Met jouw leer op mijn plastic

Hélène Gelèns
niet beginnen bij het hoofd
Sheila Cussons
De schitterende wond
Sandwich-reeks nr. 13 en 14
Uitgeverij 521, 48 blz., € 16,90 per bundel

In een inleidende tekst vertelt Gerrit Komrij, redacteur van de Sandwich-reeks, kort het levensverhaal van de Zuid-Afrikaanse dichteres Sheila Cussons (1922-2004), van wie enkele gedichten met vertaling in een introductiebundel zijn verschenen. Er staat een afschuwelijke regel in die minibiografie. Nadat Cussons in Barcelona is gaan wonen ‘ontploft in 1974 een gasoven in haar gezicht’. Omschreven worden de huidtransplantaties en amputaties die volgden, en de ‘levenslange verminking’. Ga daarna nog maar eens gedichten lezen! De schitterende wond is in dit licht een wrange titel en dat komt ook tot uiting in een gedicht als Die swart kombuis/de zwarte keuken, waaruit hier vier regels:

een middag hoe lang geleden

de zwarte keuken is oud

nooit wás hier zomer-zonlicht

de zwarte keuken is koud

Het woord ‘gasoven’ staat nergens, maar je weet dat het apparaat er staat. In de moedertaal wordt het nog fnuikender, als de dichter een ‘vreemde schaal’ in die keuken omschrijft:

daar hang ’n snaakse skottel

met ’n riffel-hingel aan ’n riffel-rand

en ondertoe twee gate

wat loer aan die een kant

Cussons bedient zich vaak van gewijde taal:

Heer, red my vandag, want ek

het gekyk in die aangesig

van ’n skone vervloekte man.

In dat ‘skone’ toont zich de hunkering. De vrouw wil een doorzichtige jurk aan (‘ek wil my klee in fluistergoed’), ze wil alcohol drinken en tegelijkertijd smeekt ze God om haar te stoppen:

O keer my voete, Heer, keer

my voete, my voete dans

my dodedans.

Dan blijft het toch weer braaf, en het zal de grote roerganger denk ik gelukt zijn om Cussons tot inkeer te brengen, want in het afscheidsgedicht prevelt ze:

Lichaam vaarwel ik ga

in tot een zengend verlies

in tot een vlijmende vreugde

want straks zal ik doorgronden

de pracht van Gods verstand

de pracht van Gods genade

Hélène Gelèns is poëzie van een ander kaliber, het is debuutpoëzie uit het Nederland van nu. De boektitel is nogal intrigerend (niet beginnen bij het hoofd), omdat je je als lezer betrapt voelt. Alsof je al bij het hoofd begonnen was en nu wordt teruggefloten. En wat was je bij het hoofd aan het doen? En bij wiens hoofd? Pas in het slotgedicht wordt de titel ter sprake gebracht.

niet beginnen bij het hoofd

niet bij de voet

niet bij de hand

niet bij de pink

van de linkerhand van meneer herbert

beginnen bij vingertoppen

niet bij de

niet bij mijn – besmeurd met inkt

beginnen bij toevallige: die virginale

vingertoppen van een aangestaarde

wier ogen en tong haar verraden:

niet bijdehand niet bij de pinken

bij vingertoppen die glijden zoals

ze zouden glijden en prikken

zoals ze zouden en kittelen

ze trekken een krullende lijn in de lucht

haar blik kleft erachter erboven eronder

beginnen bij haar zin

in vingertoppen tintelt gemis

over naar mijn vingertoppen

ze tintelen

tot ik tast

Echt bloot geeft dit gedicht zich niet, maar het is een bedscène, tot de vingertoppen van de ik gaan tasten tintelen ze van gemis. Het is goed dat Gelèns niet uitlegt wat er wordt gemist (liefde, warmte, onschuld, schat ik in). En zelfs woorden wegpiept met het streepje-leesteken of met een leegte (‘niet bij de’). Het gedicht wordt er schrijnend door, omdat wanneer aangegeven wordt waar wél begonnen moet worden de censuur wordt toegepast. Eigenlijk het enige wat er echt niet goed aan is, is de woordspeling ‘niet bijdehand niet bij de pinken’. Maar dat vergeef je een debutant. Er zijn meer aanmerkingen te maken, maar laat vooropstaan dat Gelèns in haar debuut al in staat is om de lezer zo af en toe aan een gedicht gekluisterd te houden. Zoals in het tweeluik Staketsel van dagen, waarin een dichter door oude agenda’s bladert: ‘bladeren door oude agenda’s/ van afspraak naar afspraak naar afspraak waden/ op zoek// staag waden van feest naar verjaardag naar bellen met vragen’. Je ziet de afspraken en kattebelletjes staan. Het ‘bladeren’ stelt zich op tegenover het ‘staag waden’, alsof je wadloopt door zompige tijd. ‘Waden door die massagraven vol regelmaat/ lijstjes en doorgeschrapte taken’. Het is een letter a-feest dat tijd doden als onderwerp lijkt te hebben. Maar dan komt de verloren liefde: ‘Dit jaartal terugbladeren en steeds jouw naam/ jaargangen lang spraken onze agenda’s/ dezelfde code’. In de zomer ‘plakte jouw leer op mijn plastic’, de vrouw moest het blijkbaar doen met een goedkope Rijam-prul waar de man het niet voor minder deed dan een Filofax. De slotregels luiden:

werd je naam alleen geschreven

onder waarschuwen in geval van ongeval

terugbladeren en je naam bij de dagen lezen

Het is natuurlijk tergend romantisch en schattig, maar ook weer zo innemend verwoord dat je meebladert en meewaadt. Hélène Gelèns is geen Hulk die de Nederlandstalige poëzie komt binnendreunen. Maar het is lekkere poëzie voor in de hangmat, het is sterk opgeschreven lieflijkheid.