‘met echte zeebenen terugkomen’

Johan Fabricius, De scheepsjongens van Bontekoe (1924)
JE MOET ER toch niet aan denken dat er een commissie in het leven zou worden geroepen om te bepalen wat een klassiek kinderboek is. Zo'n commissie zou een paar keer in de duurste gelegenheden van de stad gaan eten (koude soep in de zomer; oesters in de buitenseizoenen en koninklijke haas om de winter tegemoet te treden) en na afloop van zo'n serie diners zou zij het weten: het klassieke kinderboek zou… afijn, zou wat dan ook.

Het merkwaardige geval doet zich voor dat er in mij ook zo'n regentenmentaliteit schuilt, in die zin dat ik een geheim-conservatieve wet hanteer waarin omschreven staat wat een klassiek kinderboek in huis zou moeten hebben. In de eerste plaats moeten de kinderen in zo'n boek geweldige avonturen beleven, maar niet dan nadat ze van een veilige haven vertrokken zijn en niet zonder dat ze daar aan het eind van het boek weer veilig zijn teruggekeerd.
Het is een beetje het Odysseus-syndroom: de held beleeft de wonderlijkste wederwaardigheden waarbij zowel zijn zwakke kanten als zijn slimheid en doortastendheid aan het licht komen, en de beloning voor hemzelf en de lezer is dat thuis alles bij het oude is gebleven. Niemand is ontrouw gebleken, iedereen is ontroerd bij de ontvangst en er wordt een groot banket op tafel gezet.
Het opmerkelijke is dat dit stramien eigenlijk voor de meeste kinderboeken opgaat. In tegenstelling tot fictie voor volwassenen eindigen kinderboeken altijd min of meer gelukkig. De jongste van De gebroeders Leeuwenhart van Astrid Lindgren heeft aan het eind van het boek zijn angst voor de dood overwonnen. ‘Dit verhaal begint droevig, dan wordt het doodgriezelig, maar het is erg mooi en eigenlijk heel vrolijk’, zei de schrijfster er zelf over. En het zusje van Alice Liddell droomt er aan het eind van Alice in Wonderland van hoe ze later haar eigen kinderen zulke avonturen kan vertellen, 'en hoe zij mee zou voelen met al hun kleine verdriet, en plezier beleven aan al hun kleine vreugdes, terugdenkend aan haar eigen kindertijd, en aan de gelukkige zomerdagen’. Het einde van kinderboeken mag weemoed kennen, maar geen opengelaten verdriet.
DE SCHEEPSJONGENS van Bontekoe van Johan Fabricius beantwoordt aan deze medogenloze wet van het kinderboek. Het mag ook een klassiek kinderboek heten. Fabricius, zelf in Nederlands-Indie geboren, schreef het in 1924 toen hij 25 jaar oud was. Toen hij 75 jaar oud was, had hij zijn vijfenzeventigste boek geschreven en op zijn negentigste publiceerde hij een autobiografie: Hop heisa in weer en wind.
Zo'n titel geeft al aan wat voor soort man en schrijver Johan Fabricius was: het hoofd recht in de wind, de braamzeilen strak getrokken, het schip op koers. Met zijn De scheepsjongens van Bontekoe behaalde hij een roem die hij niet meer kon evenaren. In de haven van Hoorn staan de drie scheepsjongens Rolf, Hajo en Padde voor eeuwig in brons verankerd.
Wat maakt De scheepsjongens van Bontekoe nu tot een boek dat de eeuwigheid lijkt te halen? Het is niet zo onbeschrijflijk geestig en wijs als Winnie The Pooh, niet zo subliem als Alice in Wonderland, niet zo dieptreurig als Alleen op de wereld. Voor een gedeelte heeft het boek zijn faam natuurlijk te danken aan het roemruchte zeventiende-eeuwse verleden van Nederland, toen we nog het boegbeeld van de wereldzeeen waren en de gouden huizen langs de grachten van Amsterdam, rond de havens van Hoorn en Enkhuizen, Dordrecht en Vlissingen bouwden. Zo'n heldhaftige gouden eeuw moet de jongensharten wel sneller doen kloppen, moet Fabricius hebben gedacht en toen zijn boek in 1924 verscheen, had ook Couperus zijn Xerxes en Iskander al in feuilleton uitgebracht, romans die van dezelfde grootsheid en hetzelfde heldendom uitgingen, al betrof het in Couperus’ geval de Griekse oudheid. Misschien waren de jaren twintig en dertig van deze eeuw wel vervuld van heldendromen, moed en vriendschap - waar zoals bekend in de loop van de eeuw bar weinig van terecht is gekomen.
In ieder geval was het in 1924 nog mogelijk drie jongens neer te zetten die van ware deugd en ware vriendschap waren gemaakt en hen een entourage mee te geven, waarbij elk kind dat niet van suiker is gemaakt wel bij moet wegdromen: een reis van twee jaar op het schip Nieu-Hoorn, onder leiding van Schipper Willem IJsbrandtsz Bontekoe. Deze Bontekoe heeft van zijn reis naar 'de Oost’ een scheepsjournaal aangelegd dat Fabricius voor de elementaire feiten heeft gebruikt.
Zo'n reis naar de Oost moet men zich niet voorstellen als een akkefietje. Aan boord bevonden zich zo'n tweehonderdzestig nietsnutten, raddraaiers, avonturiers en zeelui, onder een Bontekoe die er de wind onder moest houden tijdens een tocht die vele malen gevaarlijker en onbekender was dan een survival-tocht voor de Cameltrofee. De reis begon in de haven van Hoorn, waar de gemonsterde bemanning op een jol naar de rede van Texel werd gebracht. Daar lag dan het schip de Nieu-Hoorn, een twee- of driedeks galjoen, een bijkans onbestuurbaar notedopje op de immense oceaan, dat alleen met bewonderingswaardige zeemanskunst naar het verre Indie kon worden gelaveerd. De tocht ging langs Kaap de Goede Hoop.
Daarna maakte het schip wat onduidelijke omzwervingen bij het eiland Madagascar. Toen het daarna bij gunstige wind koers zette naar de rede van Bantam op Java, vatte het schip vlam door een fout van de botteliersmaat. De schipper wist met een jol en een gedeelte van de bemanning veilig aan te komen op Java. Tot zover reikt het scheepsjournaal van Bontekoe. In 1619 behoort Jakarta toe aan de Hollanders, Batavia wordt het nieuwe handelscentrum en het is waarschijnlijk dat Bontekoe daar een hoge positie toebedeeld heeft gekregen.
VOOR EEN eigentijdse lezer is het moeilijk voor te stellen hoe hard en onaangenaam het leven op zo'n Oost-Indievaarder kon zijn. Ook Fabricius maakt er een bij tijd en wijle jolige vakantiereis van, waar kameraadschap, goedgemutstheid en gezagsgetrouwheid hoog in het vaandel staan.
Wie beter op de hoogte wil komen van de werkelijkheid toen, zou de twee films die gemaakt zijn van De muiterij op de Bounty nauwkeurig moeten bestuderen. De eerste versie met Trevor Howard als Captain Blyth en Marlon Brando als de tweede stuurman (masters mate) Christian Fletcher - en de tweede versie met een magistrale Anthony Hopkins als de kapitein - geven een duidelijker beeld van wat discipline, zeemanschap en insubordinatie op zo'n schuit betekenen. De Bounty voer op 17 december 1787 weg van de rede van Southampton, met de opdracht broodbomen van Haiti naar Jamaica te verschepen, als goedkoop voedsel voor de slaven aldaar. De kapitein maakte de kardinale fout dat hij om Kaap Hoorn heen wilde zeilen - een kaap die, zoals elke zeeman weet, geen enkel schip met rust laat. Bij een kantje boord schipbreuk aldaar wendt Blyth de steven naar Kaap de Goede Hoop, een langere maar veiliger koers. Het kost hem maanden vertraging omdat hij niet in het juiste jaargetijde voor de broodbomen op Haiti aankomt. Uiteindelijk levert hem dat verwildering, ge brek aan discipline en muiterij op.
Het fascinerende aan de twee filmversies van De muiterij op de Bounty is dat het weliswaar om twee verschillende interpretaties van een historisch gegeven gaat, maar dat de omstandigheden en het lot van de scheepsbemanning in beide versies schrijnend dicht bij de waarheid lijken te liggen. Het is het verslag van een drama waarbij te veel mensen te lang te dicht op elkaar zitten, in omstandigheden die het beest in de mens loslaten en waar maar een regel lijkt te gelden: trouw aan de koning en aan de handel.
BIJ FABRICIUS IS van deze hardhandige werkelijkheid niets terug te vinden. Daarom is De scheepsjongens van Bontekoe eerder een jongensversie van Schoolidyllen van Top Naeff dan een historisch jongensboek waarin een conflict wordt uitgevochten. Daarom zal het altijd meer een boek blijven dat in de categorie braafheid hoge ogen gooit dan een leerboek over jongensleed, kinderverbeelding of initiatie in de volwassen wereld. Maar wellicht hoort dat juist bij de conservatieve wet van het kinderboek: het moet sentimenteel, dapper en avontuurlijk zijn.
Het boek van Fabricius begint op het juiste moment: Peter Hajo houdt de bout vast bij meester Wouter, de hoefsmid uit de smederij De IJzeren Man. Maar Hajo’s gedachten gaan uit naar zee. 'Hoe snakte hij ernaar op zee te zwalken zonder een streepje land mijlen in de omtrek; hoe snakte hij ernaar de wijde wereld te zien en met echte zeebenen terug te komen en op te snijden net als die bruingebrande pikbroeken die met Jan Pieterszoon Coen naar de Oost waren getogen en nu de waarheid spraken, of logen, juist naar het hun inviel…’
Daar zit je dan als kleine lezer. Een jongen in Hoorn, een havenstadje van niets, die naar zee wil, wordt aan je gepresenteerd, die het leven aan wal maar niets vindt, die zijn oude moedertje en zijn schare broers en zusjes wil verlaten, wiens vader ook al op zee is omgekomen, kortom: een held in een notedop. Vooral als er in het voorwoord door Fabricius wordt gedoceerd: 'Het leven van een man, jongens, gaat nooit zonder stormen voorbij. Hoe verder het land dat je bezeilen wilt, hoe moeilijker en gevaarlijker de reis.’
Misschien wordt dit soort aansporingen tegenwoordig alleen nog maar op de voetbalgronden of in de kleedkamers van de Olympische Spelen gebezigd, maar het mist zijn effect niet. Binnen de kortste keren ziet de kleine lezer de contouren van de Nieu-Hoorn op de rede van Texel opduiken en dan kan het avontuur beginnen. Iedereen die wel eens een mooi jacht of een mooi schip vanuit het kikkerperspectief van een roeibootje geduldig op de golven heeft zien deinen, weet dat de bekoring van het zeegat uitvaren door het schip van verlangen wordt gevoed.
DE VEERTIENJARIGE Peter Hajo krijgt twee metgezellen mee: het neefje van de schipper Bontekoe en de dikke, trouwe middenstander-in-de-dop Padde Kemelijn die later voor de brand op de Nieu-Hoorn zal zorgen. Het leven aan boord is hard maar fideel. De volwassen bemanning wordt 'omes’ of 'hoge omes’ genoemd; de schipper vertrouwt op God en zijn goede verstand en is de baak voor alle omes en scheepsjongens. Als de bemanning na de brand halverwege Madagascar en Sumatra in een jol tracht te overleven, heet het: 'Men wekte Bontekoe. “Wat moe ten we doen schipper? We zien het wrak niet meer en ook geen land.” “Zijn jullie dan toch van het wrak weggeroeid?” “Ja schipper, we dachten…” “Dan dachten jullie verkeerd. Is er een zeil in de jol?” ’
Dat is de reactie van een man die beseft welke gruwelijke dood zijn bemanning te wachten staat als er niet bekwaam wordt opgetreden. De ziel van schipper Bontekoe is zeemanskunst en zijn bemanningsleden zijn zijn ledematen.
Als schipbreukelingen op Sumatra aangekomen verliezen de drie scheepsjongens dank zij alle malle avonturen en gevaren met de inlandse bevolking hun 'maats’ uit het oog en moeten ze over land, te voet, de straat van Soedan zien te bereiken om naar Java over te steken.
Fabricius doet zijn best om ook dat tweede deel van De scheepsjongens van Bontekoe vol te stoppen met avontuur en het exotische deel van onze koloniale geschiedenis aan bod te laten komen, maar de branieachtige trekken die het leven op zee kenmerkte, krijgt iets potsierlijks tegenover de bescheiden bevolking en het ingetogen exotische leven van de kampongs op Sumatra. De overlevingstocht van de drie scheepsjongens en de violist Har men Kniphuyzen heeft veel weg van een troepje olifanten in een porseleinkast, maar het is in ieder geval exotisch, ver weg van Nederland, vol verbazing.
DAT DE VIERDE en nooit erkende scheepsjongen van Bontekoe, Harmen Kniphuyzen, een violist was, hoeft geen verbazing te wekken. Ook in de Anthony Hopkins-versie van The Bounty komt een violist voor. 'Had u muziek aan boord?’ vraagt Laurence Olivier als voorzitter van de raad die de kapitein moet berechten over het verlies van zijn schip, hoogst verbaasd. 'Yes, sir’, luidt het antwoord van kapitein Blyth, 'ik vond dat de mannen beweging nodig hadden.’ De bemanning van de Bounty danste elke dag verplicht twintig minuten de horlepiep om hun gemoederen te bedaren.
Na de tocht over land komen de scheepsjongens van de Nieu- Hoorn per vlot uiteindelijk op de rede van Bantam aan. Daar vinden ze hun oude schipper terug en een nieuw schip om aan te monsteren voor de terugreis. Dan maakt Fabricius zich er snel van af: 'De achtse maart van het jaar 1620 lichtte de Nieuw-Zeeland het anker, om het de achtentwintigste december van hetzelfde jaar na een voorspoedige reis weer te laten vallen op de zanderige rede van Vlissingen.’ Compositorisch is dit een fantastische zet: de scheepsjongens vertrekken hartje winter 1618 uit Hoorn en twee jaar later schaatsen ze hartje winter van Dordrecht naar Hoorn om hun moeders hun gage te overhandigen - en andere moeders mee te delen dat hun zoon een zeemansgraf heeft gevonden. Het winterlandschap van Anton Pieck hangt vredig sentimenteel over het weerzien.
De jongens en de kleine lezer zijn ver voorbij de angstige avonturen met tijgers op Sumatra, de stormwind rond de kaap, het knarsen van de masten en het gevloek van de omes. Niets is meer erg. Er zijn alleen de rode ogen van de wind en het eeuwigdurend heimwee naar de zee. Aan de klassieke wet van het kinderboek is voldaan.
MAAR HIERBIJ is slechts een van de wetten voor het klassieke kinderboek geformuleerd: de behouden thuiskomst na avontuur. Want De scheepsjongens van Bontekoe probeert vooral realiteit in beeld te brengen, de Realiteit van de Heldhaftige Zeventiende Eeuw. Het boek ontbeert elke kritische stellingname tegenover die realiteit, het doet nergens enige moeite om andere verbeeldingswerelden in kaart te brengen, jongens- of kindergedachten die met de realiteit een loopje nemen. Het is rechttoe, rechtaan en het heeft daar zijn roem aan te danken. Het kent de spanning en sentimentaliteit die mensen bij soap-series kunnen ervaren. Maar het heeft een hoog daarbovenuit torenend voordeel: het schip de Nieu-Hoorn dat krakend in al zijn voegen de Oost bevaart. Dat tart elke verbeelding.