politici in Libanon zijn zo bezig met de politiek zelf dat ze soms vergeten dat bij die ministersposten ook concrete verantwoordelijkheden horen. Dat hopen we met de jongerenregering te veranderen. Dit is het moment om hard te werken aan de toekomst, om de Libanezen hoop te geven en ze opnieuw in het land te doen geloven. Want het alternatief is oorlog, het is wat de moordenaars proberen uit te lokken. Maar ik hoop, ik geloof, dat de Libanezen niet in die val zullen trappen.’

De tijd dringt, want bij elke nieuwe gebeurtenis zijn er meer Libanezen die naar het buitenland vertrekken. En er is een limiet aan wat mensen kunnen doen door massaal de straat op te gaan: ‘Het is nu al de derde keer in anderhalf jaar dat de Libanezen massaal bijeenkomen op het Martelaarsplein om te zeggen dat het genoeg is geweest: op 14 maart, op de eerste verjaardag van de moord op Hariri en opnieuw met de begrafenis van Pierre Gemayel. Het is nu aan de politici om de verwachtingen van het Libanese volk in te lossen.’