Bij de dood van Adriaan Morriën (1912-2002)

«Met huid en haar geseksualiseerd»

«De dood is het volmaakte tijdverdrijf», zei Adriaan Morriën in een interview met dit blad in 1996. Hij vervolgde: «Je verveelt je niet meer, je hoeft niet meer te bedenken wat je de volgende dag wilt eten en je hoeft je kleren niet meer te laten stomen. Dat is een grote verlossing. Maar het is ook de radicaalste ontvreemding die mogelijk is: je leven wordt je afgenomen.»

Op een of andere manier maakte Morriën altijd de indruk dat hij het wel prettig vond om te leven. Of misschien: hij maakte nooit de indruk dat hij het uitgesproken onprettig vond om te leven. Hij benaderde in zijn werk het bestaan met enige frivoliteit, gedoseerde zorgeloosheid en wat joie de vivre op z’n tijd. Morriën legde, naast een ingetogen melancholie en zacht verdriet, een lichtheid van schrijven (van kijken, van denken) aan de dag die naar Nederlandse maatstaven vrij uitzonderlijk was.

Libertijn en lanterfant, noemde de Volkskrant de dichter, schrijver, vertaler en criticus Adriaan Morriën. Libertijn als het tegenovergestelde van protestant, of calvinistisch; lanterfant in de positieve zin van het woord als de meer katholiek-achtige levensgenieter.

Morriën had echter een typisch protestantse opvoeding gehad. In zijn jeugd werd hij met een toornige God geconfronteerd, en om de nog vochtige oren geslagen met een loodzware bijbel, waarin geen ruimte was voor vrolijkheid, blijdschap of zinnelijkheid. In een interview zei hij daar eens over: «Ik heb in mijn jeugd vooral met die ene God te maken gehad. ’s Middags en ’s avonds na het eten werd uit de bijbel voorgelezen en op school begon je met het zingen van een psalm om daarna les te krijgen in de bijbelse geschiedenis — tot de geografie van het land Kanaän aan toe. Ik raakte ook overvoed met het zondebesef; dat ik ‹in Adam der verdoemenis deelachtig› was en alleen door de genade Gods een kleine kans maakte om gered te worden. Natuurlijk was ik bang. Vooral in het donker. De wereld is uit chaos en duisternis geschapen. Duisternis. Een mooi woord, maar het is heel bedreigend.»

Die jeugd lijkt in tegenspraak met de lichtheid van het werk. In Ik heb nu weer de tijd (1996) geeft de schrijver een aanwijzing: «Door mijn opvoeding werd ook ik, of ik het nu wilde of niet, evenals de heiland, een kleine schriftgeleerde. Op mijn levenspad heb ik een overvloedige stof ter herinnering en overdenking meegekregen, een schat aan verhalen en verbeeldingen waaruit ik tot in mijn ouderdom heb kunnen putten. (…) De schriftlezing heeft mij niet gelovig gemaakt maar wel, in alle onwetendheid, bij voorbaat en met huid en haar geseksualiseerd.»

Bij Morriëns overlijden meldde zijn uitgever, Van Oorschot: «Dat Adriaan Morriën een van de minst gelauwerde schrijvers uit de moderne Nederlandse literatuur was, is een onuitwisbare smet op het blazoen van de Nederlandse literaire kritiek.»

Morriën ontving wel prijzen, maar, gezien zijn lange carrière, inderdaad een bescheiden hoeveelheid. In 1964 viel hem de Martinus Nijhoffprijs ten deel voor zijn vertaalwerk en in 1988 de Herman Gorterprijs voor zijn dichtbundel Oogappel. Hij werd in 1999 benoemd tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw vanwege de «belangrijke literaire kritische bijdragen die hem tot een autoriteit op zijn gebied hebben gemaakt».

Morriën nam nooit een echt vooraanstaande plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis in. Hij was een auteur die langs de grote bewegingen in de literatuurgeschiedenis schreef, en zijn eigen, bescheiden, geschiedenis maakte. Hij haalde bescheiden oplages, maar was geen kleine schrijver. Hij had een bescheiden lezerspubliek, maar was niet marginaal. Hij schreef voor zijn beroep, maar was geen beroepsschrijver. Morriën nam die hele literatuur niet zo serieus als anderen wel deden.

Zoals bijvoorbeeld Willem Frederik Hermans. Die kwam in 1944 bij Morriën, met het manuscript van Conserve, zijn eerste boek. Morriën herkende meteen de kwaliteit en het talent van Hermans. Acht jaar lang waren ze bevriend, «prikkelende, aangename jaren». Maar, zoals Morriën later concludeerde: «Wij waren tegenstrijdige naturen en onze vriendschap was er een uit wantrouwen. Toen ik dat, op het laatst, eens tegen hem zei, keek hij me heel verschrikt aan, maar hij ontkende het niet. Ik vond Wim in allerlei opzichten onuitstaanbaar. Hij nam de literatuur zo vreselijk serieus. Hij was een soort Mozes van de literaire geboden. Mozes uit de Eerste Helmersstraat.»

Gestaag werkte Morriën aan zijn oeuvre, in zijn eigen tempo, in zijn eigen stijl, en met zijn eigen thematiek: zijn eigen bestaan. Het autobiografische als consequent uitgangspunt. En aangezien Morriëns bestaan een bestaan vol erotiek was — in brede zin: voor de schrijver was overal erotiek, en sensualiteit — bouwde hij een naam op als «erotisch schrijver».

Zonder ooit in platvloersheid te vervallen, schreef Morriën met herkenbaar en aanstekelijk plezier over alles wat zich tussen de geslachten — en al hun varianten — kan afspelen. En dat hoeft niet per se altijd op mensen betrekking te hebben (de roman Het kalfje en de gnoe is een van de meest erotische werken uit de Nederlandse literatuur): overal in de natuur is sensualiteit te vinden. Zoals in het gedicht Landelijke liefde (uit Oogappel, 1986):

Twee paarden bij een hek, terwijl het avond wordt.

De zware koppen naast elkaar, de schouders elkaar strelend

een liefde even smekend als bevelend,

in een tevreden stilstand uitgestort.

Zo te beminnen met een lange hals vol manen,

een brede borst die op voorpoten rust,

terwijl het hele lichaam kust en wordt gekust

en ’t zonlicht valt in een geluk vol tranen.

Morriëns laatste boek, Lotus-brieven, verscheen in 2001. In ophemelende en erotische brieven aan een beminde aanbidt de auteur álles van zijn geliefde Lotus, tot aan wratjes toe. «Ik ben ieder ogenblik geneigd een lange verhandeling over je te houden, op jou te promoveren met een dik, opwindend, hartstochtelijk, lederen proefschrift. Ik maak onaanvechtbare stellingen over jou. Ik slaag cum laude in je.»

Het zijn brieven «in eroticis», van een schrijver die schreef, en leefde, «in eroticis».

De thematiek van Morriëns werk is eens samengevat als: trouw aan het leven, een lofzang op de vriendschap en de liefde, vrouw en kind, natuur en huis. In een interview zei de schrijver: «Ik ben echt geïnteresseerd in vrouwen. Waarom ze in mij geïnteresseerd zijn? Ik denk dat ik dat wel weet. Ik kijk weleens in de etalageruit en dan denk ik : ja, je hebt een vriendelijk gezicht, je kijkt aardig uit je ogen.»

Je wordt geen negentig als je geen plezier in het leven hebt. Dus moet Adriaan Morriën (IJmuiden, 1912) genoten hebben van zijn jaren. En wellicht was het juist omdat hij de literatuur en het schrijven niet als een loodzware last beschouwde dat hij er plezier in kon hebben. Hoe graag hij ook schreef, hij kon het dagen laten, zei hij. «Ik heb nooit naar eeuwige roem verlangd. Bij mijn betekenis in dit leven, denk ik in de eerste plaats aan de mensen om mij heen. Zijn er mensen van wie ik kan houden, voor wie ik iets beteken, aan wie ik plezier kan beleven en zij aan mij? Ik denk wat dat betreft heel pragmatisch. Dat is alles wat er toe doet. Plezier is voor mij een kernwoord.»

In Trouw vertelde Adriaan Morriën dat hij gelukkig was dat hij zo lang heeft mogen leven. Hij was ouder geworden dan hij ooit had durven dromen. En hij werd benijdenswaardig oud, met een benijdenswaardig mooie kop.