Onlusten in Turkije

Met een knipoog van Atatürk

En plotseling kwam het volk in opstand tegen de premier die het land welvarend maakte. ‘Erdogan wil Turkije in Saoedi-Arabië veranderen. Hij heeft de terrasjes laten ontruimen omdat mensen daar bier dronken.’

Istanbul – De kinderen van de immer voorzichtige Turkse middenklasse blijken geboren krijgers. De nieuwe generatie Turken met merkschoenen aan de voeten, dure T-shirts van voetbalclubs aan het lijf en kleine tatoeages op de huid vechten al een week tegen de beruchte Turkse politie. De jongens en de meisjes worden belaagd met traangas en knuppels, maar ze deinzen niet terug.

Het is zaterdagnacht, de honderden ­demonstranten op de voetgangersbrug in de wijk Besiktas verwelkomen de regen als een groot geschenk uit de hemel. ‘Het traangas voel je dan niet zo, merk je dat?’ zegt een jong meisje in opperste blijheid tegen haar vriendje. Een potige man, die de Turkse vlag als een sjaal voor zijn gezicht houdt om het effect van het gas te verminderen, beveelt met een bazuinstem dat ze de brug moeten verlaten: ‘Als de politie van beide kanten aanvalt, zitten we als ratten in de val. Ga weg hier.’ De demonstranten verlaten ­schoorvoetend deze plek die een perfect uitzicht biedt op de brede weg waar politieauto’s naar boven, in de richting van de demonstranten ­proberen te rijden. Maar eerst moeten ze een barricade van vuur en stenen zien te passeren.

In het hart van Istanbul, het historische Besiktas, blijft de regen aanhouden. De demonstranten laten de beschutting van bushaltes en bruggen en bomen voor wat het is en bewegen langzaam richting het echte centrum van Besiktas. Want dáár, in de smalle straten, woedt de echte oorlog, weten zij. Zoals ze meter voor meter terrein winnen op de politie lijken ze op wilde dieren die met doodsangst voor de krokodillen de rivier willen oversteken. ‘Er schijnen zwaargewonden te zijn daar’, zegt een jongeman die zelfs in deze chaos niet verzuimt om een sigaret op te steken. Anderen hebben het over een dode, daar in het centrum.

Een jonge vrouw met geblondeerde haren staat bij haar man die een steen uit de stoep rukt om die straks naar de politie te gooien. De vrouw doet het woord: ‘Tayyip Erdogan heeft geen respect voor ons en kleineert ons in iedere toespraak. Hij wil onze vrijheden afpakken. We willen geen islamitische dictatuur in dit land.’

De menigte weet dat er traangas komt, want ze staan te dicht bij het centrum. Een vader en een moeder zijn mee vannacht, niet om ook te vechten maar om hun dochter constant aan de arm te trekken en te smeken: ‘Kom, nu is het genoeg geweest, laten we naar huis gaan schat.’ De dochter werpt iedere keer tegen: ‘Ik studeer geneeskunde, ik moet hier zijn voor de gewonden.’

De gascapsules vallen naast onze voeten. Dat de regen het effect van traangas zou verminderen blijkt een leugen. Het huilen kan weer beginnen in Istanbul.

Het is nu kwart over twee. De vraag die door mijn hoofd maalt is of de nieuwe lichting revolutionairen overal ter wereld net zo gek is als in Turkije. Ze gooien een steen, ze roepen een leus, ze schrijven een tekst op de winkelmuren en grijpen dan meteen naar hun mobiele telefoons. Een foto op Facebook, een zin op Twitter.

Tot drie uur wordt er niet gevochten op de grote boulevard Barbaros. De donkere, tengere filosofiestudent, die eerder behoorlijk was uitgegleden op het asfalt, inhaleert met grootse levensvreugde de rook van een sigaret en vertelt waarom hij hier staat: ‘Hij wil Turkije in Saoedi-Arabië veranderen. Dit land is het land van de wijngod Bacchus. Hij heeft de mooie terrasjes in Taksim laten ontruimen omdat mensen daar bier dronken. Hij haat kunst, hij laat prachtige standbeelden weghalen. De stad puilt uit van de nieuwe moskeeën die in zijn opdracht worden gebouwd. Hij beslist alles. We hebben genoeg van zijn betweterij en zijn arrogantie. Erdogan moet oprotten.’

Na drie uur begint de groep weer voort te bewegen. Waarschijnlijk omdat de politie haar handen vol heeft aan de meest gehaaide militanten in de smalle straten. Ik sta bij de kiosk waar ik ’s ochtends altijd mijn kranten haal. Links van ons, aan de andere kant van de boulevard, staat het imposante standbeeld van Kemal Atatürk. De lang geleden gestorven dictator ziet de gevechten aan. Het is te donker om te zien of hij het feit dat de Turken alleen hém als dictator accepteren met een stoute glimlach onthaalt.

De filosofiestudent heet Alper. Hij is 25 jaar en komt uit de stad Eskisehir. Zijn ouders zijn onderwijzers die hun zoon blijkbaar hebben gemotiveerd om veel te lezen. Alper verhaalt namelijk over de historische achtergrond van de in de jaren veertig afgebroken Ottomaanse kazerne die de premier nieuw leven wil inblazen, maar dan wel alleen aan de buitenkant. Binnenin moeten huizen en winkels komen voor de vermogende Turken. ‘Weet je’, zegt hij, ‘ooit stond de kazerne bekend als de plek waar de meest fundamentalistische soldaten bivakkeerden. De republikeinen hebben hem daarom weggehaald. Is het niet veelbetekenend dat Erdogan zo zijn zinnen heeft gezet op dat park bij het Taksimplein? Hij wil revanche op Atatürk en diens seculiere gedachtegoed.’

Tot het ochtendgloren laat Alpers telefoon hem niet met rust. Het is de honderdste keer dat zijn moeder uit Eskisehir zijn stem wil horen. Alper drukt het gesprek iedere keer weg. Hij steekt weer eens een sigaret op en zegt: ‘Geef het buitenland maar door dat de Turken weigeren schapen te zijn van een herder. Het kan me niet schelen hoeveel stemmen hij behaalt. Als hij maar niet denkt dat hij mij zijn benepen islamitische levensvisie kan opdringen.’

Als het ochtend is trekken de demonstranten zich terug. Ze gaan overdag rusten om in de avonduren terug te keren. De winkeliers die eerder dan iedereen naar het plein komen omdat ze nieuwsgierig zijn naar de toestand van hun winkels zijn blij omdat die niet zijn aangeraakt. Het gas dat in de lucht hangt, tast hun ogen aan. Betraand openen ze de deuren van hun winkels.

De politie blijft de wacht houden op de hoek bij McDonald’s waar de ramen wel zijn ingeslagen. Twee jonge mannen openen de armen naar hen. De agenten schudden het hoofd om aan te geven dat geen sprake kan zijn van een omarming. Naci en Ahmet heten de mannen, die prat gaan op het feit dat ze grote bewonderaars zijn van Tayyip Erdogan. De iets langere van de twee heeft de houding van een havik die op het punt staat om zijn prooi aan te vallen. Hij heeft vergeelde tanden en veel borsthaar. ‘Onze partij­leiders smeken ons om niet te vechten. Anders zou ik die ongelovigen graag een lesje leren. Als het tijd is, zullen ze leren om de beste premier in de geschiedenis van Turkije op zo’n walgelijke wijze uit te schelden.’ Ahmet kan de scheldwoorden niet over zijn lippen krijgen, maar de twee letters die overal op de muren zijn geklad, zijn H van hoer en Z van zoon… Op een van de muren is de eerste letter maar voor de helft voltooid, de activist moest mogelijk vluchten voor de politie.

Is het dan goed dat Tayyip zich met de levensstijl van anderen bemoeit? Hij noemt iedereen die af en toe een biertje drinkt een alcoholist. Hij noemt ze dronkenlappen. Hij keurt het goed dat in de metro van Ankara is omgeroepen dat de reizigers zich zedelijk dienen te gedragen. Naci heeft geen zin in een discussie: ‘Die man heeft het beste voor met ons. Moet hij soms zeggen dat iedereen moet drinken? En wat is er zo slecht aan om onzedelijk gedrag in het openbaar te corrigeren?’ Ahmet moet bijna huilen, niet van het traangas zoals de rest van de stad, maar om wat de politieagenten al dagen meemaken: ‘Deze mensen hebben ook een gezin. Ze vertelden ons net dat ze al drie dagen niet naar huis zijn geweest. Ik kijk uit naar de dag dat ook wij de straat op gaan. Dan zal ik die hufters met groot genot een pak slaag geven.’

Later op de dag vertrekt Erdogan naar Marokko. Voordat hij in het vliegtuig stapt, maakt hij in een persconferentie ruzie met een journalist die een kritische vraag durft te stellen. Hij onderstreept dat onder zijn leiding gratis onderwijs is ingevoerd. En dat hij gratis computers gaat uitdelen op scholen. Hij snapt de rellen dus niet en vermoedt de saboterende vinger van de republikeinse oppositiepartij chp erachter. Ook vergeet hij niet om in te wrijven dat hij vijftig procent van de stemmen heeft en dat die vijftig procent ook wel eens de straat op zou willen gaan. Daarna stapt hij in het vliegtuig en laat het land achter zich dat in de nachtelijke uren weer in vuur en vlam zal staan.

De regeringsgezinde televisiezenders laten beelden zien van een moskee waar de demonstranten de afgelopen nacht hun heil hebben gezocht. De zonen en de dochters van de altijd bange middenklasse hebben het heilige huis van Allah met schoenen betreden. De verslaggever schreeuwt in de microfoon dat die ‘provocateurs’ hun bierflessen hebben achtergelaten in de moskee. Hoeveel groter zou de woede bij Ahmet en Naci nu zijn?

De eeuwige strijd tussen de moskee en de moderniteit vangt om negen uur weer aan in de wijken van de rijkere middenklasse. De huisvrouwen doen de ramen open en produceren een hels kabaal door met lepels op pannen te slaan: de warming-up voor een nieuwe lange nacht van gevechten. De nieuwe generatie seculieren accepteert geen islamitische dictatuur. De standbeelden van de man die tachtig jaar geleden zonder tegengeluid de grote baas kon zijn, staan overal in Turkije. Ook vannacht is hij weer getuige van gevechten in zijn eigenaardige republiek. Als hij gisternacht niet glimlachte, dan doet hij dat vannacht wel. De vraag is of hij om de in de hoek gedrukte Erdogan lacht die de fundamenten van zijn republiek deed trillen, of om het feit dat dit alles begon nadat tien magere studenten het kappen van vijf bomen in een miezerig park bij het lelijkste plein ter wereld wilden tegenhouden.