Profiel: dictators in ballingschap

Met een veelbetekenende glimlach

«Als je één persoon vermoordt, dan moet je naar de gevangenis. Vermoord je er twintig, dan word je opgenomen in een psychiatrische kliniek. En als je twintigduizend mensen hebt omgebracht, dan mag je aanschuiven bij een vredesconferentie.» Het is een gemeenplaats, hij weet het. Maar Reed Brody, aanklager («counsel for prosecutions») van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch ziet keer op keer dat er een kern van waarheid in zit. Vanuit het Empire State Building in New York jaagt de Amerikaan onversaagd op staatslieden met bloed aan de handen, op gepensioneerde dictators die ergens op aarde een rustige oude dag gevonden hebben. Maar Brody slaagt tot zijn frustratie maar zelden. De grote schenders van de mensenrechten worden bijna nooit voor hun daden ter verantwoording geroepen.

Neem Idi Amin. Vorige maand overleed hij, de «slachter van Afrika» die in de jaren zeventig in Oeganda rond de driehonderdduizend mensen over de kling joeg. Na een mislukte inval in buurland Tanzania werd Amin in 1979 door troepen van Julius Nyerere van de troon gestoten en terwijl zijn soldaten door de Tanzaniaanse troepen in het noorden van Oeganda gewroken werden, slaagde Amin er met hulp van kolonel Khadafi in het land te ontvluchten. Via Libië en Irak vond Amin uiteindelijk een veilig heenkomen in een ander bevriend moslimland: Saoedie-Arabië. Daar overleed hij op de ochtend van 16 augustus, omringd door enkele van zijn vrouwen, kinderen en kleinkinderen. Hij had de laatste jaren een rustig leventje geleid: beetje zwemmen, beetje fitnessen en de rest van de dag lezen in de koran. Op voorwaarde dat hij zich niet met media of politiek inliet, verzorgden de Saoedies een pensioen en een comfortabel appartement in de havenstad Jeddah. Daar heeft Amin zich aan gehouden. Alleen in het eerste jaar van zijn ballingschap liet hij zich uitgebreid interviewen. Bij die gelegenheid ontkende hij iedere betrokkenheid bij de uitwassen tijdens zijn presidentschap en volstond hij bij al te brutale vragen van de BBC-verslaggever met een veelbetekenende glimlach. Voor het overige heeft hij zich voor zijn gruweldaden nooit meer hoeven verantwoorden.

In Oeganda werd Amin opgevolgd door Dr. Apollo Milton Obote, die eerder in 1971 door Amin was afgezet. Al in zijn eerste termijn, direct na de onafhankelijkheid van het land, maakte Obote zich onder de Oegandezen niet geliefd. Hij poogde Oeganda in hoog tempo te socialiseren, riep zichzelf na de verbanning van de populaire monarchieën van premier uit tot president en liet geplande verkiezingen nooit doorgaan. In 1980 kwam Obote na acht jaar terug aan de macht en bleek hij wreder dan ooit. Terwijl de wereld opgelucht ademhaalde dat het tijdperk-Amin ten einde was, belandden niet-Obote-gezinden in de martelkamers en trokken zijn troepen moordend over het platteland van de Luwero Triangle, een driehoekig gebied ten noorden van hoofdstad Kampala waar de bevolking in 1980 tegen zijn terugkeer geprotesteerd had en waar het rebellenleger van Yoweri Museveni een uitvalsbasis had gevonden. In Luwero werden volgens hulporganisaties in vijf jaar tijd tussen de honderd- en driehonderd duizend burgers door regeringstroepen vermoord. Hun schedels lagen intimiderend opgestapeld op geschraagde tafels langs de kant van de weg. Pas toen in 1986 Museveni aan de macht kwam, werd duidelijk wat zich ten noorden van Kampala had afgespeeld.

Obote was toen al vertrokken. Naar Lusaka, de hoofdstad van Zambia. En daar woont hij nog steeds. Hij is formeel nog altijd de leider van zijn partij, de Uganda People’s Congress (UPC), en vanuit Lusaka schijnt hij zich nog met bijkans elk gewichtig besluit van die partij te bemoeien. Vertegenwoordigers van de UPC arrangeren eens in de zoveel tijd reisjes voor lokale journalisten om in Lusaka de oude man kritiekloos aan het woord te laten. Steeds weer verbazen de koene verslaggevers zich erover dat niemand in Lusaka lijkt te weten dat in dezelfde wijk waarin Zambiaanse kabinetsleden wonen, ook een villa wordt bewoond door de voormalige president van Oeganda. En als ze eenmaal bij Obote aan tafel zitten, zijn ze onder de indruk van zijn scherpzinnige analyses. «Dit was zo’n gebeurtenis waarbij een journalist zich eenvoudigweg belangrijk voelt», schreef de jonge topjournalist James Tumusiime van dagblad The Monitor onbeschaamd in 1999 in zijn artikel over de audiëntie bij de ex-president.

Toen in juli dit jaar uit Saoedie-Arabië het bericht kwam dat Idi Amin niet lang meer te leven had, brandde een discussie los over de vraag of oude mannen als Obote en Amin niet gewoon terug zouden moeten kunnen keren naar hun geboortegrond om in familiekring te sterven. De vrouwen van Idi Amin deden een dringend beroep op president Museveni om «big daddy» te laten invliegen, maar Museveni was onverbiddelijk: zodra Amin voet op Oegandese bodem zette, zou hij worden gearresteerd en alsnog worden berecht — ongeneeslijk ziek of niet. Museveni zou voor de dames diplomatieke paspoorten verzorgen waarmee ze gemakkelijk Saoedie-Arabië in en uit konden, meer niet. De kwijnende Amin was politiek ongevaarlijk, maar als híj toestemming kreeg om uit ballingschap terug te keren, dan mocht ook Obote komen, redeneerde Museveni. En die is, getuige het lyrische verslag van Tumusiime, nog aardig bij de pinken.

Obote voert een lijst «vermeende folteraars» van Human Rights Watch aan. Reed Brody doet al jaren pogingen de voormalige president voor het internationaal gerecht te krijgen. Vooralsnog zonder succes. «Niemand lijkt in deze zaak geïnteresseerd; niet in Oeganda en niet in Zambia», verzucht hij door de telefoon vanuit New York. «Ik heb met mensen uit regeringskringen in Zambia gesproken en niemand wist eigenlijk wat Obote in eigen land heeft aangericht. Er is gebrek aan kennis en daardoor ook aan politieke wil om mee te werken aan berechting.» Brody herinnert aan de zaak-Pinochet. Door actieve bemoeienis van Spanje leek het enkele jaren geleden te lukken hem juridisch ter verantwoording te roepen. Hoewel Pinochet uiteindelijk geestelijk niet fit genoeg werd geacht om daadwerkelijk terecht te staan, bracht zijn arres tatie en detentie (in 1998 in Londen) na een heftig gepolariseerd debat wel een zekere verlichting in de Chileense samen leving: eindelijk kon over de periode van dictatuur, die van 1973 tot 1990 duurde, vrij worden gesproken en eindelijk konden de verantwoordelijken ook strafrechtelijk ter verantwoording worden geroepen. Brody: «Bij de zaak-Pinochet bestond internationaal wél de politieke wil om het tot een goed eind te brengen. In Spanje woonden nog veel mensen die altijd voor gerechtigheid hebben gestreden.»

Naast de politieke implicaties, zoals in Oeganda, is er het collectieve geheugen dat in arme landen met een lage levensverwachting en een overwegend jonge bevolking vaak te wensen overlaat. En het zijn vooral deze iets minder ontwikkelde landen waar democratie de laatste decennia kwetsbaar is gebleken. De terugkeer van een gewezen despoot, die nog wél enkele volgelingen heeft maar waarvan de massa niet precies weet welke gruwelen hij in zijn tijd heeft aangericht, kan een samenleving behoorlijk ontwrichten. De Oegandese president Museveni weet dat goed. Hij zal Obote onder geen beding toegang tot Oeganda verlenen.

«Iemand toestaan terug te keren is altijd een beetje gevaarlijk», zegt Brody. Hij zag dat ook in Tsjaad, waar aanvankelijk maar weinig mensen belangstelling leken te hebben voor de berechting van de voormalige despoot Hissène Habré die tussen 1982 en 1990 tienduizenden burgers liet doodmartelen en nu zijn oude dag doorbrengt in Senegal. Met een beroep op de omstreden Belgische genocidewet kon Habré in Brussel worden aangeklaagd. Omdat het een oude zaak betreft én omdat er Belgen bij betrokken zijn (vluchtelingen uit Tsjaad met een Belgisch paspoort), zal de vervolging van Habré ondanks de recente beknotting van die wet worden doorgezet. «Mensen in Tsjaad waren buitengewoon content toen duidelijk werd dat Habré ergens anders berecht kon worden», zegt Brody die op het punt staat weer naar Tsjaad af te reizen om verder onderzoek te doen. Senegal durfde het niet aan Habré zelf te vervolgen, maar inmiddels heeft het land de bewegingsvrijheid van de voormalige dictator danig ingeperkt: hij mag in afwachting van de Belgische zaak het land niet meer verlaten. De huidige regering van Tsjaad heeft Habré’s aanspraak op onschendbaarheid verworpen.

Met Habré lijkt het dus eindelijk te gaan lukken. Al is Brody nog voorzichtig. «Met ervaringen uit het verleden is het moeilijk verwachtingen te hebben. De meeste mensen die wij zoeken zitten gewoon op erg handige plekken ondergedoken.» De situatie is niettemin sterk verbeterd. «Toen Amin zijn land verliet, was er slechts opluchting en werd niet de vraag gesteld of en waar hij berecht zou moeten worden. Nu komt dit soort juridische vragen wél meteen aan de orde. Iemand die zulke grote misdaden heeft gepleegd, moet daarvoor berecht worden. Twintig jaar geleden was dat niet het eerste waar mensen aan dachten.»

Maar met Habré is Brody er nog niet. Op het verlanglijstje van mensenrechtenorganisaties staan nog vele andere gewezen staatshoofden en massamoordenaars. En her en der genieten ze van hun oude dag. Wat te denken van kolonel Mengistu Haile Mariam, die van 1973 tot 1991 aan de macht was in Ethiopië? De revolutionair die een eind maakte aan de keizerlijke dynastie, die Ethiopië transformeerde naar DDR-model en daarbij niet op een paar levens meer of minder keek, verkeert nog altijd in redelijke gezondheid. Een Amerikaans legervliegtuig bracht hem in 1991 naar Harare, Zimbabwe. En behoudens een medisch uitstapje naar Zuid-Afrika is de voorzitter van de Derg, leider van wat onomwonden de «Rode- Terreurcampagne» heette, niet meer uit Zimbabwe weg geweest. President Mugabe beloofde Amerikaanse onderhandelaars in 1991 voor kameraad Mengistu een veilig plekje te regelen en zolang Mugabe in Zimbabwe aan de macht is, hoeft Mengistu zich weinig zorgen te maken. Mugabe, zelf inmiddels op de nominatie om voor een internationaal tribunaal gesleept te worden, is er veel aan gelegen de buurlanden, in het bijzonder het ANC in Zuid-Afrika, te laten zien dat voormalige strijdmakkers elkaar altijd dienen te steunen. De oppositie in Zimbabwe heeft echter al aangekondigd Mengistu uit te leveren aan Ethiopië zodra Mugabe’s macht gebroken is. Naar verluidt is Mengistu’s Ethiopische entourage in Zimbabwe druk bezig voorbereidingen te treffen voor een nieuw toevluchtsoord voor de Rode Negus. Er zou contact zijn met Noord-Korea.

De transfer van Mengistu naar Zimbabwe werd indertijd beschouwd als een acceptabele politieke oplossing om Ethiopië voor nóg erger te behoeden. De Amerikanen dwongen hem zijn land te verlaten, in ruil voor tenminste in Zimbabwe juridische onschendbaarheid. Dat kunstje was eerder vertoond. In 1986 kreeg ook Jean-Claude Duvalier («Baby Doc»), «president voor het leven» van Haïti, van de Amerikanen een «easy way out». Hij werd naar Frankrijk gevlogen. Daar probeerde de regering- Mitterrand een plekje voor hem te vinden in een Afrikaans land dat bij het Elysée wel een wit voetje wilde halen. Zaïre bijvoorbeeld. Of Liberia. Maar geen van de landen die werden benaderd wilde Duvalier opnemen. Via een villa aan de Rivièra belandde Duvalier in Parijs, waar hij dankzij een generaal pardon voor illegalen enkele jaren geleden een vaste verblijfsstatus verwierf. Niettemin zegt hij nog altijd te broeden op een terugkeer. «Ik ben klaar om mijn leven weer aan Haïti te wijden», vertelde hij de Italiaanse journalist Riccardo Orizio in het onlangs verschenen boek In gesprek met dictators (Meulenhoff 2003). Duvaliers nieuwe vrouw Véronique verzorgt de pr en benadrukt te pas en te onpas dat de Tontons Macoutes, de gevreesde martelcommando’s die indertijd Baby Docs absolute macht bestendigden, slechts de «handwerklieden van de sociale revolutie» waren. Zoon Nicolas heeft met het oog op de geplande terugkeer voor zijn vader alvast een website ontworpen: www.duvalier.net. Wat dat betreft is hij niet de enige. Ook Alfredo Stroessner, die van 1954 tot 1989 met ijzeren hand over Paraguay heerste en tegenwoordig in Brazilië zijn dagen vult met vissen en televisiekijken, is online. Op www.alfredo-stroessner.de is Stroessner nog altijd president. Beierse marsmuziek klinkt als de site wordt geopend.

Na Duvalier en Mengistu speelden de VS onlangs ook weer een rol bij het onderbrengen van de Liberiaanse ex-president Charles Taylor in Nigeria. Hoewel de crisis in Liberia nog niet ten einde is, heeft het gedwongen vertrek van Taylor wel voor een doorbraak gezorgd in het vredesproces. Moet gerechtigheid dan altijd het hoogste doel zijn? Reed Brody vindt uiteraard van wel. «Het recht wordt ondermijnd als beulen en slachtoffers elkaar blijven tegenkomen op straat. Hoe kan iemand in de rechtsstaat geloven als hij wél wordt veroordeeld voor het stelen van een kip, terwijl de winkeleigenaar op de hoek van de straat nooit is veroordeeld voor het folteren van medeburgers? Het argument dat mensen geen afstand doen van hun macht als ze geen immuniteit krijgen aangeboden, wordt overdreven. Slobodan Milosevic kreeg geen immuniteit, maar werd van de troon gestoten en naar Den Haag gevlogen.» Daar komt bij, zegt Brody, dat dictators vaak pas instemmen met een vertrek als hun regime al in verregaande staat van ontbinding is. Voor Duvalier en Mengistu was er indertijd geen redden meer aan. En wat Taylor betreft: vroeg of laat zal Nigeria hem uitleveren aan het VN-tribunaal in Sierra Leone, verwacht Brody. «Dit zijn misdaden die niet verjaren en overal strafbaar zijn. Alleen in Noord-Korea of Saoedi-Arabië, kan hij uit de greep van het internationaal recht blijven.»