HET HANGOUDERENPROBLEEM

Met de rollator ten strijde

Plotseling waren ze overal: de hangouderen. Ze eigenden zich de beste plekken van de openbare ruimte toe, maakten beledigende opmerkingen en voerden bovendien niets uit. Maar is het zo erg? ‘Wij zijn geen hangouderen, we zitten hier gewoon.’

Een anp-bericht van 3 maart.

ASSEN – Een 83-jarige vrouw uit Emmen mag niet meer zingen in de lunchroom van de Hema in haar woonplaats. De bejaarde dame werd in juli vorig jaar de zaak uitgezet omdat andere klanten zich stoorden aan haar gezang. De zaak kwam maandag voor de politierechter omdat justitie haar had vervolgd wegens huisvredebreuk. De vrouw weigerde het pand te verlaten, omdat ze vond dat ze niets verkeerd had gedaan. De politie moest eraan te pas komen om de zangeres en haar gehandicapte vriendin, met wie zij een vast plekje in de lunchroom had, uit de winkel te verwijderen. De Hema legde de Emmense bejaarde voor het komende jaar een toegangsverbod op. De raadsman van de vrouw had geen goed woord voor de veroordeling over en sprak over een ‘actie tegen hangouderen’. De politierechter verklaarde de vrouw schuldig aan huisvredebreuk, maar legde haar geen straf op.

Het begon allemaal in Oude Pekela, in 2005. In april van dat jaar kondigde de gemeente een samenscholingsverbod voor ouderen af. In winkelcentrum De Helling veroorzaakte een groep bejaarden zo veel overlast dat werd besloten ze voortaan te weren. De media doken er bovenop. Zelfs het buitenland toonde interesse.

En plotseling waren ze overal. De ‘hangouderen’, zoals de groep met veel gevoel voor drama werd aangeduid, bleken ook in Almere, in de plaatselijke McDonald’s, voor problemen te zorgen. In het winkelcentrum in de Utrechtse wijk Overvecht was het eveneens hommeles, net als in de Kroon Passage in Den Helder. In 2004 werd al eens een bankje in het Amsterdamse stadhuis weggehaald omdat een groepje ouderen daar overlast veroorzaakte en het zelfs tot relletjes kwam. Het duurde niet lang voor een belangenvereniging zich meldde en onderzoek werd aangekondigd. Het Nationaal Fonds Ouderenhulp liet een enquête uitvoeren onder zevenhonderd respondenten. De uitkomst kon moeilijk geruststellend worden genoemd. Dertig procent van de ondervraagden zei zich wel eens te ergeren aan ouderen in de openbare ruimte. Onder jongeren was dit zelfs 42 procent.

Ouderen eigenden zich steevast de beste plekken toe, ze praatten luidruchtig (al dan niet door gehoorproblemen), ze maakten beledigende en seksistische opmerkingen, met hun rollators en scootmobielen belemmerden ze in- en doorgangen. Bovendien bedierf het al te nadrukkelijk memento mori de kooplust van het winkelend publiek. En dan was daar nog het bezwaar dat ze niets uitvoerden. Het was alsof een lang verborgen gebleven taboe plotseling bespreekbaar was gemaakt.

De directeur van Ouderenhulp greep het momentum en oreerde dat er iets ‘structureel mis’ was. Ouderen werden overal ‘weggejaagd’. Een meldpunt werd in het leven geroepen om ‘de meest schrijnende situaties’ in kaart te brengen. In afwachting daarvan zag in allerijl een speciaal voor ouderen ontworpen bankje het licht, inclusief aankliksysteem voor rollators. De eerste van deze ‘hang-ouds’, werd in april 2006 in – hoe kon het anders – Oude Pekela in gebruik genomen. De eerste echte ‘hangplek’ voor ouderen was een feit.

Maar daarna werd het stil rond de hangouderen. Tot op 12 februari van dit jaar een rapport verscheen van kennisinstituut Movisie waarin de opmerkelijke conclusie werd getrokken dat hangouderen, althans in de openbare ruimte, in tegenstelling tot wat ten tijde van de mediahype in 2005/6 tot aller schrik werd vastgesteld geen maatschappelijk probleem vormden. Het beeld dat de ‘burger met het korte lontje’ in de hangoudere een kwetsbaar slachtoffer had gevonden, leek op niets te berusten. Integendeel, de zogenaamde ‘hangouderen’ hadden juist toegevoegde waarde, hun aanwezigheid werd door velen gewaardeerd. Was het dan allemaal onzin geweest, die akkefietjes in Oude Pekela en Almere, en de uitkomst van dat eerdere onderzoek? Was het mediacircus weer eens op hol geslagen?

Matthijs Uyterlinde, een van de opstellers van het rapport, benadrukt dat hangouderen heus wel bestaan. Het zijn er in Nederland volgens zeer voorzichtige berekeningen zo’n zeventig- tot negentigduizend. Twintig procent daarvan behoort tot de ‘harde kern’ van dagelijkse hangouderen. De meeste hangouderen zijn man, behoren tot de autochtone arbeidersklasse en lagere middenklasse. Het waren ‘bij leven’ chauffeurs, tegelzetters, betonvlechters. ‘Vrije jongens onder elkaar, beetje grapjes maken over wat er zoal voorbij komt, dat is de sfeer’, aldus Uyterlinde. Maar overlast is er dus niet. En die enquête van Ouderenhulp uit 2006 dan? Die deugde niet, zegt Uyterlinde. Wanneer je mensen vraagt of ze last hebben van ouderen in de openbare ruimte is de kans dat ze daarop bevestigend antwoorden nu eenmaal erg groot. Vraag je ze daarentegen waar_van_ ze last ondervinden, zonder die ouderen te noemen, dan zullen ze minder snel zelf met die ouderen op de proppen komen: ‘In de gesprekken die wíj hebben gevoerd, komt naar voren dat hangouderen juist gewaardeerd worden, en dat ze de boel in de gaten houden.’

Documentairemaakster Marijn de Jong, die werkt aan een film over een groep hangouderen in Amsterdam-Noord, trekt dat laatste in twijfel: ‘Mijn ervaring is dat ouderen door de omgeving nauwelijks worden opgemerkt. Dat ze alles in de gaten houden… dat zeggen ze zelf. Zo veel gebruik wordt daar echt niet van gemaakt. Winkeliers hebben geen enkel contact met die ouderen. En de ouderen hebben ook geen contact met andere groepen. Het zijn _be_hangouderen. Er zijn echt wel irritaties, vooral in semi-openbare ruimtes, in winkelcentra ingericht op jong en snel.’

‘Ik kan me daar wel iets bij voorstellen’, zegt Elke van Wageningen, woordvoerster van Ouderenhulp, de belangenvereniging die in 2005 zulke apocalyptische taal uitsloeg. Er is weliswaar sprake van een algemene tendens van verharding en afnemende tolerantie waar ouderen soms het slachtoffer van worden. Maar of dat een maatschappelijk probleem mag heten? Heeft Ouderenhulp het tumult twee jaar terug misschien verkeerd ingeschat? Het meldpunt voor de ‘schrijnende gevallen’ werd in ieder geval al vrij snel bij gebrek aan belangstelling opgeheven. Van Wageningen: ‘In het begin belden mensen met enige regelmaat, niet zozeer om misstanden te melden, als wel om goede plekken door te geven waar gehangen kon worden. Toen de media-aandacht wegebde werd het stil.’ Ook de hang-ouds brachten niet wat ervan was verwacht. ‘We hebben er één neergezet, in Oude Pekela’, zegt Van Wageningen, ‘maar die werd al een dag na ingebruikname verplaatst, door wie weet niemand, en vervolgens door hang_jongeren_ geconfisqueerd. Hij staat nu maar weer hier, op kantoor, we zoeken eigenlijk nog een bestemming voor dat bankje.’

Die confiscatie door hangjongeren wijst op een aspect van ‘het hangouderenprobleem’ waar in het onderzoeksrapport van Movisie veel aandacht voor is: de strijd om de openbare ruimte. Die zal, zo luidt de voorspelling, grimmiger worden. Allereerst omdat de openbare ruimte kwalitatief tekortschiet. Terwijl sinds de jaren negentig in nieuwbouwfolders elk suburbaan straatje als Ramblas wordt uitgeserveerd en elk waaihoekje een Djemaa el Fna heet, is de praktijk dat ‘bij de inrichting van de openbare ruimte nauwelijks naar verblijfskwaliteit wordt gekeken, en beheer en logistiek alle aandacht opeisen’, aldus Uyterlinde, ‘en dat wreekt zich.’ Bovendien is er te weinig van. ‘Er wordt wel gezegd dat we geen cultuur van openbare ruimte hebben, maar veel prozaïscher is dat het simpelweg niets oplevert. Openbare ruimte kost alleen maar geld.’

Terwijl aantrekkelijke publieke verblijfsruimtes zo schaarser worden, zal tegelijk het gebruik van die ruimtes door ouderen toenemen. Niet alleen vanwege de vergrijzing, maar ook omdat ouderen steeds langer zelfstandig blijven wonen, en ze steeds vaker ontmoetingsplekken buitenshuis zoeken, in plaats van, zoals voorheen, aan te schuiven bij de bingo in de bejaardenflat.

Die ruimteschaarste kan aanleiding geven tot spanningen tussen groepen. Dat er misschien nog geen hangouderenprobleem is, wil niet zeggen dat zoiets er niet kan komen. Dat de ouderen van de toekomst veel minder dan voorgaande generaties geneigd zullen zijn zich te voegen naar de wensen en grillen van anderen speelt daarbij een belangrijke rol. Want daar is iedereen het wel over eens. Wanneer de babyboomers zich – tune in, drop out – met rollator en scootmobiel op de pleinen en in de parken van (over)morgen melden, zullen ze zich daar niet zomaar uit laten verdrijven. Die ontwikkeling wordt nu al zichtbaar.

Daarbij gelden in die openbare ruimte steeds meer gedragsregels. Er mag niet worden rondgehangen, het nuttigen van zelf meegebrachte biertjes is uit den boze, et cetera. Steeds vaker ook wordt naleving afgedwongen met Algemene Plaatselijke Verordeningen: preventief fouilleren, samenscholingsverboden, opjaagbeleid. En waar dit niet helpt, doen bouwkundige aanpassingen de rest: bankjes worden verwijderd, muren krijgen scherpe randen zodat er niet gehangen kan worden.

Hangouderen bestaan, daar is geen twijfel over. Ook is er geen meningsverschil over de vraag of het een nieuw fenomeen betreft dan wel een mediageniek etiket voor iets dat van alle tijden is. Zoals een van de geïnterviewden in het Movisie-onderzoek zei: ‘Wij zijn geen hangouderen, we zitten hier gewoon.’ Een groot maatschappelijk probleem is het misschien nog niet, maar dat een combinatie van ruimteschaarste, vergrijzing en ‘grey power’ in het steeds strikter gereguleerde publieke domein van de toekomst nog voor spanningen kan zorgen, staat wel vast.