Den Haag, 26 juli. Demissionair premier Mark Rutte en demissionair minister Hugo de Jonge tijdens een toelichting van het coronabeleid © Phil Nijhuis / ANP

Er zijn ministers voor minder weggestuurd. De minister van Volksgezondheid veroorzaakte hoogstpersoonlijk een ongekend steile, vierde besmettingsgolf. De minister die zo graag goed nieuws brengt, een woordgrapje maakt en met zijn ‘boerenverstand’ aanvoelde dat meer jongeren zich zouden laten inenten als ze direct na de prik de disco in mochten, tegen elk wetenschappelijk bewijs in. Het rivm schat dat er dankzij Hugo’s piek 250 ic-patiënten in het verschiet liggen.

EenVandaag onthulde bovendien dat het kabinet al ruim twee weken voordat ‘testen voor toegang’ en ‘dansen met Janssen’ van start ging wist van grote problemen met het controleren van testbewijzen en QR-codes. De GGD Utrecht toonde aan dat op het super spreader event-festival Verknipt al meer dan honderd besmette bezoekers rondliepen, omdat je toegang kreeg met een negatieve test tot maar liefst veertig uur oud.

Daags na het weer op slot gooien van het nachtleven rekende dagblad Trouw al koeltjes voor hoe slecht testen voor toegang eigenlijk in elkaar zat, alleen al vanwege de kans op vals negatieve testuitslagen: ‘Die is bij weinig verspreiding van het coronavirus ongeveer 0,3 procent. Vertaal dat percentage naar de hoeveelheid testen in de afgelopen weken en je komt uit op 1650 besmette mensen die zich met een negatieve test veilig waanden en als vanouds los gingen.’ omt-lid Marion Koopmans zei over ‘dansen met Janssen’ tegen de NRC: ‘Dit zouden wij nooit geadviseerd hebben.’

De politieke afrekening met Hugo de Jonge bleef uit. Dat is omdat De Jonge precies doet wat er de afgelopen tien jaar van ministers in Den Haag verwacht wordt.

De oprecht geïnteresseerde persconferentiekijker buiten Den Haag kan na anderhalf jaar niet anders dan verbijsterd concluderen dat het kabinet telkens overvallen raakt, ongefundeerd optimistisch is en geen halve meter vooruit kijkt in de toekomst, laat staan zich laat informeren door ervaringen van landen om ons heen. De corona-aanpak van het kabinet lijkt volledig gefixeerd op de korte termijn en een samenhangende visie te ontberen.

En dat klopt, maar het is belangrijk om daarbij te beseffen: die manier van besturen is niet nieuw. Wat we de afgelopen anderhalf jaar aan stuntelend crisismanagement voorbij zagen komen was slechts een uitvergrote, door de pers gedetailleerd verslagen incidentenpolitiek, die eigenlijk business as usual is. Er zit geen rode draad in de aanpak, en dat is precies de succesformule die Mark Rutte al tien jaar in het Torentje houdt.

Rutte is een meester in het ontrafelen wat samenhangend is, patronen tot incidenten verklaren en structurele maatschappelijke problemen retorisch opbreken in kleine, losse stukjes. Denk aan zijn absolute weigering om te spreken over institutioneel racisme, ‘dat is een sociologisch begrip’. Het is natuurlijk ook een begrip waarmee je wijst op de structurele, aanhoudende kanten van racisme, voorbij een racistisch incident. Rutte houdt niet van die lange lijnen, fameus is zijn kenschets van politieke visie als ‘een olifant die het zicht belemmert’. Rutte’s grand metaphor voor Nederland is een vaasje.

In zijn essaybundel De gelukkigste man van Nederland omschrijft Groene-redacteur Joost de Vries Rutte’s politiek als een politiek van de geruststelling, niet door middel van een groot, zorgvuldig uitgedacht verhaal waarin je kunt vluchten, maar door de samenhang van onze (en zijn) problemen stelselmatig te ontkennen.

Bij een recent bezoek aan de overstroomde delen van Limburg liet Rutte zich eventjes ontvallen dat hij een verband zag tussen het ongebruikelijk hoge water en klimaatverandering. Al is zijn standpunt ook dat we niet moeten doorslaan en ‘lekker moeten kunnen blijven barbecuen’. Nadat de Kamer haar rapport over de toeslagenaffaire ‘Ongekend onrecht’ had genoemd zag Rutte zelf geen reden om op te stappen, bleek uit een reconstructie van de NRC. Toen bewindslieden van andere partijen daarop aandrongen vond hij het evenwel prima. De getroffen ouders kregen dertigduizend euro compensatie.

Onder Rutte zijn er alleen maar incidenten. En hij is dé man om ze voor je op te lossen.

De Amerikaanse politicoloog Elmer E. Schattschneider omschreef in zijn klassieke boek The Semi-Sovereign People (1960) een moderne democratie als een bestuursvorm die ruimte laat aan het agenderen van talloze maatschappelijke problemen. Zijn inzicht was dat in een vrije democratie er niet één fundamenteel maatschappelijk probleem was zoals arbeid versus kapitaal, economie versus milieu of zwart versus wit, maar dat allerlei ongelijkaardige maatschappelijke problemen met elkaar wedijveren om een prominent plekje op de politieke agenda. Van circusolifant Buba tot het klimaat, van het Europese herstelfonds tot straatintimidatie.

Onder Rutte zijn er alleen maar incidenten. En hij is dé man om ze voor je op te lossen

Het succes van een moderne politicus, zo redeneerde Schattschneider, hangt af van haar of zijn vermogen om maatschappelijke problemen die electoraal voordelig zullen uitpakken prominent op de agenda te krijgen, en problemen waarbij de politicus niets te winnen heeft weg te drukken. Als je als politicus niets te winnen hebt bij een publieke verantwoording over een maatschappelijk probleem, hou je het liever buiten de deur. Dan ben je liever geen ‘probleemeigenaar’.

Of Rutte nu van Schattschneider gehoord heeft of niet, deze les heeft hij goed begrepen. Neem het grootste vraagstuk van de eeuw, klimaatverandering. Dat werd beleidsmatig uitonderhandeld in twee reusachtige akkoorden bij de ser. Meer dan tachtig maatschappelijke organisaties en bedrijven spraken mee. De verantwoordelijkheid van het kabinet, en daarmee het politieke ‘afbreukrisico’, loste op in die brij van polderpartijen. Net zo ging het bij dat andere hoofdpijndossier, de hervorming van het pensioenstelsel.

Als een van de voornaamste strategieën om maatschappelijke kwesties waar je liever niet op aangesproken wordt van de agenda af te managen noemt Schattschneider decentralisatie. ‘Eén manier om de reikwijdte van een probleem in te perken’, schreef hij, ‘is het lokaal te maken.’ En zo geschiedde met de jeugdzorg en ouderenzorg, twee klassieke verzorgingsstaatskwesties waar een vvd-politicus geen eer aan kan behalen. Al vroeg in zijn premierschap belandden die op het bord van de burgemeesters.

Op het gebied van het lerarentekort, de stikstofcrisis, georganiseerde drugscriminaliteit of de crisis op de woningmarkt ligt er niet eens het begin van een coherente kabinetsvisie. Je zou kunnen zeggen: wie geen visie of langetermijnstrategie openbaart kan er ook niet op afgerekend worden. En dus ook omgekeerd: wie liever niet op de vingers gekeken wordt, kan maar beter geen duidelijke langetermijnvisie openbaren.

Op het niveau van beleid vertaalt deze politiek zich naar een stoet van tijdelijke commissies, wetten die we later nog gaan evalueren, eenmalige subsidies en nauwelijks doorgerekende overheidsprogramma’s met vaag gedefinieerde doelen. Alle aanpak is tijdelijk, opgeknipt, incidenteel en bij voorkeur een pilot. Met name een pilot is iets machtig moois: het is half maatregel, half onderzoek naar de effecten van die maatregel. Daarmee kan een bestuurder iets doen zonder dat hij vooraf hoeft te verantwoorden waarom dat verstandig is; óf het verstandig is blijkt namelijk sowieso pas achteraf.

De field labs, waaronder het Eurovisie Songfestival, waren in wezen pilots. Grootschalige evenementen die ons moesten leren of grootschalige evenementen verstandig waren. (Toen bleek dat de field labs uiterst ondoorzichtig waren opgezet en gefinancierd, eigenlijk tegen alle normen van goed bestuur in, zei De Jonge: ‘We maken leuke dingen mogelijk.’)

Met de rest van de corona-aanpak ging het niet anders. Onderzoek van platform Investico voor De Groene Amsterdammer liet afgelopen december zien dat De Jonge al in maart zo veel mogelijk verantwoordelijkheden naar lagere overheden overhevelde, naar de ggd’en en de burgemeesters in de ‘veiligheidsregio’. De langetermijnvisie van de ‘testsamenleving’ bleek niet van het kabinet, maar uitbesteed. Die kwam van werkgeversorganisatie vno-ncw.
In datzelfde onderzoek citeerde Investico de crisisdeskundige Arjen Boin, die de aanpak van de eerste golf evalueerde en constateerde dat er op de ministeries geen enkel strategisch kader is opgetuigd. ‘Het is geen rocket science. We zitten in een landelijke crisis, dan moet je als ministerie een strategie maken. Dit niet doen is het ontkennen van je politieke verantwoordelijkheid’, zei Boin toen. ‘Het lijkt alsof het ministerie met de vingers in de oren en de handen voor de ogen staat.’

Ander onderzoek van Investico naar het trage en chaotische begin van het vaccinatieprogramma liet zien dat daar aanvankelijk wel degelijk een heldere strategie lag, indertijd geformuleerd door de Gezondheidsraad. Maar wat bleek: nog voordat de eerste prik gezet was had De Jonge al plechtige beloften gedaan aan de ziekenhuizen: de landelijk geliefde ‘helden in de zorg’ zouden de eerste prikken krijgen, geheel in tegenspraak met het strategisch plan van de Gezondheidsraad. Daarmee was de strategie van de rails en belandde het doelgroepenbeleid in de typische Haagse dynamiek van beeldvorming en publieke druk. Wie het hardst schreeuwde kreeg als eerste een vaccin. Een grote kwetsbare groep chronisch zieken kon pas op de lijst voor een inenting nadat ze de Twitter-actie #VergeetOnsNietHugo waren begonnen en op het Binnenhof vergeet-me-nietjes hadden uitgedeeld.

Dat is dus geen chaos en onvermogen, maar wat in Den Haag ook wel ‘krachtenveldpolitiek’ genoemd wordt. Typisch Hollands: eerst laat je bepaalde maatschappelijke krachten opkomen en zich verenigen (actiegroepen, lobbyclubs, overlegtafels, kortom: het maatschappelijke middenveld) en hun eigen belangen benoemen. Daarna ga je met ze in onderhandeling. Een geoefend politicus maakt zo iedere betrokkene deelgenoot van de uitkomst. Iedereen, en dus niemand, is verantwoordelijk.

Politieke oppositie schakel je zo op voorhand uit. Want tegen wie of wat wilde de oppositie precies bezwaar maken? De Amerikaanse president Harry Truman hanteerde voor zijn omgang met het Congres het motto: If you can’t convince them, confuse them.

Een paar weken terug zagen we één keer effectieve oppositie in de motie van BIJ1. Die motie was opmerkelijk, omdat de tekst eigenlijk alleen maar de definitie van beleid en politieke verantwoordelijkheid bevatte: het kabinet heeft een keuze gemaakt voor een strategie, de consequenties van die strategie vinden wij onwenselijk en daarom verzoeken wij het kabinet een andere strategie te voeren. Rutte verweet Sylvana Simons een gebrek aan beschaving, omdat ze de verantwoordelijkheid van dertigduizend coronadoden in de schoenen van hard werkende ambtenaren, bestuurders en adviseurs zou schuiven. Maar was Rutte niet ook zo boos omdat Simons had beweerd dat hij een keuze had gemaakt?

‘Ik ga niet de baas spelen’, zei Rutte herhaaldelijk tijdens de eerste coronamaanden. Dat kun je ook lezen als: wanneer er dingen fout gaan ben ik net zo verbaasd als jullie. Wat dat politiek oplevert zagen we de afgelopen weken: de door het kabinet zelf veroorzaakte vierde golf probeerden De Jonge en Rutte aanvankelijk in de schoenen van de burgers en met name jongeren te schuiven. Die hadden ook de verantwoordelijkheid om zelf na te denken, zei de premier. ‘Nederland is een verstandig land.’ Dat pikten mensen niet en een paar dagen later volgde een nieuwe persverklaring, daarin zeiden de ministers sorry. Waarvoor precies? Dat bleef, geheel in stijl, onduidelijk.


Naschrift

*In de afgedrukte versie van dit artikel staat dat Mark Rutte daags na zijn bezoek aan Limburg zei dat we ten aanzien van het klimaat niet moeten doorslaan en vooral moeten kunnen blijven barbecueën, dat is incorrect, hij deed deze uitspraak eerder in april 2019. Dit is aangepast in de online van versie van dit artikel. *