Robert D. Kaplan, Krijgspolitiek:

Met deemoed alleen kom je er niet

Robert D. Kaplan

Krijgspolitiek: Lessen voor de toekomst van klassieke denkers

Uitg. Het Spectrum, 240 blz., € 15,50

Tegengesteld aan de dominante visie dat iedere periode uniek is en er dus van de geschiedenis niets valt te leren, houdt Robert D. Kaplan vol dat alles wat nu gebeurt een historische pendant heeft. Kaplan, als correspondent verbonden aan The Atlantic Monthly en auteur van een aantal bestsellers over internationale politiek, huldigt hetzelfde uitgangspunt als zijn landgenoten Leo Strauss en Allan Bloom, die menen dat grote denkers uit de traditie mogelijk geslaagd zijn in hun zoektocht naar de waarheid. In dat geval zijn vragen uit het verleden ook voor ons van belang, mits de vragen én de antwoor den voldoende algemeen zijn geformu leerd.

Kaplan stelt dat onze privé-moraal weliswaar wordt gedomineerd door deugden uit de christelijk-joodse erfenis, in de publieke moraal zouden we er goed aan doen, met name in onze omgang met andere staten, ons te laten leiden door deugden uit de oudere Grieks-Romeinse traditie. Met name in tijden van crisis en oorlog vermogen deemoed en nederigheid minder dan moed en doortastendheid — in combinatie met een scherp oog voor waar het eigen belang ligt.

Kaplan ziet deze moraal in het werk van onder anderen Homerus, Sun-Tzu, Thucydides, Machiavelli, Hobbes en in de politiek van Tiberius en Churchill. Kenmerkend ervoor is dat het niet alleen nobele intenties zijn die tellen, maar vooral ook resultaten. Dat betekent voor Kaplan dat niet iedere misstand ter wereld een humanitaire interventie rechtvaardigt. Zulks is slechts aan de orde als er sprake is van een afgebakende periode en, de lessen van Machiavelli indachtig, als de eigen positie op het wereldtoneel daarbij is gebaat. Wat zich op het eerste gezicht als het moreel juiste aandient, kan desastreus uitpakken en blijkt daardoor minder moreel hoogstaand. Zie Srebrenica. En ook de Amerikanen zouden zich weleens in de vingers kunnen snijden, het is immers nog maar de vraag hoe rechtvaardig het komende Irakese regime zal zijn.

Kaplan wijst met Livius in de hand op het belang van trots, het romantiseren van het eigen verleden en het geloof in eigen kunnen. Een gezonde dosis patriottisme is een noodzakelijke voorwaarde als het er echt om spant. Onder verwijzing naar het werk van Sun-Tzu, populair onder managementgoeroes en zelfhulppsychologen, probeert hij de lezer te overtuigen van het belang van spionage. Homerus leert Kaplan dat een oorlog zonder slachtoffers volstrekt illusoir is. En in navolging van Thucydides concludeert hij dat oorlog van alle tijden is, zoals ook de uitwassen van de twintigste eeuw hun evenknieën vinden in verleden, heden én toekomst. Ook de door Thucydides beschreven hoogmoed en de daarop volgende val van grootmacht Athene kunnen Kaplans landgenoten, zo beweert hij, tot lering strekken. Verblind door macht en welvaart en de gedachte dat de hegemonie voor eeuwig was, dachten de Atheners dat zij straffeloos en naar eigen goeddunken kleinere staten hun wil konden opleggen.

In één zin samengevat luiden Kaplans lessen: de verhoudingen tussen staten worden bij verstek van een wereldregering bepaald door eigenbelang en macht. Wie daar als eerste mee wil breken komt van een koude kermis thuis, en universalistische pretenties (het willen exporteren van onze eigen waarden en normen naar verre buitenlanden) staan ons slecht.

Zo beschouwd heeft Kaplan natuurlijk niet al te veel nieuwswaarde. Hij sluit zich aan bij het realisme in de internationale betrekkingen — de opvatting dat staten hun macht willen vergroten en dat andere mogelijke motieven praatjes voor de vaak zijn — en voorziet deze school opnieuw van een sjiek jasje door te wijzen op het feit dat veel grote denkers uit het verleden óók realisten waren. Bovendien ontneemt het benadrukken van continuïteit het zicht op wat er wél verandert. Een voorbeeld: Machiavelli meende ook dat we ons licht moeten opsteken bij de antieken en dat er sedert de ouden niets is veranderd, ook niet in de wijze waarop oorlogen worden gevoerd. Dit bracht hem ertoe de opkomst van het vuurwapen — volgens Machiavelli niets anders dan de aloude katapult — te bagatelliseren. Toch verandert er soms wel degelijk iets. Anderzijds amendeert Kaplan het realisme door een volstrekt amorele buitenlandse politiek af te wijzen en aansluiting te zoeken bij hernieuwde belangstelling voor een op deugden gebaseerde ethiek, als alternatief voor de volgens realisten onwerkbare regels en plichten van idealisten en liberalen.

Met het Srebrenica-debacle nog vers in het geheugen is Kaplans poging natuurlijk te prijzen om politici te behoeden voor al te idealistische buitenlandse politiek. En alhoewel die poging hier en daar wel heel erg langs de oppervlakte scheert (zie De Groene Amsterdammer, 22 juni 2002), wordt de waarschuwing aan de regering-Bush volstrekt duidelijk. Die is, anders dan veel Europeanen vermoeden, juist zeer ideologisch bevlogen, wat bijvoorbeeld bleek uit het eind vorig jaar verschenen The National Security Strategy, een rapport waarin een combinatie van ambities en idealisme (preventieve aanvallen ter verspreiding van democratie en de vrije markt) tot beleid werd verheven.

Over Europa overigens geen woord, als Kaplan over de toekomst spreekt.