David Nolens, de kunst van het wachten

Met doffe blik langs het kanaal

David Nolens, De kunst van het wachten, € 22,50

Medium nolens  david   de kunst van het wachten

Man, Jack, midden dertig, succesvol reclameman, begeerd vrijgezel, besluit zijn carrière aan de wilgen te hangen en zijn huis te verkopen om met een paar zwervers op stap te gaan door Europa. Niet om vanuit een misantropisch genoegen de maatschappelijke zelfkant op te zoeken, maar vanuit een spiritueel vacuüm. Het klinkt gezocht, maar het is de premisse van de nieuwste roman, De kunst van het wachten, van David Nolens, een nog jonge Vlaamse schrijver die de laatste jaren verschillende filosofische romans publiceerde. Ook nu lijkt Nolens niet bepaald geïnteresseerd in het psychologische aspect van zijn hoofdpersoon. Al op de eerste bladzijde walgt Jack van de banaliteit van zijn bestaan (hij heeft net een campagne voor een push-upslip voor mannen voltooid), op de tweede slaat hij een willekeurige voorbijganger op z’n bek, op de derde slaat die voorbijganger terug en op de vierde loopt hij ‘als een hondje’ achter hem aan. De man heet Roman, geboren in een vluchtelingenkamp, en zodoende nog nooit in het bezit geweest van een paspoort of nationaliteit. De ultieme sans papier.

Hij reist achter Roman aan naar Kopenhagen, waar Roman weinig doet (behalve een paar triootjes met de agentes Agnetha en Anni-Frid). Jack kijkt op naar Roman ‘als een jongere broer die opkeek naar de ouders, net wilde worden als hij die… wandelde alsof hij schreef… sprak alsof hij zweeg… gebaarde alsof hij vloog… lachte alsof hij huilde… leefde alsof hij doodging… verstild was in een verschrikkelijk rumoer…’

De kunst van het wachten is een buitengewoon ontregelend boek om te lezen. Het is niet heel moeilijk om dat Nolens te verwijten, dat hij niet pakkend schrijft, dat hij geen toon vasthoudt. Neem een scène als deze, aan het begin van het boek, als Jack en Roman door Brussel sjokken, op niets af, langs een kanaal: ‘(…) Jack en Roman wandelden net zoals het geladen schip tergend langzaam het kabbelende water kliefde, wat een mooi contrast vormde met de bedrijvigheid van de hoofdstad. Hoe moet het nu verder? vroeg Jack zich af.’ Het is zo passief geschreven, zo overdreven simpel (‘wat een mooi contrast vormde…’) dat je niet anders kunt dan je realiseren dat het Nolens daar juist om te doen is (al weet ik niet of je kunt zeggen dat water in een Brussels kanaal ‘kabbelt’, dat lijkt me toch voorbehouden aan lentebeekjes). Hij houdt heel bewust een zekere afstand in zijn schrijven, zoals Jack een zekere afstand ten opzichte van zichzelf probeert te houden. En Jack is geen flaneur, zijn omzwervingen door België en Scandinavië leiden niet tot rake observaties van het grootsteedse westerse leven. Integendeel, Nolens houdt de blik, en daarmee de taal van Jack dof. Er zijn geen scherpe gedachten, geen grote emoties, er is geen oplichtende metaforiek, zoals er ook geen langgerekte vloeiende zinnen zijn. À la W.G. Sebald (maar dan zonder de mysterieuze verhalen) vallen gedachten binnen en worden vervolgens niet afgemaakt, omdat alweer iets anders zich opdringt. À la Jack Kerouac (maar dan zonder de dynamiek) is er een permanente drang om in beweging te blijven, om nergens nee tegen te zeggen, en tegelijk de passiviteit om niets te veroordelen.

Maar wat is nu precies die kunst van het wachten? Volgens Nolens is het onthechting, een bijna transcendente staat van niets-doen en niets-willen. Met als uiteindelijk resultaat ‘niet langer slechts de doordruk van anderen’ te zijn, maar ‘een leven buiten de consensus’. Jack keert zich af van consumentisme en van de gewoonte om de groei van de mens in economische waarden te zien – niet alleen zweert hij alcohol en sigaretten af, uiteindelijk doet Jack ook zijn bril af, omdat hij zich niet meer wil focussen op de dingen die hem kunnen prikkelen.

Die onthechting beschrijft Nolens treffend, zonder meer, maar als hij met deze roman een andersglobalistisch betoog wil houden, dan is zijn retoriek tandeloos. Het vergt een zeldzaam soort naïviteit om de goot te verheerlijken als antipode van de valse glitter van de burgerlijke boulevard. Maar Nolens doet het, onbeschaamd en voorzover ik kan zien volkomen oprecht, en presenteert daklozen, staatlozen en andere zwervenden als de ‘nieuwe aristocratie’. Sterker nog, hij presteert het om een andere zwerver, Leopold, heel serieus aan Jack te laten uitleggen dat alleen werk niet gelukkig maakt. ‘Zo eens mens te zijn: losgebroken uit een cirkel, verlost van het entertainment maar niet van de oppervlakte, waaruit elk moment openvouwde tot een diepte.’ Jammer dat Nolens zo weinig diepte of originaliteit weet te bereiken.