Het nieuwe publieke sterven

Met enige fanfare naar beneden

Steeds meer mensen die de dood aangezegd hebben gekregen doen hiervan getuigenis in columns, blogs, liedjes, interviews of boeken. Als een laatste poging tot zingeving, een gooi alsnog naar onsterfelijkheid.

Medium publieke dood

In mijn boekenkast staat tussen het werk van Arnon Grunberg en dat van Jacob Israël de Haan een klein blauw boekje geklemd, het is eigenlijk meer een cahier. Het heet Leven als een tijger en het bevat teksten van Wouter van Haalen, bezorgd door Irene Groothedde en Don Duyns. De schrijver zelf – ik ga hem hier Wouter noemen en niet Van Haalen – was er niet meer bij toen de sketches die hij voor radio en tv had geschreven werden gebundeld. Hij stierf op 31-jarige leeftijd, hij had leukemie.

De eerste keer dat ik Wouter zag was te midden van de menigte studenten in de hal van het universiteitsgebouw in de Oudemanhuispoort in Amsterdam. Hij had net zo’n trui aan als die ik voor mijn vriendje had gebreid. Ik wist hoeveel je van iemand moest houden om zo’n ingewikkelde trui, een berglandschap van verschillende kleuren katoendraad, op de pennen te zetten. Wouter had wat je noemt een prethoofd: een bananenlach van oor tot oor, hij was lang, en mager, en hij had zijn trui te heet gewassen. Zijn hoofd en zijn gestalte zaten nog in mijn hoofd toen een paar weken later een studievriendin hem aan me voorstelde: ‘Dit is Wouter.’

Natuurlijk, hij was de Wouter over wie ze het al weken had, met wie ze zo kon lachen, en die haar andere liefde, haar officiële liefde, in gevaar bracht. Maar we schrijven jaren tachtig, de nadagen ervan, en tussen officieel en officieus valt heel wat lief te hebben op een vakkundig afgetimmerd kamertje, matras op de grond, in een gekraakt kantoorpand in de Helmersbuurt.

Ik weet niet meer wie ermee is begonnen. Het voelt als Martin Bril, maar dat is niet waar. Waarom het als hem voelt, komt door de massaliteit waarmee zijn ziek worden werd omarmd. Een column lezen van iemand die te horen krijgt dat hij kanker heeft, is één ding. Hem onder onze ogen zien aftakelen, aan de tafel van veelbekeken televisietalkshows, en hem er met zijn bekende nuchtere romantiek over horen praten, is een tweede. Toen Renate Rubinstein, die in Vrij Nederland onder het pseudoniem Tamar een wekelijkse column had – opeens lijkt het heel lang geleden –, toen zij dus de diagnose MS te verwerken kreeg, was dat niet iets waar ze onmiddellijk over schreef. Terwijl ook haar columns zeer persoonlijk waren.

In ‘Over de drempel’, het openingshoofdstuk van Nee heb je: Notities over ziek-zijn (1985) rept ze van het gesprek dat ze met Adriaan van Dis voerde, aan de vooravond van zijn boekenprogramma. Hij wilde haar als gast, maar zij vroeg zich af waarover ze het dan moesten hebben. ‘Over je nieuwe boek en over verliefdheid en zo’, sprak hij eerst onschuldig. Even later bleek hij er een verborgen agenda op na te houden. Wat ze ervan zou vinden als hij haar zou vragen waarom ze nog nooit over haar ziekte had geschreven. Zij: ‘Waarom?’ Hij: ‘Iedereen weet het toch.’ Waarop een tirade volgde van Rubinstein, die in zijn gedateerdheid veelzeggend is: ‘Ik heb er godverdomme nog nooit over geschreven en het ook altijd uit interviews geweerd, ik verdom het, het is geen onderwerp voor de televisie, ik wil het niet, ik ga er niet op in, het is mijn onderwerp en ik laat het mij niet afpakken, ik ben er niet voor de sensatie en die iedereen van jou, dat zijn honderd mensen of misschien zijn het er driehonderd, weet ik veel, in Enschede of Zwolle weten ze er in elk geval niets van en dan gaan ze brieven schrijven, ik wil dat niet.’

Dit had ik natuurlijk nooit kunnen citeren als ze kennelijk niet toch op zeker moment overstag was gegaan en de openbaarheid niet langer uit de weg ging. Want, schrijft ze, na zeven jaar erover gezwegen te hebben, ze had het idee haar eigen taboe te hebben gecreëerd. Zelf te zeer door haar zwijgen geïmponeerd geraakt. ‘Laat Van Dis me maar over de drempel slepen (…).’

Nee heb je is een bijzonder openhartig boek, zoals heel Rubinsteins schrijven dat was. Of ze nu over haar katten schreef, de situatie in Israël, over De dame met het hondje van Tsjechov, haar echtscheiding, de verliefdheid op Carmiggelt, of over haar angst voor de dood, de verleidende kracht van haar schrijven schuilt in de ontmoeting met een scherp denkend en formulerend iemand die zichzelf niet ontziet. Ik kan me voorstellen dat lotgenoten ook daadwerkelijk veel ‘hadden’ aan de columns die ze aan haar ziekte wijdde (‘Levenslist tegen de teleurstelling en het verlies: stel je zaak op niets, laat alles meevallen. Dood ga je toch en kun je nog miljoenen jaren zijn. Elke pink die je intussen nog beweegt is meegenomen’), dat ze voorzag in een behoefte aan kennis van en begrip voor een mysterieuze, dodelijke ziekte, dat ze een taboe doorbrak door zo openlijk over haar eigen fysieke aftakeling te schrijven, maar het was niet zo dat ze pas begon te schrijven toen ze de diagnose gesteld kreeg.

Nee heb je van Rubinstein past in een traditie van egodocumenten van schrijvers voor wie ook het persoonlijk lijden uiteindelijk object van onderzoek en inspiratie is, en onvermijdelijk tot inzet wordt van hun kunst. De Engelse schrijfster Jenny Diski is nog maar amper thuis van het ziekenhuis of ze zegt tegen haar partner: ‘Nou, ik denk dat ik dan dus nu een kankerdagboek ga bijhouden.’ En ze schrijft: ‘Het enige andere dat ik gezegd zou kunnen hebben, was: “Nou, ik ga dan dus nu geen kankerdagboek bijhouden.” Right there: a choice?’ En dus schrijft ze nu maandelijks aan haar memoir in The London Review of Books, voortgejaagd door de chemo’s waaraan ze wordt onderworpen. ‘I’ve got cancer. I’m writing.’

Wat sinds een jaar of vijf op telkens maar groter wordende schaal gaande is, in krant, weekblad, blog, op televisie of op het toneel, is van een andere orde. Uiteenlopende scribenten, al dan niet werkzaam in journalistieke, creatieve of medische sfeer, die ziek zijn en de dood aangezegd hebben gekregen, doen op een onverdichte manier hiervan getuigenis. Hun columns, blogs, liedjes, stukken, interviews, boeken, documentaires, worden gretig opgeslorpt. Sterker nog: ze hebben een groter publiek en meer succes dan ooit.

In NRC Handelsblad verbindt Pieter Steinz, die aan als lijdt, zijn ziekbed aan de wereldliteratuur die hij (her)leest, in Het Parool verkent de met darmkanker gediagnosticeerde journalist Albert de Lange zijn ziekteproces, in het Eindhovens Dagblad houdt voormalig technisch schrijver Hans Vogels een column bij over het verloop van zijn prostaatkanker. Op internet zijn er blogs van bekende (arts Ivan Wolffers) en minder bekende Nederlanders (Femke van Rossum) die dagelijks of wekelijks verslag doen van hun gevecht met kanker. De blog van Bibian Harmsen, ontwerpster en muzikante, over haar alvleeskanker, groeide uit tot een column en een boek; eindelijk proefde ze succes, zegt haar weduwnaar bijna drie jaar na haar dood, die overigens zelf hier ook weer een boek over schreef. Er is een psychiater, Lowijs Perquin, die een toneelstuk maakte naar aanleiding van zijn ziekte, zanger Thé Lau brengt avond aan avond zijn publiek in vervoering sinds hij afscheid van het leven aan het nemen is, filosoof René Gude maakte tot en met de avond voorafgaand aan zijn dood een ieder via interviews voor televisie en radio, in boek en in krant, deelgenoot van de gedachtes bij zijn nakend sterven. In The Guardian blogt de moeder van een vijfjarige tweeling over haar eierstokkanker. ‘A gift to myself’, schrijft deze Kate Cross die bekent altijd al schrijfster te hebben willen worden. ‘A reminder that I could create, even as my body tried to self-destruct.’

Het zijn appels en peren die ik hier op één lijn zet, ze lopen uiteen in toon, sfeer en appèl op de eeuwigheid, maar ze hebben een basale boodschap gemeen: zij die gaan sterven willen dit laten weten ook.

‘Dood ga je toch en kun je nog miljoenen jaren zijn. Elke pink die je intussen nog beweegt is meegenomen’

De schroom waarmee vijf jaar geleden de schrijver Herman Franke werd benaderd om iets te vertellen over zijn ziekte, die heel lang ook alleen maar bekend was bij zijn intimi, is moeilijk terug te halen. Michaël Zeeman, dichter en literair criticus voor de Volkskrant, hulde zich in een woedend zwijgen toen hem, in 2009, de dood werd aangezegd. Hij publiceerde er geen woord over. Ik betrap mezelf erop dat als ik nu iemand op tv hoor vertellen over zijn hersentumor, een allergisch ‘schrijf er asjeblieft niets over’ me overvalt. De banaliteit ligt voortdurend op de loer. Is dan niets meer heilig? Is er nog wel enig gevoel voor privé versus openbaar?

Ik schrik als een vriendin twittert dat ze haar moeder die dag begraaft. Niet dat ik het niet wist, ik heb ook nog ouderwets een rouwkaart op mijn deurmat gevonden, maar erover twitteren? Aan de andere kant: als iemand anders een column schrijft over haar vaders begrafenis, dat ze zo lang twijfelde over wat ze die dag moest aantrekken, en daar boze reacties op krijgt in de trant van ‘heb je niks anders aan je hoofd op zo’n dag’, verbaas ik me over het moralisme waarmee men kennelijk geneigd is voor een ander uit te maken wat gepast rouwen is.

Dat met de opkomst van de sociale media een ander begrip van intimiteit is ontstaan, omdat op onvergelijkbaar grote schaal persoonlijke ervaringen kunnen worden gedeeld, is gaan behoren tot de onvermijdelijkheden. Het zij zo. Toch heb ik blijkbaar gedacht dat ziekte en dood een buitencategorie vormden. Toen twee jaar geleden in Het Parool een fotoserie werd geplaatst van de doodzieke actrice Leonoor Pauw – op de laatste foto lag ze opgebaard – was ik geschokt en geërgerd, wat werd versterkt toen familie en vrienden over haar sterven vertelden bij De wereld draait door.

Haar ziekte en dood bleken ook nog eens centraal te staan in een speelfilm van Mijke de Jong, Brozer, regisseuse en spelers deden in dezelfde uitzending verslag van hoe moeilijk het was geweest, hoe pijnlijk, mooi, precair… Dat ze als vriendinnengroep identieke jurken aantrokken, allemaal in een doodskist gingen liggen, echt waar? echt waar. Ondertussen meende ik de verlustiging te horen in hun lastige afwegingen, te zien hoe graag ze deel uitmaakten van een drama dat eigenlijk hun drama niet was, dacht ik aan hun gebaren te kunnen aflezen hoezeer ze ervan genoten zo nabij dat hele grootse onbevattelijke te hebben kunnen verkeren.

Medium publieke dood2

Aandachttrekkerij, oordeelde arts en filosoof Bert Keizer onlangs in een krantenartikel naar aanleiding van het nieuwe, publieke sterven. Dat bedoelde hij naar eigen zeggen niet denigrerend, maar meer neutraal constaterend. ‘Iemand die in de laatste fase zit, vindt het prettig om met enige fanfare naar beneden te zoeven.’ Maar waarom die fanfare dan prettig zou zijn? Als je het zo bekijkt, lijkt het een allerlaatste poging tot zingeving, een gooi alsnog naar onsterfelijkheid.

Michel de Montaigne, de zestiende-eeuwse meesteressayist, formuleerde het heel relativerend in Hoe je over andermans dood moet oordelen, en vooral heel amoralistisch. ‘Niemand van ons beseft voldoende dat hij slechts een van de velen is’, schrijft hij. ‘Wij denken dat de hele wereld op de een of andere manier onder ons sterven gebukt gaat en met ons te doen heeft. De dood kan niet iets zijn dat zomaar plaatsvindt, het moet een groots gebeuren zijn.’

Montaigne verwoordt het fundamentele ongeloof van het feit dat aan ieder leven een einde komt, met als bijkomend effect dat dit leven niet zomaar, onopgemerkt, afgelopen kan zijn. En dus moeten we er gerucht aan geven. De schaal van dat gerucht geven had hij niet kunnen voorspellen, en daar had hij het ook niet over. In feite is het een lesje in nederigheid dat Montaigne ons leert: wij vinden onszelf zo belangrijk dat we niet kunnen accepteren dat het op zeker moment met ons gedaan is. En neem het dan nog maar eens iemand kwalijk dat hij het van de daken schreeuwt: ik ga dood.

Inderdaad. Moet je je voorstellen, dat je zeker weet dat je doodgaat. Dat iemand tegen je zegt dat het over een paar maanden afgelopen is. Iedere manier van voorstellen daarvan is gratuit, overgoten met een saus van eigenliefde en sensatiezucht, en dus is het bijna onmogelijk niet veroordelend te zijn zo gauw het op het uitspreken van die moeilijkheid aankomt. ‘Heftig’, het is het meest misbruikte woord van de afgelopen jaren. (David Rieff schrijft dat zijn moeder Susan Sontag in de taxi terug naar huis nadat haar fatale diagnose was gesteld, slechts één woord uit wist te brengen: ‘Wow.’)

Zelf grootgebracht in de doctrine dat zwijgen niet verbeterd kan worden, blijk ik als het op het etaleren van angst, verdriet, rouw, aankomt geneigd te zijn tot wantrouwen. Ik probeer het te begrijpen dat iemand zijn tumor in de etalage zet, omdat ik niet als een dinosaurus om me heen wil kijken, traag, verward en geërgerd. De hang naar fanfare, het fundamentele ongeloof in eigen eindigheid, ze verklaren echter nog niet waarom we nu te maken hebben met zoveel kronieken van aangekondigd sterven. ‘We leven langer, dus we sterven langer’, luidt een bekende uitspraak van de recent gestorven, voormalig denker des vaderlands, René Gude. ‘In the twenty-first century, to die in your forties is to die early’, schreef Christopher Hitchens aan de vooravond van zijn dood in Vanity Fair.

Sterven an sich is weliswaar nog steeds niet echt een keuze, maar wel steeds minder een fatum, en daarmee iets wat vormgegeven kan worden.

‘Het is als een kijkje nemen over de rand van de wereld, terwijl je beseft je bril op de keukentafel te hebben laten liggen’

Ik zat in de bus naar Osdorp, de dag dat Wouter gecremeerd zou worden in Westgaarde. Ik maakte me er zorgen over of ik wel zou weten wanneer ik moest uitstappen, maar had al gauw een ander meisje in die bus in de smiezen. Ze had een enkele roos bij zich, en ik wist meteen voor wie die roos was bestemd. Echt een type voor Wouter. Meer meisjes bleken ter plaatse te zijn. De broer, de boezemvriend, de fietsvriend, ze spraken. Twee keer achter elkaar werd Blackbird afgespeeld, van Paul McCartney. Het was een eerbetoon aan Wouters monomanie, en zijn vermogen tot bewondering. McCartney, iemand die zulke liedjes had geschreven, die was godgelijk. Don’t you forget about me, klonk het nummer van de Simple Minds toen we de aula verlieten. Ik hoorde twee mensen voor me zachtjes praten over de bizarre plannen die Wouter had, dat hij met zijn ziekte op tournee zou gaan omdat hij zo’n wonderbaarlijke patiënt was, hoeveel grappen hij daarvoor had bedacht. In zijn denken was Wouter zijn tijd vooruit. Met je sterven de boer op, bedenk het maar eens.

‘Omdat wij langer leven dan in enige andere periode, en ook een langer deel van dat leven ziek of stervend zijn, zijn wij de eerste generatie die daar daadwerkelijk mee te maken heeft’, verklaarde René Gude in een interview. ‘Er zijn nog geen regels voor hoe je daarmee moet omgaan.’

Zo bezien is het allemaal een kwestie van beschaving, in de zin van: voortschrijdend inzicht, parallel lopend aan de maatschappelijke ontwikkelingen. Socioloog Norbert Elias, aan wie Renate Rubinstein overigens Nee heb je opdroeg, beschouwde de omgang met stervenden als een van de graadmeters voor het civilisatieniveau waarop een samenleving zich bevindt. Naarmate het leven langer wordt en het sterven verder weg lijkt, valt het de levenden zwaar om zich met stervenden te vereenzelvigen, schreef hij in De eenzaamheid van stervenden in onze tijd (1982). Het is een soort appendix bij zijn beroemde werk Het civilisatieproces dat hij zo’n halve eeuw eerder schreef en waarmee hij in de jaren zeventig en tachtig school maakte aan de Universiteit van Amsterdam. Elias constateerde, en hij was zelf natuurlijk oud toen hij dit schreef, 85, dat ouder wordende en stervende mensen stilzwijgend werden verbannen uit de gemeenschap. En dat dit iets relatief nieuws was, in huishoudens die steeds minder druk bevolkt waren. Stervenden werden nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid zo hygiënisch uit het zicht weggewerkt en achter de coulissen van het dagelijks leven weggestopt. Nooit tevoren ook werden lijken zo reukloos en technisch perfect vanuit de sterfkamer overgebracht naar graf of urn.

De beschouwing van Elias, 35 jaar geleden geschreven, zet de openlijkheidscultus die nu gaande is in een verrassend licht. De vorige decennia is een plechtig zwijgen ontstaan rondom de dood, een taboe om het woord überhaupt te noemen. Door de toenemende informalisering werden rituele gedragingen en formules hol, en er kwam en komt maar heel langzaam iets anders voor in de plaats. Begrafenissen werden/worden uit handen gegeven aan ondernemingen die er een uniform, afstandelijk gebeuren van maken, alles moet zo beheerst, stil en gedempt mogelijk worden afgehandeld, inderdaad, tot en met dat plakje cake aan toe.

In veel opzichten is nu een reactie gaande, een vorm van de-taboeïsering, of het is een volgend niveau in het civilisatieproces, het is maar hoe je ertegenaan wilt kijken. Fakkels, diavoorstellingen, live muziek… Het leven van de gestorvene wordt gevierd, soms zo uitzinnig dat ik de onbeholpen, stille begrafenissen van mijn ooms en tantes, geschraagd door verwaaide kerkelijke rituelen, met terugwerkende kracht kan herwaarderen als het summum van ontroerend eerbetoon.

Op de site van The Guardian maakt een lezer zich boos over de blog van Kate Cross, de moeder met eierstokkanker, en andere funeral selfies. ‘What are the ethics of tweeting a terminal illness?’

Niet de dood zelf, maar het weten van de dood stelt mensen voor problemen. Het is een zinnetje van Elias waaraan mijn oog blijft haken. Hij noemt dit ‘het onwelkome weten’. Terwijl, de dood heeft niets verschrikkelijks. Elias zag ‘ons’ voor een opgave gesteld: de dood onder ogen zien als een onontkoombaar deel van het eigen bestaan. Misschien moet je de dood al in de ogen zien, om die wijsheid te kunnen ervaren. Zolang een arts het niet persoonlijk tegen jou heeft gezegd, met het bewijsmateriaal op tafel, blijft de dood een abstractum. En dan nog.

Jenny Diski schrijft in haar ‘kankerdagboek’ tegen de ware betekenis van sprakeloosheid op te lopen. ‘I came up against the horizon of language.’ Het zoeken naar woorden leidt bij haar tot een herwaardering van het cliché, ooit uitgevonden immers om afstand te houden tussen wat je wil zeggen maar niet kán zeggen. Ondertussen schrijft ze toch weer heel eigen, met de typische wrange Diski-humor, over wat het betekent om te moeten wachten wat er verder gebeurt, afhankelijk van hoe de tumor zich ontwikkelt. ‘Het is als een kijkje nemen over de rand van de wereld, terwijl je beseft je bril op de keukentafel te hebben laten liggen.’

Het is een zachte boodschap die Elias aan het eind van zijn beschouwing over de eenzaamheid van stervenden brengt, een boodschap die mij de wapens, voorzover ik die al had, uit handen slaat. ‘We moeten nog uitvinden wat mensen allemaal kunnen doen om voor anderen het sterven lichter en vrediger te maken’, schrijft hij. ‘Het tonen van vriendschap door de overlevenden en het gevoel van stervenden dat zij geen pijnlijke belasting voor hen vormen, hoort daar zeker bij.’

De blogs, de columns, de films, de liedjes, je kunt ze zien als fanfare, een hang naar publiek, het zijn ook pogingen de muur te slechten tussen de stervenden en de achterblijvers, stervenslessen misschien zelfs. ‘Waar ik ben, is de dood niet, en waar de dood is, ben ik niet’, haalt Pieter Steinz de oude Grieken aan in zijn tweewekelijkse column. ‘Geloof me, het is de beste manier om tegen je naderende einde aan te kijken.’

Als ik Brozer uiteindelijk toch maar ga kijken, zie ik wat het is. Een kunstwerk, uit liefde geboren voor degene die als eerste gaat en door de anderen uitgezwaaid wordt. Hoe dicht ze ook bij haar proberen te komen, door dezelfde jurken aan te trekken, in een kist te gaan liggen, doodgaan zal Leonoor Pauw in haar eentje moeten doen. Juist dat maakt dit liefdevolle eerbetoon zo pijnlijk duidelijk. ’s Nachts wordt ze wakker naast haar man, en beseft dat ze alleen is. ‘Opeens is het echt zo ver’, vertelt ze aan een van de vriendinnen. ‘Ik durf me niet over te geven aan de nacht. Gaan slapen betekent doodgaan.’ En eenmaal dood, klatert achter haar opgebaarde lichaam het leven weer op. ‘Jouw advies was mooi’, zingt een van haar dochters bij de aftiteling, ‘nu doe ik het zonder.’

Zo hard, en zo mooi, is het, kennelijk.