Met gestrekt been

Vroeger werd de sportjournalist niet serieus genomen – en terecht. Tegenwoordig is dat anders. Maar niet iedereen begrijpt dat.

In het begin van de jaren tachtig schreef ik stukjes voor de krant. Het waren de hoogtijdagen van de journalistiek. De hoofdredacteur was een primus inter pares, of hij nou wilde of niet, de advertentieafdeling durfde geen voet over de drempel van de redactie te zetten en niemand wist wie de directeur was. Er werd verdomd weinig onder naam geschreven en het begrip objectiviteit was nog niet ten grave gedragen door vage Franse filosofen die alles weg-deconstrueerden behalve zichzelf. Ik was geen journalist en ben het ook nooit geworden. Ik werkte voor de krant omdat ik geld nodig had en kon schrijven. Daarvoor werkte ik in een goud- en zilvershop (nee, geen juwelier), was archivaris, computer-operator, huisschilder en ober bij de Wimpy.

Ik had als ‘journalist’ één keer een landelijke primeur (de eerste Nederlandse reageerbuisbaby, puur toeval) en liet verder waarschijnlijk een spoor van fouten en slordigheden achter. Journalistiek is allesbehalve een streven naar perfectie en een stukje is de weerslag van gebrekkige en onvolledige kennis van het moment.

Er was een duidelijke driedeling in de journalistiek. Bovenaan stonden de bijlage-redacteuren. Die schreven lange stukken onder naam voor de zaterdagkrant. Daarna kwam het voetvolk, verzameld onder de noemer ‘een onzer redacteuren’. Naamloze, gezichtsloze ploeteraars die zestig uur per week werkten en na een paar jaar nauwelijks nog illusies over zichzelf en de wereld hadden. Onderaan in de evolutionaire piramide hielden zich de sportjournalisten op in wat zo’n beetje de sociale werkplaats van de journalistiek was. Sportverslaggevers konden zelden schrijven en maakten stukjes waarin ze wel namen en uitslagen noemden, maar niet vertelden om welke sport het ging. Als je daar dan wat van zei, keken ze je aan alsof je had gevraagd of water altijd nat was. ‘NOAD!’ riep er dan een, ‘dat is een voetbalclub! Dat weet iedereen!’ Ik heb wel eens geantwoord dat ik dan zeker ook niet meer hoefde te vertellen wie Gerhard Richter was (ik schreef ook stukjes over kunst). ‘Een schilder’, zei ik, ‘dat weet iedereen!’ Dat was dan heel wat anders. Kunst… Tjeezus. Wie las dat? ‘Kunst wordt betaald door de sport’, zei er eens een. Achteraf waren die confrontaties een voorteken.

Die periode schoot me te binnen toen ik een dubbelinterview las in de zaterdagbijlage van de NRC. Daan Heerma van Voss en Johan Derksen. Eigenlijk was het geen interview, maar een cultureel conflict. Hier ging de ‘lage cultuur’ met gestrekt been (ja, ik kan het ook) in op de ‘hoge cultuur’. Succes is niet waardering, maar verkoop, hoewel Derksen niets van Heerma van Voss heeft gelezen en hem niet kent moet hij wel ‘zo’n pseudo-intellectueel grachtengordeltype’ zijn, schrijvers zijn types die ’s morgens drie warme croissantjes bij de voordeur afgeleverd krijgen omdat ze anders niet kunnen werken en Derksens Voetbal international houdt De Bezige Bij (in haar vreselijke pand, in die vreselijke buurt) overeind.

Op de televisie worden alleen de schreeuwlelijken gehoord

Ach god.

Vijfenzestig is hij en hoewel hij zijn lange haar en eendimensionale atheïsme uitlegt als verzet tegen een strenge, gereformeerde vader (politieagent!) houdt het zelfinzicht daar op. Hij zou zich kunnen afvragen waarom dat om zich heen trappen lijkt op wat hij deed toen hij voetbalde voor clubs als Cambuur en Veendam en bekend stond als een trapper en ruziemaker. Maar dat doet hij niet. Al die agressie, boosheid, dat verzet, Johan. Is die vader nog steeds niet vergeten?

Het is niet alleen Derksens persoonlijke geschiedenis die doorklinkt in zo’n interview. Het is ook de sportjournalist die zich nog altijd de mindere voelt. In de jaren tachtig was dat terecht. Sportjournalist werd je omdat je een sporter was, niet omdat je kon schrijven. Nu is de sportjournalist iemand die zijn vak verstaat. Maar Johan, nog stevig vastgezogen in het moeras van de jaren zeventig en tachtig, blijft iemand met een allesbeheersend minderwaardigheidscomplex. En daarmee heeft hij succes, want als iets dit land sinds een jaar of twintig kenmerkt, dan het bittere, diepgewortelde wantrouwen tegen iedereen die niet gewoon is. Mensen die woorden van meer dan twee lettergrepen gebruiken, kunstenaars die dingen maken die ‘we’ niet begrijpen, schrijvers die ‘moeilijke boeken’ schrijven in plaats van iets waar ze gewoon veel geld mee verdienen, intellectuelen.

Het is net zozeer de schuld van de lage cultuur met haar gevoelens van minderwaardigheid als van de hoge cultuur, die niet weet hoe gek ze moet doen om toch vooral egalitair over te komen. Van die intellectuelen die over sport schrijven alsof dat een uitvinding is die zijn weerga niet kent in de geschiedenis van de mensheid. Dat gelul over sport, koken, de zoveelste musical, Idols, want dat is eigenlijk ook kunst.

Als je er niet voor uit durft te komen dat wat jij doet van een andere waarde is dan tv-amusement kun je verwachten dat Johan Derksen en zijn eindeloos over voetbal kletsende vrienden jou een eikel vinden. En als je er wél voor uit durft te komen, moet je het niet in het bruine café doen dat televisie heet, want zoals in elk café worden ook daar alleen de schreeuwlelijken gehoord. Ja, die verdienen meer en ze hebben dikke auto’s en kleurtjesschoenen. Maar in het holst van de nacht, als ze wakker worden van iets onbestemds en zich de Peggy Lee-vragen des levens stellen (Is that all there is?), dan piepen ze wel anders.