Een Chinese dansgroep treedt op tijdens een Afrikaans-Chinees cultureel festival. Caïro, Egypte, 2016 © Foto Amr Abdallah Dalsh / Reuters

De eerste beschavingen kwamen er tot bloei. Cyrus de Grote vestigde er het eerste wereldrijk. Alexander de Grote vierde er triomfen, en duizend jaar later de Arabieren. Daarna werd het het kenniscentrum van de wereld. Nadat er olie was aangeboord raakten de groten der aarde opnieuw volop geïnteresseerd in het Midden-Oosten. Allemaal wisten ze de weg naar de regio en haar olievelden te vinden: Engeland, Frankrijk, nazi-Duitsland, de Sovjet-Unie/Rusland, de Verenigde Staten – stuk voor stuk zijn ze er verzopen in het politieke moeras. En nu meldt China zich met zijn win-win-boodschap en daarachter de overtuiging dat met geld alles te koop en te regelen is. Partijleider-president Xi Jinping heeft het zelf gezegd: de chaos in het Midden-Oosten ‘komt voort uit het gebrek aan ontwikkeling’. Hoe heftig de conflicten ook mogen zijn, met geldinjecties kan alles worden opgelost. Meent de huidige leider van de Volksrepubliek China.

China wil in geen geval gezien worden als de zoveelste wereldmacht die zich meester wil maken van het Midden-Oosten, want China streeft slechts vrede en ontwikkeling na. Buitenlandse interventie? Aan die verfoeide methode van de westerse imperialisten, de Amerikanen voorop, zal China zich nooit schuldig maken. Hegemonie en expansiezucht? Die woorden komen in het officiële Chinese woordenboek niet voor, want alle landen zijn gelijk. Invloedssferen? Daar doet China volgens Xi per definitie niet aan. Inmenging in andermans binnenlandse aangelegenheden? Het idee alleen al. Het Midden-Oosten, zei minister Wang Yi van Buitenlandse Zaken in april na een bezoek aan zes Midden-Oosterse landen, ‘moet ongevoelig blijven voor buitenlandse pressie en inmenging’. En net als Europa moet het gebied een lijn van ‘strategische autonomie’ volgen, dat wil zeggen dat het niet naar het pijpen van de VS maar dat van China moet dansen.

China heeft grootse plannen met het Midden-Oosten. De laatste tijd heeft de Volksrepubliek zich in de regio actiever geroerd dan de andere mogendheden bij elkaar. Hoog bezoek uit Beijing is praktisch aan de orde van de dag. De Chinese initiatieven volgen elkaar op. Een greep. Een politiek-economische megadeal met Iran. Strategische partnerships met een groot aantal landen in de regio. Een voorstel om te bemiddelen in de oorlogen in Libië en Jemen. Een uitnodiging aan Israëliërs en Palestijnen voor vredesbesprekingen in China over een tweestatenoplossing. Pleidooien voor een diplomatieke oplossing van de oorlog in Syrië en een – voor China ongekend – aanbod om te helpen met de wederopbouw. En een initiatief dat van een aspirant-hegemoon verwacht mag worden: de lancering van een veiligheids- en stabiliteitsplan voor het hele Midden-Oosten, waar China nu al de belangrijkste buitenlandse investeerder is.

Hoeveel daadkracht op korte termijn met deze Chinese woorden gepaard zal gaan valt te bezien, en het is vooralsnog de vraag hoeveel kaas China van de complexe Midden-Oosterse problemen gegeten heeft. Maar de Chinese initiatieven alleen al en de rode loper die overal in de regio voor Chinese kopstukken wordt uitgelegd, zijn indicaties van een van de belangrijkste en tegelijk minst belichte machtsverschuivingen in de wereld. China rukt op in het Midden-Oosten. Zonder vliegende vaandel en slaande trom, zonder tamtam of spektakel, haast ongemerkt, maar dankzij zijn economische macht onverbiddelijk. De rest van de wereld heeft er weinig aandacht voor, want in de nieuwe Koude Oorlog lijkt het Midden-Oosten nauwelijks te bestaan. Alsof de West-Aziatische opmars van de Volksrepubliek buiten de mondiale machtsstrijd tussen Amerika en China om gaat.

Door de hele geschiedenis heen heeft het Midden-Oosten een hoofdrol gespeeld op het wereldtoneel. Lees er De Zijderoutes van Peter Frankopan maar op na. Na de Eerste Wereldoorlog werd Engeland de dominerende macht, na de Tweede de Verenigde Staten. En nu de Amerikanen zich terugtrekken komen de Chinezen. Sinds de teloorgang van de oude Zijderoute hadden ze hun belangstelling voor de regio verloren. Wat heeft hen opnieuw naar het Midden-Oosten gelokt?

Sinds 1993 is het Midden-Oosten voor China van levensbelang. Dat is het jaar waarin de Volksrepubliek voor het eerst niet meer in haar eigen oliebehoeften kon voorzien. Dankzij de hervormingen van Deng Xiaoping was de Chinese economie immers razendsnel gegroeid. Olie-exporteur China werd olie-importeur en raakte daardoor afhankelijk van een van de meest turbulente gebieden van de wereld. In 2013 werd China de grootste olie-importeur van de wereld. In datzelfde jaar ging het Midden-Oosten ook een andere vitale rol voor China spelen: die van strategische schakel in het Belt and Road Initiative, het economisch-politieke expansieproject van Xi Jinping dat van China eerst de regionale en daarna ook de mondiale leider moet maken. In het Midden-Oosten doet deze Nieuwe Zijderoute al negentien landen aan.

China heeft nooit de roeping gevoeld om in het Midden-Oosten voor politieman te spelen. Die rol liet het graag over aan de Verenigde Staten. Bovendien had de Volksrepubliek er lange tijd ook niet de middelen voor. Na 9/11 sloot ze zich snel aan bij de door president Bush jr. uitgeroepen oorlog tegen het internationale terrorisme. Daarmee herstelde ze de relaties met de VS, die door twee zware incidenten averij hadden opgelopen: het Amerikaanse bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado en de botsing tussen een Amerikaans spionagevliegtuig en een Chinees gevechtsvliegtuig bij het Chinese eiland Hainan. In één moeite door waardeerde China de onderdrukking van de Oeigoeren op tot een onderdeel van de wereldwijde strijd tegen het internationale terrorisme. Bush ging daar graag in mee.

Terwijl de Amerikanen in Afghanistan en Irak zich steeds dieper de door hen zelf aangelegde moerassen in lieten zuigen, haalde China de banden met zijn olieleveranciers in het Midden-Oosten verder aan. De Chinese dorst naar olie werd onverzadigbaar toen het land zichzelf na zijn toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001 in razende vaart begon om te bouwen tot fabriek van de wereld. In 2016 werd China de grootste investeerder in het Midden-Oosten. Vijf jaar later is het de grootste grondstoffenafnemer van het gebied en is het van elf landen van de regio de grootste handelspartner.

Chinese stand op een investeringsbeurs voor de wederopbouw van Syrië. Damascus, 2019 © Kyodo News/Getty Images

De VS hadden het te druk met hun militaire avonturen om de draagwijdte van die economische opmars te doorzien, te meer omdat ze dachten dat een ontwikkeld China automatisch democratisch zou worden. China’s ‘vreedzame opkomst’ kon volgens hen slechts betekenen dat het land een responsible stakeholder zou worden in de door Amerika geleide wereldorde. Dat misverstand is inmiddels opgehelderd. De Amerikaans-Chinese relaties zijn onder Obama verzuurd en onder Trump op steeds meer fronten gespannen geraakt. Onder Biden zijn ze aan het uitgroeien tot een nieuwe Koude Oorlog.

China waardeerde de onderdrukking van de Oeigoeren op tot een onderdeel van de strijd tegen terrorisme

De Amerikanen verlaten het Midden-Oosten met hangende pootjes. Ze hebben hun handen praktisch af getrokken van Syrië en zijn bezig hun troepen gedeeltelijk terug te trekken uit Irak en volledig uit Afghanistan, waarmee een eind komt aan de langste oorlog uit de Amerikaanse geschiedenis. De meeste Amerikaanse raketafweersystemen in de Golfstaten en Jordanië worden ontmanteld, om ingezet te worden tegen Rusland en China. En de hersenschim dat het eeuwigdurende Israëlisch-Palestijnse conflict kan worden opgelost heeft Biden laten varen, al kan hij er, zoals in de laatste Gaza-oorlog, de handen niet volledig vanaf trekken.

De Verenigde Staten hebben nu ook de illusie opgegeven dat ze het Midden-Oosten gewapenderhand de Pax Americana kunnen opdringen. En al blijven de VS verreweg de grootste wapenleverancier van de regio en houden ze voorlopig de Golfstaten onder hun veiligheidsparaplu, conventionele oorlogen worden afgeschaald of gestaakt, om al dan niet vervangen te worden door hybride, schaduw- of proxy-oorlogen. Natuurlijk, Amerika blijft belangen houden in de regio, zoals de voorkoming van een ontwrichting van de mondiale olievoorziening en bestrijding van het terrorisme, maar Bidens prioriteiten liggen er niet meer. Hij heeft in het Midden-Oosten nog maar één groot politiek doel: het herstel van de in 2015 gesloten, en in 2018 door Trump opgezegde, deal met Iran, die het nucleaire programma van dat land opnieuw moet ombuigen naar uitsluitend civiele doelen.

De rol van waakhond tegen de Iraanse dreiging kan Biden overlaten aan een tot voor kort onwaarschijnlijke alliantie van Amerikaanse bondgenoten: Israël en de Golfstaten. Als eenmaal de Iraanse kwestie onder controle is gebracht, denkt de Amerikaanse regering de handen vrij te hebben om de grote machtsrivalen aan te pakken: Rusland en vooral China. Ironisch te bedenken dat de Amerikaanse regering die de opmars van China in het Indo-Pacific-gebied tot staan wil brengen tegelijk ruimte geeft voor de Chinese expansie in het Midden-Oosten.

De Amerikaanse aftocht uit het Midden-Oosten is de erkenning van een militair echec, maar tegelijk ook het gevolg van veranderde economische omstandigheden. Amerika heeft de olie uit het Midden-Oosten immers niet meer nodig, want dankzij zijn schalieolie is het zelf het grootste olie producerende land geworden, en de beste jaren van fossiele energiebronnen zijn voorbij. Mocht om ecologische of andere redenen toch de klad komen in de Amerikaanse schalieolieproductie, dan houden de VS vlak in de buurt een land achter de hand waar de rijkste olievoorraden van het laatste decennium zijn ontdekt: Guyana.

Tientallen jaren heeft de Volksrepubliek zich nauwelijks bemoeid met de Midden-Oosterse politiek. Ze had immers had al haar aandacht en energie nodig om zich economisch te ontwikkelen. Deng Xiaoping had het duidelijk gezegd: ‘Verberg je capaciteiten en beid je tijd.’ De wespennesten in de regio liet Deng graag over aan de VS. China heeft geweldig geprofiteerd van de opdringerige militaire aanwezigheid van de Amerikanen in het Midden-Oosten, want tot de dag van vandaag garanderen ze de veiligheid van alle olietankers, die van China inbegrepen.

Maar Beijing houdt er rekening mee dat dat zal veranderen. Daarom worden zeeroutes vervangen door pijpleidingen en bouwt China militaire bases in het buitenland. De eerste ligt in Djibouti, strategisch gesitueerd aan de Golf van Aden. Aan de zuidkust van Azië, van Oman tot Cambodja en op verschillende eilanden in de Indische Oceaan, zijn nieuwe havens aangelegd of geprojecteerd, met faciliteiten die zowel militair als commercieel kunnen worden gebruikt.

Afzijdigheid is lang niet altijd in China’s voordeel geweest. Zo hadden de Chinese leiders geen enkele rekening gehouden met de val in 2011 van de Libische dictator Kadhafi, die tot het laatst door Beijing werd gesteund. Halsoverkop moesten dertigduizend Chinese olie-arbeiders uit Libië worden geëvacueerd. In één klap was China zijn investeringen in de Libische olie-industrie kwijt. Wijs geworden heeft de Chinese regering begin juli haar onderdanen uit het chaotische Afghanistan gerepatrieerd. Maar met zijn enorme voetafdruk in de wereld kan het niet anders dan dat de Chinese aanwezigheid verzet oproept. De laatste voorbeelden dateren van juli: een aanslag in Pakistan, waarbij negen Chinese werkers in een stuwdamproject omkwamen, en de ontvoering van drie Chinese wegwerkers in Mali.

In 2012 sprak het Partijcongres zich uit voor een ‘grotelandendiplomatie’. De nieuwe leider Xi Jinping besliste dat het consigne van Deng Xiaoping zijn vervaldatum had bereikt. Het heeft even geduurd voordat de rest van de wereld door had dat China als wereldmacht definitief uit de kast was gekomen. Dat bracht ook een sterke opwaardering van de strategische status van het Midden-Oosten met zich mee. Vroeger werd de regio afgedaan als ‘hoogst gecompliceerd en chaotisch’, als ‘troebel water’, als een ‘moeras’. Tegenwoordig is het een ‘belangrijk toneel voor China om zijn grotelandendiplomatie te implementeren’, een ‘cruciale regio voor de weerspiegeling van de mondiale machtsverschuivingen’, een ‘strategisch steunpunt waarop China zich moet verlaten’.

China is Irans belangrijkste import- en exportmarkt geworden. De ministers van Buitenlandse Zaken van Iran (Zarif, links) en China (Wang Yi). Beijing, 2019 © Noel Celis / AFP / ANP

Die grote woorden zijn geen loze kreten. China is ook in het Midden-Oosten een wereldspeler geworden. Het Chinese spel vertoont typisch Chinese kenmerken. China wil vriend worden en blijven van iedereen. Of ze nu elkaars vijanden of vrienden zijn, of ze Amerika nu verfoeien of adoreren, Xi Jinping sluit ze allemaal in zijn armen. Iran en Saoedi-Arabië, Iran en Israël, Israël en de Palestijnen, Turkije en Egypte, ze mogen zich allemaal verheugen in Xi’s attenties. Dat vereist subtiele politieke acrobatieën, maar die evenwichtskunst wordt China gemakkelijker gemaakt dankzij de bescherming die de Volksrepubliek biedt tegen de Verenigde Staten, zoals in het geval van Iran en Turkije, of dankzij de algemene begerigheid naar Chinese investeringen, handelsakkoorden, bewakings- en internetcensuurtechnologie, wapens en, tot ze ondeugdelijk bleken, coronavaccins.

Om niemand van zich te vervreemden gebruikt China in het Midden-Oosten een opvallend vreedzame taal

Sinds Beijing in de Iran-Irakoorlog aan beide vijanden wapens verkocht, is het kwadrateren van politieke cirkels in het Midden-Oosten een Chinese specialiteit geworden. China houdt militaire oefeningen met Iran en even later met Saoedi-Arabië, en is met beide landen een ‘alomvattend strategisch partnership’ aangegaan. Het heeft een samenwerkingsverband met de Arabische staten en is de grootste investeerder in Saoedi-Arabië, zijn belangrijkste olieleverancier, maar het heeft ook een miljardendeal met Iran gesloten dat een reddingsboei moet worden voor het regime in Teheran. De Volksrepubliek investeert volop in Egypte met zijn ook voor China vitale Suezkanaal, maar paait tegelijk de Turkse leider Erdogan door hem miljarden in het vooruitzicht te stellen voor zijn even megalomane als omstreden lievelingsproject Kanaal Istanbul. China steunt de stichting van een Palestijnse staat, in het verleden ook met wapenleveranties, maar het verbindt aan die verbale steun geen enkele maatregel tegen Israël, integendeel, het investeert zwaar in Israëlische hightech-techbedrijven en infrastructuur.

Juist om niemand van zich te vervreemden gebruikt China in het Midden-Oosten een opvallend vreedzame taal. In alle conflicten, hoe bloedig ze ook mogen zijn, roept vredestichter China steevast op tot kalmte en terughoudendheid, tot dialoog en onderhandelingen voor een vreedzame oplossing, zelfs, zoals in het geval van Afghanistan, tot ‘etnische verzoening’. Die fluwelen stem staat in schril contrast met de agressiviteit van de Partij tegen westerse landen, haar provocaties tegen India, haar intimiderend optreden tegen Taiwan, haar meedogenloze behandeling van binnenlandse minderheden zoals in Xinjiang, Tibet en Hongkong.

China is allergisch voor onrust, omwentelingen en plannen voor regime change. De Chinese Communistische Partij, zelf product van een langdurige, bloedige revolutie, heeft al lang geleden Mao’s wereldrevolutie vaarwel gezegd en is een totalitaire partij van de contrarevolutie geworden. In landen die in de Chinese invloedssfeer liggen, steunt Beijing bijna per definitie de zittende regering omdat deze de stabiliteit zou garanderen die de wereldmacht China voor haar economische en politieke expansie nodig heeft. Wat er in zo’n maatschappij leeft en broeit weten de Chinese leiders nog altijd nauwelijks, want omdat hiërarchie voor hen heilig is doen ze in het buitenland alleen zaken met de overheid en negeren ze de maatschappelijke organisaties en verzetsbewegingen, tenzij die voor het Chinese karretje kunnen worden gespannen.

Als een regering wordt verdreven, erkent China al gauw de nieuwe machthebbers, de jure of de facto. Dat laatste was het geval in Myanmar, dat na de militaire staatsgreep van 1 februari weer volop terugkeerde in de Chinese invloedssfeer. En het zal ongetwijfeld ook gebeuren in Afghanistan, waar de Taliban met ontzag spreken over hun Chinese ‘vrienden’. Zodra de Taliban de touwtjes stevig in handen hebben, zal China hen erkennen als de wettige regering, om daarna de wederopbouw van Afghanistan uit te voeren en het land als nieuwe aanwinst van het Belt and Road Initiative onder zijn hegemonie te brengen. Niet met wapens, zoals de wereldimperia sinds Alexander de Grote hebben geprobeerd, maar met geld. Of, zoals de chauvinistische Chinese partijkrant Global Times het verwoordde: ‘China zal altijd Afghanistans welwillende buur zijn die klaar staat om te helpen. Wij injecteren slechts positieve energie in Afghanistan en zullen daar nooit naartoe gaan om tragedies te veroorzaken.’

In theorie is het aloude principe van niet-inmenging nog altijd een van de hoekstenen van de Chinese buitenlandse politiek, maar zelden zal een principe zo eenzijdig zijn toegepast. Alle landen die kritiek hebben op grove Chinese wantoestanden, zich teweer willen stellen tegen Chinese agressie of niet bij voorbaat willen erkennen dat China altijd gelijk heeft, worden beschuldigd van pogingen het Hemelse Rijk te koeioneren en te vernederen. Ze krijgen te horen dat China deze inmenging in zijn binnenlandse aangelegenheden niet zal tolereren – terwijl China zelf zich actief, assertief en vaak ook agressief bemoeit met iedereen, en de protesten daartegen verontwaardigd verwerpt in naam van de niet-inmenging.

In het Midden-Oosten daarentegen heeft China niets van die wolf warrior-mentaliteit. Net als in Afrika, Latijns-Amerika en Oceanië ontplooit China hier zijn soft power, want leningen, handelsverdragen, investeringen, technologieën en coronavaccins ziet het als de beste manier om deze regio’s in zijn invloedssfeer te brengen. Xi Jinping is graag bereid met iedereen samen te werken, zolang dat gebeurt op zijn voorwaarden. De landen van het Midden-Oosten blijken bijzonder gecharmeerd van de Chinese belangstelling. En zelfs als dat niet zo was, dan zouden ze toch niet om de nieuwe megamacht heen kunnen, zeker nu blijkt dat ze niet kunnen vertrouwen op de VS. Landen die problemen hebben met Amerika kunnen Washington laten zien dat ze in China een alternatief hebben. Vrijwel alle landen in de regio zien China als een patroon van wie ze alleen maar voordeel kunnen hebben. De autoritaire regimes in het Midden-Oosten voelen zich immers politiek verwant aan de Volksrepubliek, en nog belangrijker: China zwemt in het geld. Geld dat vooral de olieproducenten goed kunnen gebruiken om hun economie te diversifiëren.

China is wel het laatste land dat protest zal aantekenen tegen gebrek aan democratie, censuur, onderdrukking en systematische schending van mensenrechten. De grote menselijke drama’s in de regio, de volksopstanden, de massale onderdrukking, het oorlogsgeweld, de moord op Jamal Kashoggi – Beijing veroordeelt nooit. De normen en waarden waardoor het Chinese regime zich in zijn beoordeling van de toestand in de Midden-Oosterse landen laat leiden liggen elders: in strategisch voordeel, economische winst en vooral politieke stabiliteit en veiligheid.

Die waarden heeft de Chinese minister van Buitenlandse Zaken neergelegd in een beginselverklaring van vijf punten. Ze vatten Beijings belangen in de regio goed samen. Het eerste punt benadrukt wederzijds respect, een nieuwe uitdrukking voor het oude niet-inmengingsbeginsel, de schaamlap waarin China zich hult om zich in de binnenlandse aangelegenheden van de hele wereld te mengen. Punt 2 gaat over gelijkheid en rechtvaardigheid, geheimtaal voor het regelen van het Palestijnse probleem. Daarmee zou voor de publieke opinie in het Midden-Oosten een steen des aanstoots verdwijnen.

Punt 3 betreft non-proliferatie van kernwapens. China heeft in het verleden geholpen aan de ontwikkeling van een Pakistaanse en een Noord-Koreaanse kernbom, maar het wil niet graag dat Iran er een krijgt, omdat het bang is dat anders het hek van de dam is. Daarom heeft China naast de vier andere permanente leden van de VN-Veiligheidsraad en Duitsland onderhandeld met Iran over een nucleaire deal, en wil het die door Trump opgezegde overeenkomst herstellen. Over de Israëlische bom rept China niet, net zo min als Israël zelf dat doet. De twee laatste punten betreffen collectieve veiligheid van de regio, die besproken zou moeten worden op een conferentie in China, en ontwikkelingssamenwerking tussen China en het Midden-Oosten – lees: de verdere uitbouw van het Belt and Road Initiative en het sluiten van vrijhandelsovereenkomsten.

‘Iran moet naar het Oosten kijken’, zei ayatollah Khamenei in 2018 nadat Trump Iran opnieuw had getroffen met zware sancties. China keek aanvankelijk nauwelijks terug. Om geen grotere botsingen met Trump te riskeren ging Xi een flink eind met de sancties mee. Maar sinds kort lijkt Iran de Chinese lieveling van de regio. De verkoop van Iraanse olie aan China is de laatste tijd sterk toegenomen. China is Irans belangrijkste import- en exportmarkt geworden. In maart werd in Teheran een ‘25-jarig pact van strategische samenwerking’ getekend, waarmee vierhonderd miljard dollar is gemoeid. China gaat Iran hechter opnemen in het Belt and Road Initiative door investeringen in olievelden, havens, spoorwegen, banken, IT-bedrijven en ziekenhuizen, in ruil voor goedkope Iraanse olie. De deal gaat ook over Chinese militaire training en wapenleveranties en samenwerking van de inlichtingendiensten. De details van de overeenkomst zijn echter nog vaag. China schijnt te willen wachten op de afloop van de onderhandelingen over een herstel van de nucleaire deal. Met de verwachte toetreding van Iran als volwaardig lid van de Shanghai Cooperation Organization, een door China beheerst Aziatisch veiligheidsbondgenootschap, zal Teheran steeds meer onder Chinese invloed komen.

De harde onderdrukking van Oeigoeren en andere moslimminderheden in China, is dat geen onoverkomelijk obstakel in China’s stille opmars in het Midden-Oosten? In het Westen heeft de massale repressie tegen de Oeigoeren de afkeer van China enorm aangewakkerd, maar uitgerekend de leiders van het islamitische Midden-Oosten hebben er weinig moeite mee. De islamofobie in westerse landen stellen ze fel aan de kaak, maar over de behandeling van moslims in China, die neerkomt op gedwongen assimilatie, etnische zuivering of langzame genocide, zwijgen ze. Of ze praten de Chinese propaganda na: concentratiekampen en dwangarbeid bestaan niet, het gaat om beroepsopleidingen voor arme mensen, om de bestrijding van terroristen en separatisten, om binnenlandse aangelegenheden. De Turkse leider Erdogan, die tien jaar geleden over ‘genocide’ op de Oeigoeren sprak op een moment dat er nog geen concentratiekampen waren, heeft zijn kritiek ingeslikt. Zelfs de Taliban hebben geweigerd de repressie van de Oeigoeren te veroordelen. Ze hebben hun nieuwe Chinese ‘vrienden’ al beloofd dat ze geen Oeigoerse strijders in Afghanistan zullen tolereren. Want ook zij hebben er geen enkel belang bij Xi Jinping tegen zich in het harnas te jagen. Zij hebben het machtige China veel harder nodig dan omgekeerd.

Amerika, Rusland en vijf regionale machten – Iran, Saoedi-Arabië, Turkije, Egypte en Israël – hebben tot nu de dienst in het Midden-Oosten uitgemaakt. Dat beeld moet worden bijgesteld. De regionale machten zullen voorlopig wel blijven. Maar de supermacht boven hen zal niet meer Amerika zijn maar China, bijgestaan door zijn minderheidspartner Rusland. Het Midden-Oosten, vanouds het centrum van de wereld, dreigt een aanhangsel te worden van het Rijk van het Midden.