Met een steentje in de hand

De stenen getuigen is de eerste roman van de in 1956 geboren Japanse schrijver Hakiru Okuizumi die in het Nederlands is vertaald. De kennismaking is me wel bevallen. In niet meer dan 140 pagina’s lukt het Okuizumi om het levensverhaal van de stenenverzamelaar Menase zo te vertellen dat het een exemplarische waarde krijgt. In de eerste plaats als Bewältigungsversuch van een Japanner die worstelt met zijn eigen oorlogsverleden, met de wreedheden die hij heeft begaan en met zijn willoosheid tegenover bevelen. Menase tracht de gruwelen van de oorlog - meer specifiek: één bepaalde herinnering aan gebeurtenissen die zich in een grot in het oerwoud hebben afgespeeld - te verdringen door volledig op te gaan in het vergaren, slijpen en classificeren van stenen. Je zou het kunnen lezen als een poging de tijd te verstenen en zo onschadelijk te maken.

Natuurlijk lukt dat niet. ‘In één klein steentje uit een rivierbed staat heel de geschiedenis van het heelal gegrift’, zo luidt de eerste zin van het boek, en verderop wordt meermalen opgemerkt dat zo'n steen maar een stadium is in het voortdurende, geologische veranderingsproces dat gaande is. Zo wordt Menases oudste zoon, die zijn fascinatie voor geologie van hem heeft overgenomen, op zeer jonge leeftijd op gruwelijke wijze vermoord (bij een grot), en sterft zijn jongste zoon - zelf in opstand tegen de versteende naoorlogse Japanse maatschappij - na eerst deelgenomen te hebben aan de studentenopstanden uit de jaren zestig ten slotte als terrorist. Het leven zelf houdt zich niet aan de verlangde bewegingloosheid.
Maar op nog een andere manier is Menases poging om met geologie zijn herinneringen te verstenen tot mislukken gedoemd. Zijn obsessie voor stenen is een regelrecht uitvloeisel van wat er destijds in die grot is gebeurd. Daar kreeg Menase de opdracht een stervende, over stenen pratende medesoldaat te doden, en zo bezien houden de stenen juist zijn herinnering vast, keert hij - in gedachten, in dromen en zelfs, zo wordt gesuggereerd, in werkelijkheid - telkens en telkens weer terug naar die grot.
Okuizumi creëert op deze wijze de prachtige paradox waarin het verstrijken van de tijd inderdaad opgesloten zit in die ene, nooit werkelijk voorbijgaande gebeurtenis. Zijn persoonlijke medeplichtigheid, zijn schuld, die tevens een collectieve schuld is, wordt zo een eeuwige schuld: de schuld die ieder mens op zich laadt omdat hij om te leven nu eenmaal moet handelen en omdat zich in dat handelen onvermijdelijk het tekort aandient dat zijn schuld veroorzaakt. Het is de enige conclusie die het boek je laat: dat men om het tekort en de daarmee verbonden schuld te vermijden, er niet zou moeten zijn - wat natuurlijk niet mogelijk is.
Zo geformuleerd klinkt het misschien wat zwaar allemaal, en De stenen getuigen is ook zeker geen lichtvoetig boek. Maar het is zeker niet zo zwaar beladen met dit soort filosofieën als ik nu suggereer. Okuizumi heeft het zo geschreven dat hij zijn lezers in het begin een steentje in de hand geeft, meer niet. Al lezend begin je te ervaren hoe dat steentje gewicht krijgt, totdat het vertegenwoordigt wat de eerste zin van het boek al aankondigde: de geschiedenis van het heelal en onze plaats daarin.