Met een usb-stick in Theresienstadt

In Austerlitz, de meesterlijke roman van W.G. Sebald, staat een zin van maar liefst negen pagina’s die in detail vertelt over de claustrofobische interne organisatie van Theresienstadt, de door de nazi’s met joden herbevolkte achttiende-eeuwse Tsjechische vestingstad. Met een gettosysteem waarin iedereen werkte, en ‘met zijn futuristische vervorming van het maatschappelijk leven’ (Sebald), werd de schijn van een normaal leven opgehouden door zestigduizend gevangen joden op één vierkante kilometer. Sommige bewoners hadden wel tachtigduizend D-mark betaald om er te mogen wonen, terwijl uiteindelijk iedereen de code R.n.e., Rückkehr nicht erwünscht, in het paspoort kreeg en naar een vernietigingskamp werd gestuurd.
De Tsjechische schrijver Jáchym Topol (1962) vertelt in zijn roman De werkplaats van de duivel de nageschiedenis van dat artificiële oord. Het is het verhaal van een handvol overlevenden, dolenden in de verlaten gebouwen, onderaardse catacomben en massagraven, achtergebleven na de bevrijding. Er is een moeder, die nooit buiten komt en zich verschanst heeft onder het opeengestapelde meubilair, als het prototypische slachtoffer van de holocaust, als 'oorlogsheldin’. Er is de indrukwekkende ome Kops, 'de enige op de wereld die niet alleen in Theresienstadt is geboren, maar hier ook zijn hele leven heeft doorgebracht’ - een slachtoffer met recht van spreken, dat hij ook volop zal gebruiken in deze roman. En er is de bijna tijdloze, bijna metafysische ik-persoon, een jongen nog, een geitenhoeder met een usb-stick op zak. Op die stick, hij noemt hem 'de spin’, staan alle gegevens van de talloze gulle gevers die door ome Kops gestrikt zijn voor de 'revitalisatie’ van Theresienstadt.
Schuld is democratisch. In dit schrijnende én hilarische boek, dat aanzet tot nadenken over de vele valkuilen van geschiedschrijving en verwerking van oorlogsleed, dragen alle hoofdpersonen schuld. Vader, een Tsjechische soldaat die Theresienstadt bevrijdt, redt moeder van de dood, maar zet ook ongewild de constructie in werking waarmee zij zichzelf ophangt. De zoon, die niets liever wil dan zijn vaders droom van de vestingstad verdedigen, heeft de hand in zijn vaders dood - en zo verder.
De jongen is nauw betrokken bij de oprichting van een commune van krakers en verdoolden in Theresienstadt. De commune bestaat voornamelijk uit 'britsenspeurders’: jonge mensen die op zoek gaan naar de geschiedenis van hun voorouders, die alle concentratiekampen afstruinen in de hoop een glimp op te vangen van hun nooit gekende opa’s en oma’s. De derde generatie, met creditcard op zak en joint in de aanslag. Er wordt een commercieel project opgezet waarbij het gaat om zielenheil, maar ook om souvenirverkoop. En het geld stroomt binnen.
Koelbloedig, zo kun je de jongen wel noemen, maar niet wreed. Het is de kalmte van iemand die alles heeft gezien, gehoord, meegemaakt. Deze figuur lijkt symbool te staan voor de West- en Midden-Europese mens die tot in alle details de holocaust heeft onderzocht, vastgelegd en tentoongesteld. Hoe kan hij nog beroerd worden of geschokt?
Het kan.
Want deze roman gaat ook over een absurdistische en ironische recordpoging. Waar heeft de oorlog het gruwelijkst huisgehouden? In welk land vielen de meeste slachtoffers? Zo veel we weten over Theresienstadt, zo weinig weten we over wat zich oostelijker heeft afgespeeld, bijvoorbeeld in Wit-Rusland, waar de bevolking tussen 1941 en 1945 is gehalveerd. Het vele geld dat de commune in Theresienstadt opbrengt is de cynische reden om de verteller naar Wit-Rusland te lokken, waar hij wordt geconfronteerd met plannen om in Chatyn een museum (werktitel: De werkplaats van de duivel) op te zetten waar tienduizenden holocausttoeristen op af moeten komen. In Chatyn, niet te verwarren met Katyn, werd in de oorlog de gehele bevolking van 149 mensen levend verbrand. De plannen voor het museum tarten iedere beschrijving. Naar Nederland voor de klompen en de kaas, naar Wit-Rusland voor een authentieke horrortrip!
Deze roman is een modelvoorbeeld van de huidige Tsjechische literatuur, waar Topol een status heeft vergelijkbaar met Arnon Grunberg hier. Volgezogen met postmodernisme, maar ook met de rijke surrealistische traditie van de Tsjechische literatuur. Franz Kafka natuurlijk, maar ook de veel onbekendere hedendaagse Michal Ajvaz, waarvan zojuist het schitterende verhaal De kever is verschenen in de serie Moldaviet, kleine boekjes met Tsjechische novellen door uitgeverij Voetnoot. Ook in deze serie De gekooide charleston van Josef Skvoreck , dat net als De werkplaats van de duivel een oorlogsverhaal is. Skvoreck schrijft nog een traditionele vertelling: terwijl het gewone leven doorgaat, de hoofdpersoon verliefd wordt en zich druk maakt of zij ook wel op hem is, flakkert de oorlog venijnig door het dagelijks leven heen.
Topol daarentegen is in alle finesses een schrijver van deze tijd. Alle kennis lijkt via internet toegankelijk, alles, zelfs het ergste leed, heeft een commerciële dimensie gekregen, alle kwaad wordt overtroffen door nog erger kwaad. We hebben schrijvers van dit kaliber nodig om inzicht te krijgen in deze huidige werkplaats van de duivel.

JÁCHYM TOPOL
DE WERKPLAATS VAN DE DUIVEL
Vertaald door Edgar de Bruin, Anthos, 190 blz.,
€ 17,50