De derde wereld kan stikken

Met de rug naar de armoede

Geen minister maar een staatssecretaris behartigt de komende jaren de belangen van de Derde Wereld. Met de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken zal daar weinig van terechtkomen, meent Jan Pronk: «De Hoop Scheffer vindt belangen van het bedrijfsleven belangrijker dan mensenrechten.»

Ooit hoopte Jan Pronk dat Nederland op een dag een regering zou krijgen zonder minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Nu is het dan zo ver. Toch is Pronk er niet gelukkig mee. Hij vindt dat Nederland een stap terug doet: «In ons poldermodel is ieder belang vertegenwoordigd, behalve dat van de Derde Wereld.»

Pronk wilde dat elke minister van elk departement bij elk besluit ook een beetje aan de Derde Wereld zou denken. Die fantasie kwam waarschijnlijk voort uit zijn eigen frustratie: een minister voor Ontwikkelingssamenwerking moet altijd in zijn eentje opboksen tegen alle andere krachten. En dat gevecht sluit hij zelden winnend af. De problemen van de Derde Wereld blijven ondergeschikt aan de nationale belangen.

Ook zijn opvolgster Eveline Herfkens klaagt. De verkiezingsstrijd ging over van alles en nog wat, maar niet over ontwikkelingssamenwerking. En nu heeft het kabinet-Balkenende haar baan ook nog afgeschaft. Voor het eerst sinds 1965 heeft Nederland geen minister voor Ontwikkelingssamenwerking. En dat terwijl ons land jarenlang een leidende rol had bij de armoedebestrijding.

Nederland blijft nog wel 0,8 procent van het nationaal product besteden aan ontwikkelingshulp, maar de minister van Buitenlandse Zaken bepaalt vanaf nu welke vragende handen geld krijgen. Herfkens mocht dit geld naar eigen inzicht besteden. Zij mocht in discussie met de Tweede Kamer. Zij mocht elke week in de Trêveszaal aanschuiven bij het kabinetsberaad.

Jan Pronk: «Altijd kon de minister voor Ontwikkelingssamenwerking tijdens de ministerraad een stem laten horen voor degenen die zelf niet mee kunnen praten, een stem voor de zwakkeren die óók de gevolgen van de Nederlandse besluitvorming ondervinden. Het kabinet kon hierdoor evenwichtiger beslissingen nemen. Dat zal nu veranderen.»

De nieuwe staatssecretaris Agnes van Ardenne (CDA) mag zich in het buitenland dan wel minister noemen, in Den Haag moet ze maar afwachten wanneer ze mag meepraten. In de meeste gevallen zal ze moeten vertrouwen op de kundigheid van haar baas, Jaap de Hoop Scheffer.

Maar volgens Jan Breman, emeritus hoogleraar comparatieve sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, hebben de ministers voor Ontwikkelingssamenwerking in ons land nooit echt ruimte gehad om de belangen van de derdewereldlanden goed te behartigen: «Wat dat betreft maakt het niet veel uit of er een minister of een staatssecretaris zit.»

Breman is sowieso niet onder de indruk van de ontwikkelingssamenwerking: «Het beleid van de afgelopen jaren heeft nauwelijks tot armoedebestrijding geleid. Het Westen heeft meer invloed in de ontwikkelingslanden gekregen, maar de ziektes en de honger zijn er niet door verdwenen.» De hoogleraar verwijt Nederland een inconsequent beleid te voeren, waarin het niet bereid is corrupte landen op hun fouten te wijzen. «Ons land profileert zich graag als een vrijgevige donor. Het treurigste voorbeeld daarvan was toen premier Kok met een tulband op zijn hoofd in een vluchtelingenkamp met Afghanen westers voedsel uitdeelde, terwijl Amerikaanse vliegtuigen op datzelfde moment de Afghaanse steden bombardeerden. De tegenstelling tussen de kwellende hand en de helende hand blijft bestaan.»

In het nieuwe regeerakkoord staat onder het kopje ontwikkelingssamenwerking dat «de inzet van dit budget meer dan voorheen onderdeel wordt van een geïntegreerd buitenlands beleid». En daarbij kan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking de minister van Buitenlandse Zaken alleen maar voor de voeten lopen. Kortom: er is geen ruimte voor twee kapiteins op een schip.

Pronk ziet het probleem niet: «De minister van Buitenlandse Zaken is de kapitein: hij heeft altijd de beheersbevoegdheid gehad — de minister voor Ontwikkelingssamenwerking had officieel geen portefeuille. Beleid maken mogen ze allebei, het gaat immers om verschillende terreinen: het vertegenwoordigen van Nederlands belang in het buitenland tegenover het vertegenwoordigen van de belangen van de ontwikkelingslanden.»

De twee ministers mogen van Pronk ook best van mening verschillen over beleidszaken. «Belangrijk is dat ze het uiteindelijke kabinetsbesluit gezamenlijk uitdragen.» Verder wijst de oud-bewindsman erop dat er meer beleidsterreinen overlappen: «Milieu zou je bij Economische Zaken kunnen leggen en Verkeer en Waterstaat bij Ruimtelijke Ordening. Maar het gevaar van zo’n constructie is dat één van de belangen ondergesneeuwd raakt.»

Begin jaren negentig ging het een keer mis. Pronk, toen nog minister voor Ontwikkelingssamenwerking, dreigde de hulp aan Indonesië op te schorten als Soeharto de mensenrechten niet beter zou naleven. Het was de eerste keer dat ontwikkelingsgelden als politiek pressiemiddel werden ingezet. Hans van den Broek was niet te spreken over het optreden van Pronk. De regering steunde de minister van Buitenlandse Zaken en Pronk werd op het matje geroepen. Er ontstond een spanningsveld tussen diplomatieke contacten en de humanitaire hulp.

Later leverde de Nederlandse regering kritiek op de moordpartijen in Oost-Timor, waarna Indonesië liet weten geen prijs meer te stellen op Nederlandse bemoeienis. En dus ook niet meer op de ontwikkelingsgelden. Pronk — in deze kwestie in eerste instantie gesteund door de Kamer — kreeg de schuld van het conflict, pikant genoeg onder meer van Jaap de Hoop Scheffer, toen nog buitenlandwoordvoerder van het CDA.

Bram van Ojik, binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken nauw betrokken geweest bij de ministers Herfkens en Pronk, kan zich voor de rest geen conflicten tussen de ministers van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking herinneren: «Tussen Van Aartsen en Herfkens is de samenwerking zelfs altijd heel goed geweest. Er was een duidelijke taakafbakening.»

Nu moet De Hoop Scheffer, voormalig diplomaat in Ghana, als minister van Buitenlandse Zaken de belangen van de Derde Wereld behartigen. Van Ojik denkt dat zijn nieuwe baas er zin in heeft: «De Hoop Scheffer is iemand met veel belangstelling voor ontwikkelingssamenwerking. Als buitenlandwoordvoerder van zijn partij heeft hij er veel over gesproken en gepubliceerd.»

Pronk heeft er weinig fiducie in. «De Hoop Scheffer heeft al enkele malen laten zien waar zijn prioriteiten liggen. Zowel bij het conflict met Indonesië als bij de situatie in Srebrenica vond hij de commerciële belangen van het Nederlandse bedrijfsleven belangrijker dan de mensenrechten.»

En ook Breman is bang voor het eigenbelang. «We voeren een naar binnen gerichte politiek. We staan met onze rug naar het buitenland en keren ons tegen mondialisering.» Hij legt een verband tussen het verdwijnen van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en het aantreden van een minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie — volgens de hoogleraar «eigenlijk een minister tégen vreemdelingen».

Breman: «Het elan uit de jaren zestig en zeventig, waarin steun aan arme landen hoog op de agenda stond, is verdwenen. Dat zie je ook aan het mislukken van de grote conferenties over honger, ziekte en milieu. We hebben geen boodschap aan de Derde Wereld.» Hij verwijt Nederland een hypocriete houding: «Ons land is rijker geworden door investeringen in arme landen, zonder dat dit daar tot een daling van de armoede heeft geleid. Die mensen trekken erop uit, gaan op zoek naar een beter bestaan, maar wij willen ze niet opvangen. De vrijheid van kapitaal is er, de vrijheid van arbeid niet.»

Het integreren van de ontwikkelingshulp in het buitenlands beleid kan weleens leiden tot een politiek-strategische inzet: als instrument om invloed uit te oefenen op de politieke situatie in andere landen. Een dergelijk idee opperde Laurens-Jan Brinkhorst in juni in NRC Handelsblad: «Ontwikkelingsgelden moeten niet alleen worden besteed aan directe armoedebestrijding, maar ook aan het bevorderen van vrede en veiligheid en aan, bijvoorbeeld, remigratie», schreef de voormalige minister van Landbouw. Gevolg zou kunnen zijn dat een land als Zimbabwe, dat door Herfkens vanwege politiek wanbeleid niet in aanmerking kwam voor hulp, nu opeens wél ontwikkelingsgeld krijgt. Herfkens richtte zich puur op armoedebestrijding, zonder daarbij economische afwegingen te maken. Organisaties die slecht presteerden bij de armoedebestrijding, kregen van haar minder geld. Voor politiek moet je geen ontwikkelingsgeld gebruiken, was haar credo. En: goed beleid is niet te koop.

Pronk vreest dat de invloed van Nederland in de wereld van de ontwikkelingssamenwerking verandert. «In het buitenland kan de indruk ontstaan dat Nederland ontwikkelingssamenwerking niet meer belangrijk vindt. Nadat wij 35 jaar lang een vooraanstaande rol hebben gespeeld, is dat een veeg teken.»

Veel van de landen met een vergelijkbaar budget voor ontwikkelingssamenwerking hebben wél een eigen minister, een enkel land zelfs een minister én een staatssecretaris. Nederland kan nu aanschuiven bij de Zuid-Europese landen met lage budgetten. Ook die landen hebben alleen een staatssecretaris.

Breman nuanceert deze belangrijk rol van Nederland: «Ons land is allang geen gidsland meer. Herfkens liep in de pas met de internationale organisaties. Als je dat te lang doet, wordt je stem niet meer gehoord. We hebben de afgelopen tijd geen wezenlijke invloed gehad. Enkele jaren geleden hebben we nog geprobeerd om samen met de Scandinavische landen en Canada een progressief accent aan het beleid mee te geven door minder nadruk te leggen op het IMF en de Wereldbank. Maar daarvan zijn we weer teruggekomen. Het enige waarin we ons nu nog van andere landen onderscheiden is onze gulheid.»