Met een revolver de straat op

Voor zijn geschiedenis van het anarchisme tot 1932 kon Alex Butterworth kiezen uit talloze radicale vrijheidsdromers. Hij had daarbij een gelukkige hand.


In de jaren zestig van de vorige eeuw had een flirt met het anarchisme vooral iets chics. Onaangepaste, hemelbestormende maar hooguit ludiek aan het systeem morrelende dichters en schilders noemden zich graag anarchist. Niemand dacht nog aan ontvoeringen en bomaanslagen, de Rote Armee Fraktion (overigens eerder leninistisch dan anarchistisch) moest nog worden opgericht. En de CPN (idem) was voor vrijgevochten links geen optie. Onbegrijpelijk nog altijd - maar wel al een teken aan de wand - dat zoveel studenten zich vrijwillig schikten naar het partijkoeterwaals van de stramme heren van De Waarheid, terwijl elders toch al heel andere, vrijere geluiden te beluisteren waren.
Wij kenden bovendien twee prominente vertegenwoordigers van wat ik nu maar het historisch anarchisme noem: Arthur Lehning en Anton Constandse, beiden van 1899, beiden gelouterd door de Spaanse burgeroorlog van 1936, in ‘de korte zomer van de anarchie’ (Enzensberger), en beiden indertijd nog volop publicistisch actief - tegen de communisten en de centralistische staat, tegen het leger, tegen de godsdienst, tegen seksuele en elke andere repressie, kortom geheel in de geest van de sixties. Maar Lehning en Constandse waren ook intelligent genoeg om te weten dat het onverwaterde, negentiende-eeuwse anarchisme onverenigbaar was met elke moderne samenleving, en uiteraard wezen ze alle terreur, door de terroristen zelf doorgaans eufemistisch aangeduid als propaganda van de daad, zonder meer af.
In De wereld die er nooit kwam: Een geschiedenis van het anarchisme van Alex Butterworth komen Lehning en Constandse niet voor. Dat kon ook moeilijk, het boek loopt tot 1932, het sterfjaar van Enrico Malatesta, die wel uitgebreid ter sprake komt. Jammer is die vroegtijdige afsluiting wel, al was het maar omdat nu het huidige rechtse massa-anarchisme, ook wel populisme genoemd, geheel buiten beeld blijft. Jammer is ook de beperking tot Frankrijk en Rusland. Spanje en Duitsland, broeinesten van anarchisme en socialisme, komen alleen ter sprake voorzover de gebeurtenissen daar grensoverschrijdende gevolgen hadden.
Maar die beperkingen kun je de auteur moeilijk verwijten. Butterworth had te maken met een overstelpende hoeveelheid materiaal, kiezen was noodzakelijk. En daarin had hij wel degelijk een gelukkige hand. Zijn geschiedenis is een met bewonderenswaardige souplesse uitgevoerde tour de force, een adembenemend leesavontuur van de eerste tot en met de laatste van de zeshonderd dichtbedrukte pagina’s.
Een geschiedenis, geen verhandeling en zeker geen verdediging van het anarchisme. Natuurlijk komen de historische hoogtepunten, alsook de diverse standpunten en broedertwisten ter sprake, maar in het voorbijgaan, eerder als min of meer toevallig bijproduct van de alledaagse schermutselingen dan in de vorm van een systematische uiteenzetting. Butterworth is historicus en toneelschrijver, in dit boek heeft hij vooral de ervaringen van die laatste benut. Zijn geschiedenis speelt zich niet zozeer af in het overzichtelijke gebied van oorzakelijkheden en jaartallen als wel in het dicht gesponnen web van vaak ondergrondse en nauwelijks gedocumenteerde gebeurtenissen. Veel van zijn personages, die hij met oog voor kolderieke details volgt, komen in de gewone geschiedenisboeken alleen in een bijzin voor. Butterworth staat - grofweg een eeuw na dato, dus uiteraard - sceptisch tegenover hun radicale vrijheidsdromen, tegelijkertijd toont hij zich voldoende invoelend om de afglans van die dromen in toon, stijl en structuur van zijn boek zichtbaar te maken.
Een van zijn hoofdfiguren is de Franse geograaf Elisée Reclus. Hij was de eerste die het woord 'anarchist’, tot dan een scheldwoord van ideologische tegenstanders, positief gebruikte. Al tijdens de Franse Revolutie had het dictatoriale Directoire zijn vijanden als voorstanders van de anarchie - plusminus: de chaos - betiteld; na de nederlaag van de Commune van Parijs (1871) wilde Reclus, die na de dood van Michail Bakoenin in 1876 als leider van de beweging optrad, de frustratie van zich afschudden en zijn potentiële aanhangers door het ommunten van dat scheldwoord uit hun apathie wakker schudden.
Reclus had al veel eerder van zich doen spreken. Als auteur van half wetenschappelijke, half utopische artikelen (en als collega van Jules Verne) had hij in de jaren 1860 veel succes. Tijdens de Commune bood hij zijn diensten als aspirant-ballonvaarder aan aan Henri Rochefort, belast met de verdediging van de stad tegen de Pruisen. Voor de inlichtingendiensten, ook toen al beslissend in de oorlogvoering, was de ballon onontbeerlijk. Bijna hilarisch - ondanks de gruwelen die Butterworth de lezer niet bespaart - zijn de verhalen over de vindingrijkheid van het Barricadencomité en zijn enthousiast meedenkende supporters. Volgens een van de voorstellen moesten de leeuwen uit de dierentuin op de vijand worden losgelaten. Een ander voorstel betrof een reusachtige hamer, die met behulp van ballonnen tot boven de Pruisische legers moest worden gebracht om die daar vervolgens onder te verpletteren.
De werkelijke strijd werd met nauwelijks minder fantastische middelen gevoerd. De geheime diensten van de tegenstanders, geleid door de geniale schurk Wilhelm Stieber, maakten gebruik van afgerichte valken die postduiven uit de lucht moesten halen. Als tegenzet rustten de communards hun duiven uit met fluitjes die de valken afschrikten, zodat die de fotografisch verkleinde brieven die in kokertjes aan hun pootjes waren vastgebonden bij de bondgenoten buiten Parijs konden afleveren. 'Elke postbestelling’, schrijft Butterworth met merkbaar plezier, 'betekende dagen werk voor een ploeg van zwoegende kopiisten, die de met een vergroter gekopieerde teksten overschreven.’ Waarna hij ook nog gewag maakt van een oud idee voor een communicatiesysteem gebaseerd op 'sympathetische slakken’, waarvan 'de gesynchroniseerde bewegingen tijdens het paren lettercodes konden uitwisselen’, maar ik moet bekennen dat de technische details daarvan me ontgaan.
Reclus was misschien eerder een reformist dan een anarchist. Hij geloofde minder in de effectiviteit van bommen dan van pedagogische, aan de theorieën van Rousseau ontleende ideeën. Dat bracht hem in conflict met Pjotr Kropotkin, wiens levensgeschiedenis in het boek van Butterworth het uitvoerigst, zij het in sterk versnipperde delen, gevolgd wordt. Kropotkin was voorstander van een fervent anti-intellectualisme, misschien uit een schuldgevoel over de bevoorrechte opvoeding die hij had genoten. Een waarlijk anarchistische samenleving kon volgens hem alleen maar tot stand komen door een spontane, instinctieve revolutie van de boerenmassa’s. In de strijd voor een kortere arbeidsdag en voldoende vrije tijd om aan sport en cultuur te doen, was hij niet geïnteresseerd, al schijnt zijn vertrouwen in 1877 een flinke knauw te hebben opgelopen als gevolg van Malatesta’s mislukte boerenopstand in de bergen van Matese.
De meeste anarchisten hadden weinig moeite met geweld. Daar moet dan wel meteen als verzachtende omstandigheid aan worden toegevoegd dat de tsaren, dictators en andere despoten op wie ze hun aanslagen beraamden daar zo mogelijk nog minder moeite mee hadden. In De revolutionaire catechismus - een coproductie van Bakoenin en zijn nihilistische discipel Sergej Netsjajev (die model stond voor de rancuneuze lomperik Pjotr Verchovenski in Dostojevski’s Duivels) - lezen we: 'Wij wijden ons uitsluitend aan de vernietiging van het bestaande sociale systeem. De wederopbouw is niet onze taak, maar de taak van hen die na ons komen.’ En: 'De revolutionair is iemand die zichzelf verloochent. Hij heeft geen persoonlijke belangen, geen zaak, geen emoties, geen banden, geen bezit, zelfs geen naam (…) Tot in zijn diepste wezen heeft hij alle banden met de maatschappelijke orde verbroken, niet alleen in woord, maar ook door daden.’ Logisch dat die revolutionair zijn hand niet omdraaide voor een moord meer of minder.
Tegen het einde van het boek maakt Butterworth in welgeteld één zin gewag van de invloed van het anarchisme op 'de wereld van de kunstzinnige expressie’. Dat zou ik sterker formuleren: de esthetische avant-garde uit het begin van de twintigste eeuw is zonder het anarchisme nauwelijks voorstelbaar; in het bijzonder het surrealisme is niets meer of minder dan de voortzetting van het anarchisme met andere middelen. En gedeeltelijk trouwens ook met dezelfde middelen. Beide bewegingen hadden een sterke retorische voorkeur voor het manifest, bij voorkeur in de vorm van een oorlogsverklaring. André Bretons beruchte uitspraak dat 'de eenvoudigste surrealistische daad’ eruit bestaat 'met een revolver in de hand de straat op te gaan en lukraak, zoveel als mogelijk, op iedereen te schieten’, zou uit menige anarchistische tekst kunnen zijn overgepend, bijvoorbeeld uit het Zwitserse blad l'Avant-Garde, niet toevallig een term van militaire origine. Daarin kregen de plegers van een mislukte aanslag te horen dat ze overdreven scrupuleuze methoden hadden gehanteerd, en 'dat ze gewoon een bom naar hun slachtoffer hadden moeten gooien, zonder zich druk te maken over de mensen in hun gevolg’.
Veel anarchisten hielden zich nadrukkelijk bezig met morele deconditioneringsoefeningen, vergelijkbaar met de pogingen van dadaïsten en surrealisten zich grammaticaal van oude gewoonten te bevrijden. Netsjajev gaf sympathiserende studenten bij de politie aan met de bedoeling dat ze door de straf zouden radicaliseren. Ook verplichtte hij hen als bewijs van absolute toewijding aan de zaak deel te nemen aan een moord. In de Sint-Petersburgse Tsjajkovski-kring stonden studie en discussie hoog op de agenda, 'ondersteund door een eentonig dieet van soep en gehaktballen van paardenvlees’ waarvan slechts eenmaal werd afgeweken, namelijk toen ze besloten een paar jonge hondjes te offeren die onder hun balkon speelden, zodat zij 'in naam van de strijd tegen vooroordelen eens hond konden proberen’. Blijkens De wereld die er nooit kwam moet het anarchisme doortrokken zijn geweest van een surrealistische sfeer. Tussen droom en daad stonden weliswaar wetten in de weg, maar zelden praktische bezwaren, laat staan 'weemoedigheid, die niemand kan verklaren’.
Niettemin werden sommige anarchisten met het klimmen der jaren milder. Kropotkin had altijd geloofd dat een waarachtige sociale revolutie alleen mogelijk was na een totale vernietiging van alle bestaande instituties, en hoewel aanzienlijk minder maniakaal dan veel van zijn geestverwanten had hij geweld voor de rechtvaardige zaak nooit principieel afgewezen. Op zijn oude dag, in 1917, werd hem zelfs een ministerspost aangeboden in de Voorlopige Regering van Kerenski’s reformistische - zeg maar sociaal-democratische - mensjewieken. Voor Lenin en zijn bolsjewieken koesterde hij een diepe minachting. 'Hij is een krankzinnige, een offerpriester die wil verbranden en afslachten en offeren.’ Dat Lenins revolutie nog tot iets goeds kon leiden leek hem uitgesloten.
Beeldend beschrijft Butterworth zijn laatste dagen: 'Terwijl zijn vrouw Sasja tijdens die laatste winter (van 1920/1921 - co) eten uit hun bevroren moestuintje bijeenscharrelde, werden Kropotkins schrale energiereserves besteed aan het optekenen van zijn gedachten over deze verschrikkelijke orkaan van revolutie om hem heen, die aan alle menselijke controle was ontglipt.’ Zinnen die bij mij het beeld opriepen van onze laatste anarchist: een gelaarsde, in boerenoveral gestoken Roel van Duijn, een man die nog geen vlieg kwaad kon doen maar die niettemin decennialang door de AIVD werd geschaduwd. In het kader van een spirituele herbezinning na de opheffing van Provo had Van Duijn zich in 1967 teruggetrokken op een biologisch-dynamisch boerenbedrijf, waar hij zowel de kabouter als Kropotkins visioen van een vredige, in harmonie met de natuur levende gemeenschap ontdekte. Twee jaar later schreef hij De boodschap van een wijze kabouter: Een beschouwing over het filosofische en politieke werk van Peter Kropotkien in verband met onze huidige keuze tussen katastrofe en kabouterstad.
Ik heb dat boek nooit gelezen; de ondertitel doet vrezen dat dit filosofische jeugdwerk van Van Duijn inmiddels ietwat aan actualiteit heeft ingeboet. Maar wat zou ik het toejuichen als een dwarse uitgever ons verraste met een pittige keuze uit de opstellen van de vrijdenker Anton Constandse - als gereserveerd eerbetoon aan die vaak moedige, onbaatzuchtige, fantasierijke, zij het even vaak naïeve, amorele, gewelddadige anarchisten. Maar vooral als prikkelend antidotum tegen het tamme, fantasieloze en conformistische links van onze dagen dat zich met het rechtse massa-anarchisme geen raad weet.


ALEX BUTTERWORTH
DE WERELD DIE ER NOOIT KWAM
Vertaald door Ineke Mertens, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 605 blz., € 39,95