Debat: Is het minderhedenbeleid mislukt?

Met een bazooka schieten op een mug

De discussie over immigratie en integratie verzandt steeds meer in vaagheden. Stephan Sanders, Hendrik Jan Schoo, Jaffe Vink en Jude Kehla doen een verwoede poging vast te stellen waarover het «minderhedendebat» werkelijk gaat.

Lees De verwarde natie van voormalig Elsevier-hoofdredacteur Hendrik Jan Schoo. En lees Brief aan mijn dochter van Jaffe Vink, filosoof en chef van het cultuurkatern van Trouw. Tien tegen een dat u besluit vandaag nog te emigreren, maakt niet uit waarheen. Schoo zet in zijn publicatie uiteen dat in dit land jarenlang een onverantwoord toelatingsbeleid is gevoerd, waardoor een economische en sociale bom op barsten staat. Vink pleit voor meer controle op de culturele bagage van al die nieuwkomers. Volgens hem is er een relatie tussen zeden en gewoontes in het land van herkomst en de hier te lande opspelende criminaliteit en intolerantie bij bepaalde nationaliteiten. Vink haalt onder meer het proefschrift aan van de antropoloog Frank van Gemert. Die zou haarfijn het verband hebben aangetoond tussen de «wantrouwige en gewelddadige» Marokkaanse Rif-cultuur («een arm en onvruchtbaar gebied») en de criminele uitglijders van de zonen van de eerste generatie gastarbeiders.

Café Kingfisher, Ferdinand Bolstraat, Amsterdam. Het wachten is op Jude Kehla. Vanwege een gestremde tram komt hij een half uurtje later. Jaffe Vink, Hendrik Jan Schoo en Stephan Sanders draaien vast warm met een dispuut over de term «allochtoon». Liever niet gebruiken is de conclusie, want een «onduidelijk, stereotyperend rotwoord». Toch zal «allochtoon» in al zijn schimmigheid deze middag vaak over tafel gaan, aangevuld met al die andere vage termen. Het is tekenend voor de discussie over immigratie en integratie: weinig definitie, nauwelijks afbakening en niet zelden een fikse dosis ins Blaue hinein redeneren. Wie weet nog waar de discussie over gaat? Sanders, Schoo, Vink en straks ook Kehla doen een poging dat vast te stellen. Alle vier roerden zij zich recentelijk via geschriften (zie kaders) in wat met alweer zo’n versluierende term het «minderhedendebat» is gaan heten.

Schoo en Vink zijn ervan overtuigd dat een linkse politiek-correcte brigade uit valse cultuurrelativistische overwegingen jarenlang bewust onwelgevallige feiten en cijfers onder het tapijt heeft geveegd. Waar Schoo zijn pleidooi op controleerbare politieke besluitvorming baseert, lucht Vink meer onorthodox het hart. Dat Vink de multiculturele uitwassen aan den lijve meemaakte, heeft daar alles mee te maken. Niet voor niets hebben we in de Pijp afgesproken, een van de buurten waar de hoofdstad zich in al haar kleuren toont.

Verderop in deze straat kreeg in de lentedagen van 1993 Vinks vrouw, ter hoogte van een later dichtgetimmerde coffeeshop, pats boem uit het niets een «keiharde klap in het gezicht», schrijft Vink in zijn boek. «’t Was een donkere, hè», zeiden de mensen die haar opvingen. Volgens Vink, die zelf met zijn gezin vijftien jaar in een straat in de Pijp woonde, woedt in de Nederlandse grote steden een «moleculaire burgeroorlog», een van de Duitse essayist Hans Magnus Enzensberger geleend begrip, waarmee die een mede door ontspoorde allochtonen geïnstigeerde stadsguerrilla bedoelde. Hoe is dat zo gekomen? Omdat in dit land, aldus Vink, een klimaat heerst waarin politici, wetenschappers en journalisten niet durven of willen zeggen wat ze denken. Een anonieme onderzoeker, gespecialiseerd in criminaliteit onder allochtonen, is volgens hem met de dood bedreigd. «Dat is tekenend voor het klimaat. Als verklaring van allochtone criminaliteit wordt meestal de maatschappelijke achterstand opgevoerd. Ik probeer de culturele factor in de discussie in te voegen. Maar ik merk dat die nauwelijks bespreekbaar is.»

Ook Hendrik Jan Schoo heeft tegenstand ondervonden bij het uitdragen van zijn immigratiescepsis. Tegenstanders spiegelden hem allerlei Tweede Wereldoorlog-visioenen voor, en Paul Kalma noemde hem een «wegbereider van extreem-rechts gedachtegoed». Schoo: «We doen net alsof de huidige vluchtelingen dezelfde zijn als de joden voor de Tweede Wereldoorlog. De grootst mogelijk onzin natuurlijk.»

Hoewel Stephan Sanders de toon in met name Vinks pamflet uit de bocht vindt vliegen, deelt hij de afkeer van het cultuurrelativisme zoals dat door linkse multiculturele heilsprofeten decennialang gepredikt is. Sanders: «Wat we nodig hebben, is een grondwetspatriottisme dat Amerika allang kent. We moeten durven zeggen: ‹Jullie willen nieuwkomers zijn, dan is er een grondwet die je hebt te respecteren. Wij willen dat jullie je daartoe verplichten.› De Nederlandse grondwet is een stuk leuker dan die van Marokko. Daar moeten we niet schuchter over zijn.»

Tussen de drie heerst zowaar een lieve vrede als na een half uur de deur openzwaait en Jude Kehla, sierlijk buigend, een baseballcap van zijn glimmende schedel tilt. De uit Kameroen afkomstige Kehla is negen jaar in Nederland. Hij is deelraadslid voor de PvdA in Amsterdam-Zuidoost, deed onderzoek naar de multiculturele samenleving en bestiert momenteel een consultancy-kantoor. Onlangs schreef hij in een opiniebijdrage in Contrast over «een sterke lobby van anti-politiek-correcten», waarbij hij dacht aan types als Pieter Lakeman en Paul Scheffer die er in zijn ogen voor gezorgd hebben dat het beschimpen en verdacht maken van allochtonen «bon ton» geworden is. «Daartoe reken ik natuurlijk ook Schoo en Vink», zegt Kehla terwijl hij aanschuift. Doodse stilte. «Waar reken je ons nu precies toe», wil Vink weten. «Tot de anti-politiek-correcte maffia», zegt Kehla. «De anti-politiek-correcte Gestapo, zo je wilt.» Vinks mond valt wijdopen. «Maffia, Gestapo?» stamelt hij. «Anti-politiek-correcte Gestapo», verduidelijkt Kehla. «Ik zeg dat omdat…» Vink: «Ik vind het niet plezierig dat je dat zegt.» Kehla: «Ik wil je ook niet plezieren.» Vink ontploft haast. «Een woord als Gestapo wil ik hier niet horen over mij.» Kehla: «Dan wil je het niet horen. Ik geef gewoon mijn mening, net als jij in je boek.» Schoo probeert te sussen. «Het is natuurlijk geen argument, Jude. Gestapo is een scheldwoord.» Zuchtend: «Er is me al zoveel naar het hoofd geslingerd dat ik van dit soort dingen niet meer opgewonden raak.» Vink: «Ik laat me niet uitschelden!»

Wat zit Kehla dwars? «Mensen als Schoo en Vink doen precies hetzelfde als waar ze anderen van beschuldigen. Het is verbazingwekkend dat iemand als Schoo schrijft over politiek-correcten die hem beletten te zeggen wat hij wil. Terwijl hij juist alles kan zeggen. De stukken in zijn boek stammen deels uit 1994. Toen al nam hij geen blad voor de mond. Ik zie in Elsevier nooit iemand die een andere mening heeft over immigratie dan Schoo. Kennelijk wordt dat niet toegestaan. En dan de rest van Nederland beschuldigen van politieke correctheid. Dat vind ik Gestapo-achtig.»

Schoo: «Er zijn echt enorme remmingen aangebracht op het immigratiedebat. Door links en de laatste resten van het georganiseerde christendom in Nederland. Toverformule in die discussie was steeds: ‹Denk erom, u heeft nog niks miszegd, maar straks gaat u dat vast doen. U bent misschien geen racist, máár.› Een verkapte manier om iemand wel degelijk uit te maken voor racist. Ik vind dat een absurde manier van discus siëren.»

Kehla: «Het is juist andersom. De inhoud van elk openbaar debat over migratie wordt uitgehold door er het etiket van politieke correctheid op te plakken.»

De ober bezorgt twee koffie, een thee en een jus d’orange. Langzaam bedaren de gemoederen. Na een paar slokken zegt Step han Sanders het erg onhandig te vinden dat Kehla het woord Gestapo in de mond genomen heeft. «Maar», voegt hij eraan toe, «ik vind de metafoor van de moleculaire burgeroorlog erg ongelukkig, Jaffe. Je koppelt hem aan etniciteit en cultuur. Dat is nogal wat. En het verheldert de discussie bepaald niet.» Schertsend: «Ik ga ervan uit dat we hier niet met racisten om de tafel zitten. Er zijn in Nederland bijna geen echte racisten. Die paar die er zijn moet je haast koesteren.»

Schoo: «Ik ben ook niet gelukkig met die oorlogsmetafoor, maar het bewonderenswaardige aan Jaffes boek is dat hij het innerlijke, intieme debat laat zien. We zijn jarenlang gedwongen de discussie op ons paasbest te voeren, maar wat we werkelijk voelen, denken en zien komt eigenlijk niet aan de orde.»

Sanders is het daarmee eens. Hoewel hij ervoor waakt het boek als een sociologische analyse op te vatten. Maar Brief aan mijn dochter is ook bedoeld als literair essay, zegt Vink. «Mijn dochter is van 1982, ik van 1951. Ik heb gepoogd het verschil in de periodes waarin we opgroeiden te beschrijven. De ondertitel ‹Een tocht door het pandemonium van seks en geweld› is een opzet tot een eigentijdse poging om de hel van Dante te beschrijven. Geen gefantaseerde hel. Als je vanuit mijn tijd naar die van mijn dochter redeneert, stuit je op een reeks incidenten. In mijn boek probeer ik die te duiden met een beeld: de moleculaire burgeroorlog. Een burgeroorlog op kleine, lokale schaal. En die is werkelijk gaande.»

Sanders: «Jij laat van alles door elkaar heen lopen. Je kunt zeggen dat de jaren zestig en zeventig het einde betekenden van het burgermansfatsoen. Maar wat heeft dat met etniciteit te maken?»

Vink: «In die jaren erna, de jaren tachtig en negentig, zijn mensen massaal binnengekomen. In een door ons gecreëerde porno- en geweldscultuur. Die culturele kloof heeft de criminaliteit bij allochtone groepen zeer aangewakkerd.»

Schoo: «Wij zijn een slechte socialisator. We zijn onhelder over wat onze normen en waarden zijn. Tijdens de jaren van massale immigratie kwamen we niet goed beslagen ten ijs om nieuwkomers te accommoderen. En dat zijn we nog steeds niet.»

Sanders: «Je hebt het steeds over ons, over de Nederlanders. Maar juist die nieuwkomers zijn hierdoor getroffen.»

Is Kehla gerustgesteld? «Soms herken ik me in wat Schoo schrijft. Niet in het werk van Vink. Ik heb ontzettend veel moeite met de retoriek van de burgeroorlog. Laat Vink zich lekker bezighouden met zijn oorlog, maar laat mij met rust. Hij wil de kuisheid beschermen. Daarom is zijn verhaal een brief aan zijn dochter. Geschreven vanuit angst. Ik ben ook vader, in de Bijlmer nota bene. Ik heb een zoon van zestien maanden. Wat hem betreft ben ik niet bang voor Jaffes burgeroorlog, wel voor racisten.»

Vink geeft toe dat hij af en toe wel bang is. «Er gebeurt veel. Maar ik ben geen angstig type. En ik wil niet te veel psychologiseren. Ik zie veel wat me verontrust. En daar wil ik graag over praten.»

Schoo: «We moeten het geweld en de criminaliteit kennelijk gewoon vinden. Ik heb mijn leven lang — minus een aantal jaren in de Verenigde Staten — in Amsterdam geleefd en gewerkt. En inderdaad: je neemt het niet meer waar, want je wilt niet elke dag met nare gevoelens naar bed. Je kunt zeggen: je ziet het alleen maar met borrelglazen op. Maar ook: je ziet het weer als je het wilt zien.»

Kehla: «We schieten met een bazooka op een mug.»

Schoo: «Nou, vergeleken met dertig jaar geleden is er een hoop veranderd. Toen ik jong was hingen overal de touwtjes uit de brievenbussen. Wat Jaffe terecht schrijft, is dat de criminaliteitsstatistiek tientallen jaren stabiel is geweest, maar sinds de jaren zeventig zijn de cijfers omhooggeschoten. De vraag is hoe dat komt.»

Wat hebben criminaliteit en immigratie met elkaar te maken?

Schoo: «Als je er sociologisch naar kijkt, zie je een relatie. Er is iets in het enculturatieproces waardoor sommige nieuwkomers zich crimineler uiten dan andere. Dat heeft te maken met kansen die je wel of niet geboden krijgt.»

Sanders: «Laten we niet vergeten dat er dertig jaar geleden sprake was van veel geweld. Een oom van mij is jarenlang hoofdcommissaris van politie in Amsterdam geweest. In zijn tijd werden er steevast homo’s in elkaar geslagen. Dat werd als buitengewoon zinvol ervaren door de daders, die dat als een gezond onderdeel van de Nederlandse mentaliteit beschouwden. Je ziet dus dat culturen niet statisch zijn maar dynamisch.»

Vink: «Het gaat mij erom dat de maat van het geweld grondig is veranderd vanaf de jaren zeventig; voetbalrellen, drugsgeweld en alcoholexcessen. Daar komt bij dat je met die Marokkaanse jongeren een ernstig probleem hebt met criminaliteit. Je moet onderzoek doen naar de culturele factoren die daarbij meespelen. Dat dringt maar niet tot de discussie door. Culturen zijn hardnekkiger dan je denkt. De helft van de ondervraagde Turkse ouders zou een homoseksueel kind verstoten, blijkt uit onderzoek. Dat vind ik schrikbarend. Dit zijn opvattingen die ik hier liever niet wil.»

Kehla: «Ik wil dat zeker niet goedpraten. Maar redeneer eens andersom. Kijk eens naar je eigen vastgeroeste culturele waarden. Begin dan met het overboord gooien van de mythe van de tolerantie. Als ik lees dat rond 1620 Jan Pieterszoon Coen de vroegst bekende etnische zuivering uitvoert op de Banda-eilanden, dan denk ik: waarom refereren Nederlanders dáár niet eens aan? Dát is pas een taboe.»

Sanders: «Precies. En met de patronisatie moet het ook afgelopen zijn. De nieuwkomer wordt eerst verbijzonderd als allochtoon, en daarna wordt hij vriendelijk in zijn cocon gehouden. Dat staat het debat in de weg over de fundamentele waarden van onze samenleving. De spelregels moeten duidelijk zijn. Het is een groot misverstand dat vrijheid van godsdienst garandeert dat je je geloof met seksuele moraal en al openlijk moet kunnen beleven. Vanuit het gezichtspunt van de staat is het een privé-hobby. Turken en Marokkanen hebben grappige hobby’s hoor, met hun opvattingen over homoseksuelen, maar laten ze die maar fijn ergens in het Rif-gebergte of in Anatolië uitleven. Hier gelden andere wetten. Neem de rel rond de Aïsja. Komt ook voort uit die privé-hobby. Het is te gek voor woorden. Er heerst hier vrijheid van meningsuiting. Die opera moet hoe dan ook worden opgevoerd. Dáárover moet het debat gaan.»

Kehla: «Maar hoe krijg je dat voor elkaar? Kijk naar wat Paul Scheffer aanzwengelde met zijn multiculturele drama. Die discussie is tot in de Tweede Kamer gevoerd. Maar het liep uit op het pesten van minister Van Boxtel met zijn wachtlijsten voor inburgeringscursussen. Het werd weer platte politiek, en daarmee kom je niet verder.»

Jude Kehla begint weer nijdig te worden. Hij houdt Schoo en Vink voor dat door het antipolitieke correctheidsoffensief, waarvoor hij hen medeverantwoordelijk acht, links en rechts geen kant meer opkunnen. Links is bang te soft te worden bevonden, maar kan omwille van de beginselen onmogelijk het steile pad volgen van degenen die hardheid prediken. Rechts kan om dezelfde reden niet constructief meewerken aan oplossingen, omdat die altijd het handhaven van immigratie inhouden, en dus «politiek correct» zijn. Kehla: «Je kunt immigratie niet stoppen. Dat is het taboe dat Schoo weigert te doorbreken. Jullie hebben de politiek gevangen gezet.»

Schoo: «Maar Jude, het enige debat dat we kunnen voeren, is toch een zo vrijpostig mogelijk debat? Waarin we niet elkaars censor zijn, en ons niet meteen via termen als Gestapo tussen de smeulende puinhopen van de vernietigingskampen begeven?»

De discussie verzandt. Daarom wordt het thema aangesneden «immigratie versus verzorgingsstaat». Schoo en Kehla blijken het verrassend eens. Schoo: «Welke problemen in de wereld helpen wij op te lossen door hier een ruimhartig toelatingsbeleid te volgen? We strelen onze ego’s, maar we lossen helemaal niets op in de wereld. Als staat hebben we ook andere, meer beperkte belangen. We zullen dus de kwantitatieve discussie moeten voeren, maar niemand die het durft. Ik heb een paar weken geleden gedebatteerd met iemand die ervoor pleit in korte tijd honderd miljoen mensen in Nederland op te nemen! Dan stel je een daad, en hoe. Maar wat is het gevolg? De Derde Wereld hier? En dan forever happy?»

Kehla: «De verzorgingsstaat heeft een verzadigingspunt. We hebben immigratie en economie in Nederland uit elkaar gehaald. Dat hadden we nooit moeten doen. Ik heb in de Bijlmer te maken met een Somalische gemeenschap waarvan 95 procent werkloos is, terwijl Somaliërs in Amerika tot de meest economisch actieve gemeenschappen behoren. Dáár worden ze meteen op de markt gegooid, hier krijgen ze een uitkering. Je kunt niet onbeperkt mensen binnenhalen zonder ze aan de verzorgingsstaat te laten bijdragen. Dan gaat het fout.»

Schoo: «Need I say more! Immigratie en verzorgingsstaat gaan slecht samen.»

Sanders: «Maar hoe voorkom je dat mensen die hier al twintig jaar wonen nog steeds als allochtoon worden behandeld en buitenstaanders blijven? Er is hun veel te weinig gevraagd zich te bekennen tot de democratische cultuur.»

Schoo: «Wat wil je nou? Een flauwekul ceremonie als in de VS waarna je staatsburger bent? Een pledge of allegiance die je desnoods in het Nieuw-Grieks aflegt?»

Sanders: «Ik wil niet dat er tweederangsburgers bestaan.»

Schoo: «Maar dat is al praktijk. Kijk naar de dubbele nationaliteit bij bijvoorbeeld de Nederlandse Turken. In hun land van herkomst mogen ze geen onroerend goed bezitten als ze de Turkse nationaliteit kwijt zijn. Dus heeft onze regering in haar bevoogdende wijsheid besloten dat het voor onze Turken mogelijk moet blijven hier in een armoedebuurt te wonen en in Turkije een mooi huis te hebben. Zo integreer je nooit.»

Kehla: «Ho, ho. Ik woon nu in een land waar ik word bevoogd en behandeld als een niet-volwaardige burger. Moet ik zo trots zijn op dat Nederlandse paspoort dat ik dan maar mijn Kameroense nationaliteit opgeef? En wat als ik op een dag terug moet, omdat jullie mij niet willen?»

Pasklare oplossingen voor alle problemen die immigratie en integratie met zich meebrengen zijn er niet, zo realiseren zich de debattanten. «Wat hier in een kort bestek aan onoplosbaarheden over tafel gaat, is niet mis», constateert Vink. Onversluierd over de problemen blijven praten, dat is het enige wat in de buurt komt van een conclusie. Vink: «De problemen zijn veel te groot, die kunnen we in de verste verte niet aan. Zelfs lokaal maken we er een potje van, van Srebrenica tot Kollum. Dat leidt tot een verlamming van de moraal.»

Sanders: «Maar een inspanning is écht nodig. Vijftien jaar geleden, toen ik mijn eerste stukjes erover schreef, was dit thema exotisch. Nu is het aan de orde. Zoveel zijn we opgeschoten.»

Schoo: «Misschien is het een troost dat jongeren met het veranderde klimaat zijn opgegroeid. Zij vinden gewoon wat wij akelig vinden. En ach, in ieders leven komt vast een moment dat je denkt: nu is alles zo veranderd, ik moest maar eens dood. Maar zo apocalyptisch is het wat mij betreft niet.»

Als de jassen worden aangetrokken lijkt de Gestapo-uitspraak vergeten. En wederom kan Kehla een bijtend grapje niet onderdrukken. «Wat nu als je dochter thuiskomt met een Marokkaan, Jaffe», grijnst hij. Vink lacht als een boer met kiespijn.

Stellingen minderhedendebat

«De vier grootste culturele minderheden in Nederland — Marokkanen, Turken, Surinamers en Antillianen — kennen een relatief hoge criminaliteit en het inzicht daagt dat deze criminaliteit onvoldoende kan worden verklaard uit hun sociaal-economische achterstand of uit immigratieproblemen. Maar het gegeven dat hun cultuur hierin ook een belangrijke rol speelt, werd genegeerd uit angst om onderscheid te maken — te discrimineren — tussen verschillende culturen, en vooral uit angst om het eigen volk of de eigen cultuur als maatstaf te nemen voor de beoordeling van andere culturen. Deze angst om te onderscheiden komt voort uit een hemeltergend cultuurrelativisme, waarmee we ons al decennialang kastijden.»

«We denk dat we aardige en vriendelijke mensen zijn in een klein en vredig land, we lopen te koop met onze mensenrechten, we nemen de tijd om de vorige oorlog te verwerken, we zien in elke vreemdeling — déjà vu — een vluchtende jood (…).»

«Het is moeilijk te begrijpen wat al die voorstanders van de multiculturele samenleving ooit voor ogen hebben gehad. Hebben zij serieus gedacht aan een gezellige smeltkroes van de Marokkaanse en Nederlandse cultuur? Weten ze dan niet dat Marokkanen in Nederland merendeels uit traditionele gezinnen komen, die voor buitenstaanders als verboden terrein gelden?»

Jaffe Vink

Uit: Brief aan mijn dochter: Een tocht door het pandemonium van seks en geweld

«Verder lees ik dat ‹100 procent van de Marokkaanse en Turkse jongeren› zich moslim noemt. Ik kan ze geen ongelijk geven. Je komt naar Nederland, wordt van de ene op de andere dag herdoopt tot ‹allochtoon›, en je krijgt al snel in de smiezen dat dat een net, Nederlands woord is voor ‹probleemgeval›.»

«Er bestaat naast een economisch ook zoiets als een taalkundig poldermodel, waarin alle verschillen tussen mensen worden verkleind, verdoezeld of verbuitenlandst. In Amerika hebben ze zwarten of negers, maar wij vinden dat overdreven. Dus proberen we het ongemak te bezweren met een uitheems begrip, een samenstelling van twee Oud-Griekse woorden: ‹allochtoon›. Wij branden onze vingers en onze mooie Nederlandse taal niet aan het etnische verschil. We lossen het op in nietszeggendheid, en mocht er toch nog narigheid van komen, dan verwijzen wij omstandig naar de klassieke Oudheid.»

Stephan Sanders

Uit: de Volkskrant (12 mei 2000 en 8 januari 2000). Eerdere columns werden gebundeld in Buitenwacht

«Wie weet is pro-immigratie straks ook in Nederland rechts, net als in de jaren zestig, toen big business gastarbeiders wilde en werkgeversgezinde ministers snel, zonder enige weerstand te bieden, aan die eis toegaven.»

«Terwijl het land kampte met trage, vrijwel baanloze groei in combinatie met hoge werkloosheids- en andere inactiviteitscijfers, nam het honderdduizenden nieuwe ingezeten op. (…) Gezinshereniging en -vorming, begin jaren zeventig mogelijk gemaakt voor in de jaren zestig toegelaten gastarbeiders, brengen na bijna dertig jaar nog altijd nieuwe lichtingen immigranten naar Nederland. (…) Geheel nieuwe groepen asielzoekers uit tot voor kort onvermoede landen maken er nu gebruik van. Aldus krijgen tienduizenden de facto economische immigranten toegang tot ons land.»

«Even taaie als actuele maatschappelijke problemen — op het gebied van onderwijs (achterstanden), gezondheidszorg (tekorten naast allochtone overconsumptie), inactiviteit en criminaliteit (beide onevenredig allochtoon) — vloeien voort uit de huidige immigratie.»

«De praxis van de immigratie werd in no time voorzien van de theorie van het multiculturalisme, de opvolger-ideologie van de Maakbare Samenleving.»

Hendrik Jan Schoo

Uit: De verwarde natie: Dwarse notities over immigratie

«Wat het voor allochtonen extra moeilijk maakt hun burgerschap als ambt te vervullen, is dat Nederland hen momenteel allerminst als volwaardig lid van de samenleving accepteert. Ik meen zelfs dat er sprake is van een neo-conservatieve ‹backlash›. Deze ontwikkeling wordt gedragen door een bont gezelschap van gefrustreerde ex-progressieven en kleinburgerlijke grachtengordel-intellectuelen. Er is een sterke lobby van anti-politiek-correcten.»

«Het probleem van allochtonen is niet zozeer hun verantwoordelijkheidsbesef, maar het feit dat zij niet als lid van de Nederlandse gemeenschap worden erkend. Dat maakt het voor hen moeilijk, zo niet onmogelijk verantwoordelijk gedrag te tonen jegens medeburgers en overheid. Om burgerschap als ambt te kunnen vervullen is het van belang dat je als volwaardig lid van de samenleving gewaardeerd wordt.»

Jude Kehla

Uit: Toespraak Forum, instituut voor multiculturele ontwikkeling (25 januari 2001),BR>