De dubbele bodem van de rechtse ironie

Met de tjoeki tjoeki naar Takki Takki

Rechts Nederland gebruikt humor om te kunnen zeggen wat niet gezegd mag worden. Die ironische traditie loopt van Gerard Reve via Theo van Gogh tot het dit jaar jubilerende GeenStijl.

Hoe kun je Marokkanen uitmaken voor Rif-apen, vrouwen als neukobjecten portretteren en tegenstanders publiekelijk dood wensen, en er nog mee wegkomen ook? Natuurlijk: door het te doen met een ironische knipoog. Het is de humor die weblog GeenStijl ertoe in staat stelt om te zeggen wat normaliter niet gezegd mag worden. Dit jaar beleeft GeenStijl zijn tienjarig jubileum.

Sinds de oprichting van de site in 2003 heeft GeenStijl zich ontwikkeld tot een dominante aanwezigheid op het internet, een toonaangevende actor in het Nederlandse media­landschap en een van de grote gangmakers van de verrechtsing van zowel de kwaliteitskranten als de publieke omroep. De laatste jaren heeft de weblog aan slagkracht verloren. GeenStijl is in zekere zin slachtoffer geworden van het eigen succes, want het is inmiddels ‘vuistdiep’ door­gedrongen in het gevestigde medialandschap. De Volkskrant heeft Bert Brussen en Jan Bennink, HP de Tijd Bas Paternotte, de publieke omroep kent PowNed en de Telegraaf Media Groep is nooit ver uit zicht. Wat ooit een marginale en rebelse jongensclub was, behoort inmiddels tot de canon van de Nederlandse media­cultuur. Diffuser dan voorheen, maar overal aanwezig.

Sommige commentatoren veroordeelden GeenStijl de afgelopen jaren als een vorm van verhuftering of culturele ontaarding van de lagere middenklasse. Zij zien iets belangrijks over het hoofd. Neem Dick Pels, die in een essay uit 2009 ‘de scheldtoon van internet-reaguurders’ in verband brengt met ‘het onbehagen van maatschappelijk teleurgestelden’, met ‘hufter­gedrag in het verkeer en onfatsoenlijkheid in de openbare ruimte’. Wat dit soort analyses stelselmatig over het hoofd zien is het feit dat de shockerende humor van GeenStijl niet ‘van onder’ komt maar juist ‘van boven’. Het is een literaire techniek, een afgeleid product van de hogere cultuur. GeenStijl is het beste te begrijpen als de gepopulariseerde vorm van een belangrijke literaire en intellectuele traditie.

Als we met een dergelijke bril kijken naar de teksten van GeenStijl, dan vallen twee elementen op die bij nader inzien met elkaar verbonden blijken te zijn. Allereerst kenmerkt de site zich door een nihilistische oriëntatie, die klassiek nietzscheaans lijkt in inspiratie. Ten tweede vertoont het gebruik van humor door GeenStijl veel kenmerken van een literaire vorm die de Russische literatuurcriticus Mikhail Bakhtin ooit heeft beschreven als ‘het carnavaleske’. De term verwijst naar een literaire stijl die erop gericht is (literaire) conventies te doorbreken door middel van grof taalgebruik, humor en verwarring. Deze carnavaleske stijl is op haar beurt weer verbonden met de ironische kwaliteit van het schrijven van GeenStijl. Het zijn elementen die niet door GeenStijl zelf zijn bedacht of samengebracht. Ze zijn afkomstig uit een langere satirische en intellectuele traditie op rechts. Die loopt van Gerard Reve tot Theo van Gogh, Theodor Holman, Propria Cures en, inderdaad, ook GeenStijl.

De nihilistische, nietzscheaanse inspiratie van GeenStijl is het duidelijkst verwoord in het inmiddels bekende Hufter Manifest. Het is een tekst die in 2010 gepubliceerd werd als reactie op het boek van Bas van Stokkum over verhuftering. In het ironisch geschreven manifest wordt een epische strijd geschetst tussen de hufters en de fatsoensterroristen, waarbij de hufters de good guys zijn en de fatsoensrakkers het te bestrijden kwaad. ‘De hufters zorgen juist voor transparantie en vooruitgang. Het zijn de fatsoens­terroristen die de daadwerkelijk asocialen zijn en die Nederland proberen te vangen in hun status quo.’

Hufters zijn volgens het manifest mensen die lastige vragen durven stellen, die voor zichzelf denken en buiten de bestaande morele consensus durven te treden. Hufters blijken mensen te zijn als Copernicus en Darwin. Die hebben vooruitgang mogelijk gemaakt door zich niets aan te trekken van religieuze ‘fatsoens­terroristen’. De verhuftering is volgens de GeenStijl-redactie dan ook een positieve tendens die met volle overgave omarmd moet worden. ‘Verhuftering is je niets aan trekken van de kritiek of de complimenten van anderen.’ En: ‘Verhuftering is ontdekken, aantonen en constant de fundamenten van je wereld in twijfel trekken.’

Voor de oplettende lezer begint het hier al enigszins op te vallen. GeenStijl schrijft over (metafysische) fundamenten die in twijfel moeten worden getrokken. Wie doorleest ontdekt dat het Hufter Manifest verdacht veel parallellen vertoont met de moraalfilosofie van Friedrich Nietzsche uit Voorbij goed en kwaad. Nietzsche ageert hier tegen wat hij de slavenmoraal en de kuddemoraal noemt. Hij verzet zich tegen de waarden die voortkomen uit de overheersten en afhankelijken en die zich hebben ingebed in de christelijke ethiek van naastenliefde en het gelijkheidsdenken van de socialisten. Hier­tegenover plaatst Nietzsche de herenmoraal – de ‘verheven zielsinhouden’ van de aanzienlijken en de machtigen die zichzelf als leidraad durven nemen. Zo schrijft Nietzsche: ‘De mens van het voorname type is voor zijn gevoel zelf waardebepalend, hij heeft geen goedkeuring nodig, hij oordeelt “wat voor mij schadelijk is, is schadelijk als zodanig”, hij ziet zichzelf als iets waaraan de dingen pas hun eer ontlenen, hij is waardenscheppend.’

Het Hufter Manifest is een knappe vertaling van deze nietzscheaanse thema’s naar het domein van de populaire cultuur. De hufters staan gelijk aan de herenmoraal. De ‘fatsoens­terroristen’ staan voor de slaven- en de kuddemoraal. Nietzsche stelt dat de voorname mens geen behoefte heeft aan de goedkeuring van anderen en uitgaat van experiment en het overschrijden van grenzen. GeenStijl schrijft over hufters die ‘over het hek springen om de wildernis te verkennen’.

Nietzsche klaagt over de kuddemoraal die zich kenmerkt door een sterk conformisme aan de moraliteit van de groep. GeenStijl beschrijft fatsoensterroristen als ‘een kudde koeien die MAGNIET! loeien naar de uitgebroken koe, terwijl ze zich protestloos naar het slachthuis laten leiden’. Ook het christelijke karakter van de slavenmoraal zien we terug bij de fatsoens­terrorist uit het manifest, ‘die hel en verdoemenis predikt en God of Godwin erbij sleept om zijn misplaatste standpunt kracht bij te zetten’.

De dappere, voorname mensen, aldus Nietzsche, ‘staan het verst af van de moraal die juist in medelijden, activiteit ten bate van anderen of onbaatzuchtigheid een blijk van moraliteit ziet; geloof in zichzelf, trots op zichzelf, een houding van elementaire vijandschap en ironie tegenover onbaatzuchtigheid behoren al even stellig tot de voorname moraal als een lichte geringschatting en voorzichtigheid ten aanzien van medegevoel en een “warm hart”’.

We lezen dan ook dat ‘fatsoensterroristen’ zich op hun best voelen ‘als ze zich hartstochtelijk beledigd kunnen voelen namens een groep mensen waar zij niet bij horen. “Ik heb zelf geen rood haar, maar ik vind het onfatsoenlijk dat je zegt dat roodharige mensen geen ziel hebben! Zulke opmerkingen raken me in mijn hart!” Dat soort. Niet alleen omdat ze vinden dat het fatsoenlijk is om voor iedereen op te komen, maar ook omdat ze oprecht menen dat beledigde groeperingen de weerstand hebben van een aidspatiënt met longemfyseem.’

Ook de felle polemische toon van GeenStijl krijgt nieuwe betekenis als we die bekijken in het kader van de eigenschappen die Nietzsche toekent aan de herenmoraal: het zoeken van ‘verfijning in de vergelding’ en de ‘noodzaak om vijanden te hebben’ als afvoerkanalen voor emoties als jaloezie, strijdlust en overmoed. De belangrijkste paradox hier is natuurlijk dat het elitaire afgeven op de kuddementaliteit van het gewone volk dat we bij Nietzsche vinden, in het GeenStijl-manifest gereproduceerd wordt voor een publiek dat zelf een digitale kudde is: de reaguurders.

Het is een blijvende contradictie. Verder is duidelijk dat de flirt met het nihilisme van Nietzsche maar zeer gedeeltelijk opgaat wat de rest van de GeenStijl-schrijfsels betreft. Als het aankomt op criminaliteit en ordehandhaving dan blijkt GeenStijl opeens een fervent verdediger van de bestaande morele orde. Dan roept de weblog net zo goed MAGNIET! naar de uitgebroken koe, zeker als het geen roomblanke Nederlander betreft. Blijkbaar zijn het voornamelijk de destructieve kwaliteiten van het nihilisme die hier worden ingezet. In positieve zin kunnen we stellen dat GeenStijl een hedendaagse conservatieve politiek voorstaat die zich richt op de hardwerkende Nederlander, het herstel van het gezag en meer traditionele sekse­verhoudingen – de haat voor het feminisme kent geen grenzen op de GeenStijl-burelen.

Deze nihilistische motieven gaan samen met een zeer vernuftig gebruik van humor. Zie Bakhtin, die in de beroemde studie Rabelais en zijn wereld op briljante wijze een theorie van het carnaval formuleerde. Bakhtin zag in zijn verkenning van het carnaval een manier om het werk van de Franse humanistische schrijver François Rabelais (1494-1553) te kunnen duiden. Volgens Bakhtin wordt de stijl van schrijvers als Rabelais en tijdgenoten als Shakespeare, Boccaccio, Dante, Cervantes gekenmerkt door een carnavaleske techniek, erop gericht om de bestaande orde op stelten te zetten, via literaire ontregeling en de lach. De studie van Bakhtin is een ode aan het maatschappijkritische potentieel van de carnavaleske volkscultuur van de lach. Tegelijkertijd wordt zijn werk door velen gezien als een bedekte aanval op de repressieve orthodoxie van het stalinistische regime, waarmee Bakhtin al eerder in zijn leven in aanvaring was gekomen.

Carnaval creëerde een bevrijde vorm van spreken, los van etiquette en algemene noties van fatsoen. Deze vrije vormen van spreken overleefden buiten het carnavalsseizoen, in de vorm van satire, schot- en smaadschriften, in voorstellingen en het theater, in de volkse taal van het marktplein, gevuld met scheldwoorden, obsceniteiten en andere vormen van taalkundige innovatie en transgressie. Bijzonder aan de carnavaleske humor is dat de nar die de grappen maakt zich niet boven en buiten het object van spot plaatst. Hij bespot altijd ook zichzelf.

Dit type humor, zo stelde Bakhtin, was een integraal onderdeel van de schrijfstijl van Rabelais en zijn tijdgenoten (hij noemt ook Lof der Zotheid van Erasmus) en zou vanaf de Renaissance opgaan in de Europese literaire traditie. Een vergelijkbare techniek van humoristische transgressie zien we bij GeenStijl. De weblog is in staat om dingen te zeggen die normaliter niet gezegd mogen worden, tot aan openlijk racisme en seksisme aan toe. Dit alles omdat GeenStijl op klassieke carnavaleske wijze alles belachelijk maakt. Ook zichzelf.

GeenStijl heeft dit natuurlijk niet zelf ontdekt. Het gaat terug op een bredere satirische traditie in Nederland. Bas Heijne schaarde het in een van zijn columns onder de ‘reviaanse ironie’. ‘De taal van de huidige politieke revolte’, aldus Heijne, ‘is doordrenkt van reviaanse ironie – het half ironisch, half serieus sarren van die brave progressieve weldenkenden met hun humorloze bedilzucht en morele zelfgenoegzaamheid. “Ze moesten een brandende poppenwagen je kutwerk binnenrijden”, luidt de favoriete zin van veel revianen. Daar zit het allemaal in – die hyperbolische agressie die echte woede uitdrukt, maar tegelijk ook komische onmacht.’

We hebben hier niet van doen met de luchtige socratische ironie in de oorspronkelijke Griekse betekenis van het woord: eironeia, oftewel geveinsde onwetendheid. De reviaanse ironie is niet de subtiele ironie van de socratische dialogen, waarin Socrates zijn gesprekspartners in de val weet te lokken door zich onnozel voor te doen en een serie van schijnbaar onschuldige en olijke vragen te stellen.

Het vertoont misschien overeenkomsten met de ironie van Kierkegaard, die schreef dat het goed was als de harmonieuze droogstoppels in verwarring verkeerden, en niet meer wisten hoe te reageren op continue zelfparodie, onophoudelijk heen en weer geslingerd tussen geloof en ongeloof. Om uiteindelijk wat als grap bedoeld is serieus te nemen, en wat serieus bedoeld is voor een grap aan te zien. Kierkegaard zag ironie als een verkleedpartij, zij het vrij aristocratisch en verfijnd. Vergeleken daarmee is de reviaanse ironie eerder een grof gebekte variant, puttend uit de bevrijde en obscene taal van het carnaval. Misschien kunnen we spreken van een carnavaleske ironie.

‘Het beste van GeenStijl druipt van reviaanse ironie’, zo stelde Bas Heijne in zijn column. Het wekt weinig verwondering dat Reve ironie op vergelijkbare wijze heeft ingezet als GeenStijl: om de grenzen van wat gezegd kan worden te overschrijden. In 1972 schreef Reve in een gepubliceerde brief aan Simon Carmiggelt dat migranten uit Suriname, Curaçao en de Antillen ‘allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki tjoeki stoomboot’ gezet moesten worden, ‘enkele reis Takki Takki Oerwoud, meneer!’

Daar zou het niet bij blijven. In augustus 1974 publiceerde Reve het gedicht ‘Voor eigen erf’ in Propria Cures, het satirische Amsterdamse studenten­blad dat later bestierd zou worden door Theo van Gogh en nog weer later door Marck Burema, de latere hoofd­redacteur van GeenStijl. ‘Gooi al dat zwarte tuig eruit, ons land voor ons. Op naar de Blanke Macht!’ zo eindigde het ironische en hyperbolische gedicht.

Desondanks was er weinig of geen reactie na de publicatie. Dat veranderde toen Reve in 1975 het gedicht op theatrale wijze voordroeg op de Nacht van de Poëzie in Kortrijk. Een heuse rel was geboren. In een aflevering van Andere tijden, genaamd ‘Het raadsel van Reve’, is te zien hoe de Surinaamse advocaat André Haakmat na afloop van de voordracht Reve confronteert met de kritiek ‘vuil racisme’ te bedrijven. De reactie van Reve is opmerkelijk. De ironie blijkt plots verdwenen. ‘Omdat die negers in Suriname 125 jaar geleden slaven waren, is dat het recht dat hun achterkleinkinderen naar Amsterdam komen en van de steun leven?’ antwoordt een opgewonden Reve in de documentaire.

Mulisch zou later schrijven dat Reve ‘door de dubbele bodem van de ironie is gezakt’: ‘Dat is het ironische van de ironie: dat zij het plotseling niet meer is. Wie ironisch spreekt, zegt het tegendeel van wat hij meent, maar zodanig, dat de ander dat doorziet. Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig, dat de ander dat niet doorziet en denkt nog steeds met ironie te doen te hebben…’ Als reactie op de consternatie stuurde Reve een ingezonden brief naar Het Parool. Hij beschreef zijn gedicht als een in ‘primitieve, vermoedelijk in al te vulgaire bewoordingen gestelde alarmkreet’. ‘Ik bedoel niet letterlijk wat in het gedicht staat, want ik ben geen racist en de neger heeft mijns inziens recht op een plaats onder de zon gelijkwaardig aan die van de blanke. Ik heb echter door dit brute middel bij miljoenen gehoor gevonden voor mijn betoog, volgens hetwelk de immigratiepolitiek van de Nederlandse regering, die massaal mensen binnenlaat, voor wie er in Nederland geen werk, geen woonruimte en geen toekomst is, en slechts verpaupering en criminaliteit in het verschiet liggen, tot een ramp zal moeten voeren.’

Los van de morele kwestie, duidelijk is dat Reve zich hier opstelt als een politiek geëngageerd auteur. Ironie is hier niet het tegenovergestelde van engagement, zoals P.F. Thomése onlangs nog beweerde. Voor NRC Handelsblad schreef Thomése een lange lofzang op de ironie, waar hij in zoveel woorden stelde dat de geëngageerde schrijver zich niet kan uitspreken over de wereld. De clownsneus van de ironicus blijft altijd zichtbaar. De vorm speelt hem parten. Zijn woorden zullen altijd anders begrepen worden dan ze zijn bedoeld.

Bij nader inzien is dit niet veel meer dan postmodern verwoorde jaren-negentig-onzin. Wat we zien bij Reve is het tegenovergestelde: de clowneske ironie is juist een instrument ten dienste van het engagement. Het is bovendien een vorm van engagement die de tijd wonderwel heeft doorstaan (in tegenstelling tot bijvoorbeeld Mulisch, wiens verbintenis aan Cuba niemand meer helemaal serieus kan nemen). Want in de huidige tijd is het precies deze clowneske, ironische en hyperbolische vorm van engagement die we terugvinden bij GeenStijl, waar men al zo’n tien jaar een continue en goed­gestileerde alarmkreet slaakt.


Merijn Oudenampsen is socioloog, politicoloog en publicist