Met Karel in de clinch

Mijn Karel

MET KAREL VAN HET REVE had ik meer meningsverschillen dan met vergelijkbare leermeesters. Over Freud, de godsdienst, de literatuurwetenschap, Dostojevski verschilden wij niet van mening, en voetstoots heb ik van hem aangenomen dat het marxisme niet deugde, maar over de muziek, de evolutietheorie, Vestdijk en Walter Scott dachten wij totaal anders. Mij verraste hij een keer met de mededeling dat Carl Philipp Emanuel Bach een groter componist was dan zijn vader, maar die mening vond ik zo absurd dat ik heb geweigerd daarover te discussiëren. Onbegrijpelijk vond ik ook dat hij, terwijl hij toch in Russische cultuur geïnteresseerd was, al die fantastische Russische componisten met een schouderophalen afdeed. Zelfs over Tsjaikovski, een componist die minder muzikale naturen nog vermag aan te spreken, zei hij een keer onderweg in de auto van Haarlem naar Amsterdam tegen mij dat hij eenvoudig niet kon begrijpen dat enig mens diens muziek ooit mooi kon vinden. ‘Probeer de Dans van de Mirlitons eens uit de Notenkrakerssuite’, zei ik hem, ‘het zou mij toch erg verbazen als je daar niet door gegrepen zou worden, zelfs mijn vader en mijn oom onderbraken hun biljartspel en kwamen aanrennen als ik die op het harmonium speelde, en dan stonden ze naast me en tikten ze met hun keuen de maat op de grond mee.’
Maar al op het moment dat ik hem ervan probeerde te overtuigen dat hij, al was het maar om zijn kijk op Tsjaikovski enigszins bij te stellen, die dans eens zou moeten beluisteren, wist ik dat hij dat nooit zou doen. Vaak heb ik gedacht: het lijkt erop dat hij niet van zins is zijn kijk op zijn vele bêtes noires te nuanceren. Deels om degenen die anders over bijvoorbeeld Freud en de evolutietheorie en Bruckner dachten te jennen of te provoceren, deels omdat het hem wel goed uitkwam dat hij er zulke geprononceerde meningen op nahield over tal van zaken. Dan hoefde hij zich daar ook verder niet in te verdiepen. Met behulp van de kwalificatie ‘de Weense kwakzalver’ kon bijvoorbeeld Freud moeiteloos afgevoerd worden.
Wat mij bij alle bewondering (en die was aanvankelijk huizenhoog, in Leiden wilde ik niets liever dan college bij hem lopen, terwijl hij toen nog nauwelijks iets had gepubliceerd) het meest heeft teleurgesteld was zijn koppige onwil om zich echt in de evolutietheorie te verdiepen. Ook Dick Hillenius was daar bedroefd over. ‘Waarom weigert hij een boek over de evolutietheorie te lezen’, zei Dick keer op keer. Maar nee, dat vond hij totaal niet nodig, hij had een globaal beeld van die theorie, en dat beeld bestreed hij onder het motto: ‘Waar gezond verstand in overvloed voorhanden is, kunnen wij feitenkennis ontberen.’ Onkunde geen bezwaar, eerder juist een voordeel, want dan stond je er onbevangen en onbevooroordeeld tegenover. Alles goed en wel, maar daardoor kreeg je de rare figuur dat iemand eerst een mallotig theorietje van eigen maaksel in elkaar flanst (zie het opstel Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes) om het ontstaan van de giftand bij slangen te verklaren en vervolgens dat eigen theorietje heftig aanvalt. In zo’n geval zou ik grondig nagaan wat er zoal over de evolutie van giftanden is geschreven, alvorens ik mij zou wagen aan bestrijding van het idee dat ook de giftand een product is van evolutie. Waarbij nog aangetekend kan worden dat, juist vanwege het grote gevaar ervan, ontstaan en werking van de giftand een der best onderzochte biologische fenomenen is.
Doordat hij botweg weigerde werk van bijvoorbeeld Richard Dawkins of een andere evolutiebioloog te lezen, kreeg de polemiek met hem iets schimmigs, iets onwerkelijks. Nog steeds heb ik er, al geeft het veel voldoening dat mijn verwijzing naar de reuzenkoeskoes hem een fraaie boektitel opleverde, pijn in mijn ziel over. Over je hoofd heen richtte hij zich tot zijn lezers die er merendeels al net zo trots op waren dat ze de theorie onbelast door kennis, dus onbevangen tegemoet konden treden. Daarbij kwam dat hij altijd de lachers op zijn hand wilde krijgen en dat lukte uitstekend omdat hij nu eenmaal prachtig schreef en oergeestig kon zijn. Het slot van z’n reuzenkoeskoes-opstel over konijnen die alle coupletten van het Wilhelmus zingen is buitengewoon vermakelijk. Als je ’t leest zie je hem ook weer voor je, met die snaakse uitdrukking op zijn gezicht, en je hoort dat schitterende, sonore stemgeluid. In feite was hij, met name ook toen hij zijn Huizinga-lezing over de literatuurwetenschap hield, eerder een superieure cabaretier dan een geleerde professor.
Volgens biograaf Ger Verrips, die afgaat op een oud-student van Van het Reve, W.R. van Dam, werden Hillenius en ik in de discussie over de evolutietheorie ontmaskerd als ‘vulgair-darwinisten die hun literatuur niet bijhouden’. Ik zou naar de voornaamste deskundige verwezen hebben, Stephen Gould, maar zie: juist die deskundige had als een Van het Reve avant la lettre de naïef perfectionistische visie verworpen. Ik heb echter nergens naar Gould verwezen, noch naar enige andere deskundige, wel wetend dat Van het Reve nimmer de moeite zou nemen ook maar enig werk over de evolutietheorie van wie dan ook te bestuderen. Maar ja, Verrips schrijft ook dat Van het Reve zich na zijn vertaalcolleges op woensdagmiddag naar café Barrera begaf waar ‘soms Maarten Biesheuvel, Boudewijn Büch of Maarten ’t Hart aanschoven’. Nooit heb ik echter op woensdagmiddag met Karel in Barrera gezeten, noch ook op enige andere dag, noch ooit in enig ander café.
Verrips doet het voorkomen alsof Van het Reve, onder luide bijval, eigenhandig de evolutietheorie omver heeft gekegeld. En hij wil ons doen geloven dat de bezwaren die Van het Reve naar voren bracht later ook door vooraanstaande biologen werden gedeeld. Het spijt me, wat hij schrijft raakt kant noch wal. De theorie is nog springlevend en Karel is helaas al jaren dood.