De BVD speurt naar moslimfundamentalisten

Met de stroom mee

De BVD, tegenwoordig AIVD, heeft haar aandacht geheel gericht op moslimextremisme. De veiligheidsdienst wordt verweten zich daarbij voort te laten stuwen door de golven van moslimangst.

«Het is vooral retoriek van de BVD. Als je secuur kijkt, blijkt er eigenlijk niet zo veel aan de hand», zegt de Leidse islamoloog professor doctor Pieter Sjoerd van Koningsveld. Hij reageert op het onlangs verschenen jaarverslag 2001 van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, dat vorige week met veel tamtam aan de media werd gepresenteerd. Het is vooral moslim extremisme dat de dienst bezighoudt. «Wat ik echt erg vond», zegt Van Koningsveld, «is dat ze keihard in het openbaar spreken over die twee Marokkaanse jongens uit Eindhoven die in Kasjmir zijn vermoord, zonder dat er enig bewijs wordt gegeven.»

Volgens de BVD is gebleken dat «een in Nederland actief netwerk van moslimextremisme direct in verband gebracht kan worden met de tragische dood van twee Nederlandse, in Eindhoven woonachtige, jongemannen van Marokkaanse afkomst». De jongens, Ahmed el Bakiouli en Khalid el Hassnaoui, werden eind december doodgeschoten door Indiase militairen in Kashmir.

De BVD: «Vast staat dat het tweetal in Nederland werd gerekruteerd en geestelijk voorbereid op deelname aan de ‹jihad›, de heilige oorlog tegen alle vijanden van de islam. Ook in materiële zin ontvingen zij de ondersteuning die nodig was om aan het islamitische front het in hun ogen hoogst bereikbare te verwerven, te weten het martelaarschap. Het ging hierbij om jongens van de tweede generatie, die in Nederland zijn opgegroeid, een goede opleiding hebben genoten en vergaand geïntegreerd leken. Ook enkele andere moslimjongeren met een vergelijkbare achtergrond zijn inmiddels ontvankelijk gebleken voor dergelijke radicale opvattingen.»

De dienst laat zich niet uit over details; die vallen onder de noemer «operationele informatie». En die is geheim.

Als er geen details gegeven mogen worden, zeg dan liever niets, stelt Van Koningsveld. «In het jaarverslag wordt gerept van rekrutering in en om de moskeeën door radicale moslimorganisaties. Dat vind ik zeer verontrustend. Om welke moskeeën gaat het? Hoe groot is het gevaar? Dat moet je weten wil je iets aan die informatie hebben. Nu wordt juist het beeld bevestigd van ‹de› moskee als terroristisch centrum. Daar heeft niemand wat aan. Het werkt stigmatisering van de hele moslimbevolking in de hand. En het klimaat wás al niet best.»

Per undas adversas (tegen de stroom in), luidt het motto van de BVD, sinds vorige week omgedoopt in Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD). Er is een buitenlandpoot aan de dienst toegevoegd, en ze fungeert binnen een nieuwe wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

«Tegen de stroom in» dekt niet bepaald de lading van het jaarverslag. De dienst zwemt eerder met de stroom mee. Men laat zich voortstuwen op de golven van moslimangst, klinkt her en der het verwijt. Met de uitlatingen van de Rotterdamse imam el-Moumni, de aanslagen in de VS en het weer opgevlamde conflict tussen Israël en de Palestijnen is het beeld van de islam in Nederland er niet posi tiever op geworden. De BVD annex AIVD neemt dan ook geen blad voor de mond: terroristische aanslagen door moslimextremisten in Nederland kunnen niet worden uitgesloten; het integratieproces verloopt te stroef; er is «een begin van radicalisering» in de Marokkaanse gemeenschap: «Niet eerder is zo concreet zichtbaar geworden dat extreme godsdienstige opvattingen bij delen van de moslimgemeenschap ook risico’s met zich meebrengen op het vlak van radicalisering en terrorisme.» En: «Ten aanzien van organisaties die de grens tussen radicalisme en terrorisme overschrijden, bestaat geen ruimte meer voor nuances en volgt Nederland de inmiddels in breed internationaal verband geaccepteerde repressieve koers.»

Na haar wedergeboorte als AIVD heeft de veiligheidsdienst eindelijk haar nieuwe vijand gevonden.

In 1992 zag minister van Binnenlandse Zaken Ien Dales al een grote toekomst voor het moslimextremisme als onderzoeksgebied van de BVD. Zij wees nadrukkelijk op de gevaren van immigratie: «Een mogelijk neveneffect van migratie uit Zuid-Europese en Noord-Afrikaanse landen is de verdergaande radicalisering of fundamentalisering van de moslimgemeenschappen in den vreemde, die zijn weerslag kan hebben op de verhoudingen tussen deze migrantengroepen in Nederland en hun houding ten opzichte van de Nederlandse samen leving.»

De BVD, na het communisme enigszins op zoek naar redenen van bestaan, greep dit onderzoeksterrein met beide handen aan. De dienst houdt zich sindsdien volgens eigen zeggen bezig met drie groepen binnen de islamitische gemeenschap: personen die zich dienstbaar opstellen ten opzichte van buitenlandse mogendheden («spionnen»); mensen die Nederland compromitteren door hun (gewelddadige) activiteiten ten aanzien van andere mogendheden, en mensen die de bestaande orde afwijzen en een eigen islamitische orde willen instellen. De BVD beweert dat vooral radicale representanten van de politieke islam in de gaten worden gehouden. De praktijk laat echter een ander beeld zien. Juist breed genomen blijkt de islam een prima onderwerp voor de dienst om zich te profileren.

In 1994 concludeerde de Rotterdamse Erasmus Universiteit, in samenwerking met de BVD, dat er sprake was van pogingen om integratie tegen te gaan vanuit moslim-religieuze hoek, maar dat de in Nederland wonende moslims zich op dit gebied weinig aantrokken van hun religieuze voormannen. Fundamentalistische moslims waren volgens de onderzoekers in Nederland zo goed als afwezig. Voor de BVD was dat geen reden om het ingeslagen pad te verlaten, integendeel.

Jaar in, jaar uit worden grote delen van het georganiseerde moslim leven in Nederland in kaart gebracht. En elk jaar is er een andere invalshoek. In 1995 komt de dienst met de analyse dat er weliswaar geen gevaar is te duchten van radicale moslims, maar dat er in de Nederlandse maatschappij zulke ernstige vooroordelen tegen de islam aanwezig zijn dat dit de integratie tegengaat: «(…) berichten over aanslagen van islamitische terreurgroepen in het buitenland hebben een uitermate stigmatiserend effect op de totale islamitische gemeenschap in Nederland. Dit heeft schadelijke gevolgen voor het integratiebeleid.» Slechte integratie, stelt de dienst, werkt radicalisering in de hand.

Die vaststelling mondt in 1998 uit in het rapport De politieke islam in Nederland. «Doel was om politiek en bestuur in een openbaar rapport een betrouwbaar beeld te geven van betekenis en omvang van de radicale islam in Nederland», aldus de BVD. Wederom concludeert de dienst dat er slechts een zeer kleine groep radicale moslims in Nederland verblijft, die zich grotendeels op het buitenland (het eigen moederland) richt. Minister Peper van Binnenlandse Zaken concludeert dan ook: «Inhoudelijk gezien levert het rapport de voor Nederland geruststellende gedachte op dat de gevaarzetting vanuit de politieke islam van een zeer bescheiden groep afkomstig is.»

In 1999 start de BVD een apart onderzoek naar de bemoeienis van orthodox-islamitische regimes met het islamitische onderwijs in Nederland. Dit rapport wordt onder de titel De democratische rechtsorde en islamitisch onderwijs in februari 2002 gepresenteerd. «Ik haat dit type onderwijs», briest staatssecretaris van Onderwijs Karin Adelmund in een uitzending van Nova, doelend op islamscholen die in haar ogen extremisme verspreiden. Die opmerking wordt met hoon ontvangen, want de conclusie van de BVD is juist dat het met de invloed van de radicale islam in het basisonderwijs nogal meevalt. In enkele schoolbesturen hebben weliswaar leden zitting die banden hebben met radicaal-islamitische organisaties of daarmee sympathiseren, maar dat zij die overtuiging ook uitdragen in de scholen kan niet gezegd worden. «Zeer weinig leerkrachten op islamitische scholen» koesteren radicale overtuigingen, en «beïnvloeding door islamitische gidslanden» komt nauwelijks voor. Sterker nog, de invloed van buitenlandse instellingen op islamitische onderwijsinstellingen is juist tanende, aldus de veiligheidsdienst.

Na de aanslagen van 11 september 2001 is het gedaan met de temperende toon van de BVD. De Nederlandse regering komt met het Actieplan terrorisme en veiligheid, waarin ze de BVD enkele tientallen miljoenen guldens extra toebedeelt voor haar strijd tegen het terrorisme. In het jaarverslag 2001 meldt de dienst dat er sinds begin jaren negentig een netwerk is ontstaan van militante moslims die gevochten hebben in Afghanistan, Tsjetsjenië en Bosnië; verspreid over West-Europa. Oók in Nederland. Ze vinden onderdak in het illegalen circuit. Sinds halverwege de jaren negentig is dat netwerk zich aan het professionaliseren, met steun van al-Qaeda. Afghanistan-veteranen zoeken steeds meer contact met de legale moslimwereld in onder meer Nederland. «Leden van dit netwerk blijken tevens in staat om in West-Europa andere moslims, zowel illegalen als leden van de gevestigde islamitische gemeenschappen, te radicaliseren of zelfs in te schakelen bij de ondersteuning of uitvoering van gewelddadige activiteiten. Verschillende radicale moslims naar wie de BVD in 2001 onderzoek instelde, zijn op deze wijze bij de islamitische strijd betrokken geraakt.»

Sinds de aanslagen in New York en Washington zijn bij verschillende acties (de laatste eind april) zeker zestien personen in Nederland gearresteerd op verdenking van moslimextremistische terreur. Voor zover bekend had slechts één arrestant de Nederlandse nationaliteit. Hij is op vrije voeten gesteld, net als zes andere verdachten.

De BVD geeft in haar laatste jaarverslag aan anders tegen (moslim)terrorisme aan te kijken: «De aanslagen in de VS hebben nog weer eens pijnlijk aan het licht gebracht dat terrorisme een zaak van lange adem is. Terroristen in de sfeer van het islamitisch radicalisme worden niet gedreven door een drang naar snelle successen, maar handelen in het licht van de eeuwigheid. (…) Een dergelijke werkwijze dwingt de veiligheidsdiensten rekening te houden met een geheel andere tijdshorizon. Er moet geïnvesteerd worden in operaties en inzet van middelen over veel langere termijn dan voorheen, waarbij perioden van geringe opbrengst niet te snel mogen leiden tot vermindering of stopzetting van de aandacht van bepaalde personen en groeperingen.» De extra miljoenen uit het Actieplan terrorisme en veiligheid zullen dan ook voornamelijk besteed worden aan het in de gaten houden van grote delen van de moslimgemeenschap in Nederland.

PvdA-parlementariër Bert Koenders kijkt kritisch naar de plotselinge dadendrang van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. Hij stelde kamervragen naar aanleiding van de stellige uitspraken van de BVD over de betrokkenheid bij terrorisme van de twee in Kasjmir vermoorde jongens. Hij wil onder meer weten hoe lang de BVD al bekend was met de rekrutering door extremisten; of er al zicht is op onderzoeksgegevens uit India, waar hij al veel eerder om vroeg, en of de ouders van de jongens zijn ingelicht vóór de presentatie van het BVD-verslag. Koenders: «De BVD-informatie moet niet onderschat worden, maar de Kamer had op z’n minst vóór de presentatie van het verslag moeten weten wat de dienst te melden had. Wat kunnen wij als volksvertegenwoordigers inbrengen als we geconfronteerd worden met een conclusie die uit de lucht komt vallen? We hebben meer feiten nodig, meer analyse. Het is écht van belang dat we te horen krijgen wat er precies gebeurd is daar in Kasjmir, om te voorkomen dat er indianenverhalen ontstaan.»