INTERVIEW MET ANNE WENZEL

‘Met klei kun je denken’

Anne Wenzel maakt beelden van jonge meisjes, hertjes, dennenbomen, meisjes met dennenbomen. Onschuldig, lieflijk en aanlokkelijk als Meissen-porselein, maar vaak met een macabere twist.

Het atelier van beeldend kunstenaar Anne Wenzel (Schüttorf, 1972) bevindt zich op de eerste verdieping van een vooroorlogs schoolgebouw in Rotterdam-Overschie. Hol klinkende gangen, een statige trap, aan de muur in de hal een keurig ingelijste reproductie van de Twee hertjes van Van Meegeren. ‘Die heb ik niet opgehangen’, zegt ze nadrukkelijk. Het is nauwelijks middag, maar het licht moet al aan. Het weer is grijs en miezerig. Pal voor het gebouw ligt het verhoogde tracé van de a13. De hoge ramen van het atelier bevinden zich op hetzelfde niveau als de geluidsschermen die de snelweg flankeren. In de spleten ertussen zie je de auto’s voorbij flitsen, zoef, zoef, als op hol geslagen diaprojecties. Het lawaai is vrijwel nihil, hetzelfde geldt voor het uitzicht; de bovenste etages van wat morsige jaren-zestigflats, dat is het wel zo’n beetje. Een omgeving die verder afstaat van het archetypische Duitse woud waar Wenzel veel van haar inspiratie en beelden vandaan haalt, is nauwelijks denkbaar.
Wenzels lach vult de ruimte. Nee hoor, ze verlangt niet terug naar haar geboorteland, ze is dol op Rotterdam. Ze zou in Nederland nergens anders willen wonen. En ze zou nergens anders willen wonen dan in Nederland. Met een korte onderbreking woont ze hier nu zo’n vijftien jaar. Op haar twintigste kwam ze naar Nederland om te gaan studeren aan de aki, de kunstacademie in Enschede. Anne Wenzel: ‘Na mijn afstuderen ben ik weer in Keulen gaan wonen, maar ik was Duitsland ontwend. Duitsland is zwaar, ernstig. Ik miste Nederland, het Nederlands-luchtige. Na een half jaar ben ik teruggegaan. Ik had als kunstenaar de keuze tussen Amsterdam en Rotterdam. Het werd Rotterdam. Nooit spijt van gehad. Rotterdam stimuleert je.’

Op een van haar werktafels liggen een paar fotoboeken uit de jaren dertig. Schriften zijn het eerder, met slappe kaften en grauw, vezelig papier: Deutscher Wald in schönen Bildern en Winter in Deutschen Bergen. Daaruit haalt ze de plaatjes waarop ze haar muurschilderingen baseert. ‘Natuurlijk heeft het iets met mijn achtergrond te maken dat ik met zoiets typisch Duits als dennenbos en zo bezig ben. Maar ik vraag me af of het ook zo’n grote rol zou spelen als ik in Duitsland gebleven was.’ Ze laat een foto zien van een klein werk uit 2000: een landschap van bergen, bossen en weiden, opgebouwd uit zuurkool, aardappelpuree en braadworsten. Op de voorgrond een woest burlend speelgoedhertje van wit plastic. ‘Het meest Duitse wat ik ooit gemaakt heb’, zegt ze grijnzend. ‘Heimatkunst heet het.’ Het is een ironisch, humoristisch werkje. Is dat typisch Duits? Ze lacht. ‘Nee, dat is waar. Wellicht dat je zoiets pas gaat maken als je expat bent. Ja, het heeft ook iets heel Nederlands. Het is de combinatie, hè?’

Wenzel maakt keramische sculpturen. Aanvankelijk relatief kleine, nooit hoger dan vijftig centimeter: jonge meisjes, herten, meisjes met herten, dennenbomen, meisjes met dennenbomen. Onschuldige beeldjes op het eerste gezicht, lieflijk en aanlokkelijk als Meissen-porselein, maar vaak met een macabere twist. Een aandoenlijk, half doormidden gekliefd hert, dapper op zijn poten nog, dat deels is bedekt met wat zijn eigen ingewanden blijken te zijn. Een klein meisje in de beschermende of beklemmende omarming van een dennenboom die zich van achteren aan haar opdringt. Eenzelfde meisje met haar voeten in een donkere amorfe massa en op haar schouder het dode gewicht van een klomp even vormeloze… ja wat… klei?

Waarom van die jonge meisjes? Moeten we aan Roodkapje denken? Aan de sprookjes van Grimm?

Anne Wenzel: ‘Ik was op zoek naar onschuld en idylle. Zo kwam ik bij die meisjes. En ook bij die herten. Het gaat om een clichébeeld van de onschuld, natuurlijk. Ik bedoel, dat soort meisjes met rokjes en sokjes… het zijn duidelijk geen stoere meiden uit een achterstandswijk. Maar ze worden ouder, hoor.’ Ze slaat een flap weg van een droogtent die op een van de werkbanken staat en onthult een vrouwenfiguur: bijna nog een meisje, maar met volgroeide borsten. ‘Die is toch wel vijftien’, lacht ze. ‘De dieren veranderen ook. Dat grote hert dat ik in Tent (Centrum Beeldende Kunst, Rotterdam – red.) liet zien, dat is toch geen onschuldig jong beestje. En dan die vechtende honden waar ik nu mee bezig ben…’

De laatste jaren is Wenzel beduidend groter gaan werken en hebben haar presentaties een installatiekarakter gekregen. ‘Ik vond die kleine beelden toch wat snuisterijachtig worden. Ik maakte een grote variant van het meisje met die blob op haar schouder, en het resultaat was méér dan groter, het werd een totaal ander ding. Niet zomaar een leuk dingetje, maar iets van gewicht. Om die grote formaten aan te kunnen, moest ik technisch nog wel veel bijleren. Een werkperiode in het Europees Keramisch Werkcentrum in Den Bosch heeft me toen enorm geholpen.’ Voor het beeld waar ze nu mee bezig is – een vechtende kluwen honden, ontleend aan een werk van de stroperig-Romantische schilder Sir Edwin Landseer – heeft ze vijftienhonderd kilo klei gebruikt. Ze heeft er zes weken onafgebroken aan gewerkt. Nu staat het te drogen. Dat duurt zeker tot april. Dan gaat het tien dagen de oven in. Als het klaar is weegt het nog steeds meer dan een ton.

Of ze al weet hoe ze het gaat installeren. Anne Wenzel: ‘Zoiets kan ik niet van tevoren bepalen. Ik heb geen klaar concept. Zo zouden ze het in Duitsland doen: een idee uitdenken en vervolgens uitvoeren. Hier in Nederland heb ik geleerd intuïtiever te werken, meer af te laten hangen van de situatie, van de ruimte. En tijdens het ontstaansproces nog bij te sturen, te blijven denken en reageren. Daarom ben ik indertijd ook van kunstmaterialen als polyester en polystyreen op klei overgestapt. Met klei kun je denken. Als ik begin, heb ik alleen een vaag idee, een sfeer waar ik naartoe wil. In Tent, hier in Rotterdam, wilde ik bomen als achtergrond voor de sculpturen. Aanvankelijk wou ik ze van keramiek maken, maar dat was ondoenlijk. Toen besloot ik ze met Oost-Indische inkt direct op de muur te schilderen. Hoog en verstild. Het was voor het eerst dat ik een geschilderde achtergrond gebruikte, het was sowieso voor het eerst dat ik zoiets groots deed. Later in Bureau Leeuwarden, wat een laag plafond heeft, besloot ik de sculpturen in het water te zetten. Dat was technisch niet simpel, maar het lukte. Het werd echt een moeras, ook weer heel verstild.’ Sommigen deed het denken aan Schotland, anderen aan Noord-Finland, nog weer anderen aan Brits Columbia. Dat sterkte haar in haar gevoel dat het een geslaagd werk was, dat het haar gelukt was aan het Duitse voorbij te komen.

Want Duitsland of het Duitse woud is niet haar onderwerp. Zo simpel ligt het niet. Het gaat om iets anders, iets algemeners. Ze laat foto’s zien die ze uit kranten knipt, prints van plaatjes die ze op het internet vindt, fotoboeken met nieuwsfoto’s. Op alle heersen dood en verwoesting: hoogspanningskabels die geknakt zijn onder een laag ijzel, Tote Touristen tussen het wrakhout op een Thais strand na de tsunami, Ground Zero, het ondergelopen New Orleans… Anne Wenzel: ‘Je ziet die rampen op tv en je kijkt en kijkt, je kunt je ogen er niet van afhouden. De beelden zijn vaak gruwelijk, maar we willen ze steeds opnieuw zien. Er zit iets in wat ons fascineert, wat verder reikt dan de gebeurtenis zelf. Wat dat is, daar gaat het mij om.’ Enerzijds is het een vormkwestie, constateert ze, met name bij de foto’s: ‘Het is opvallend hoe geordend die rotzooi is. Het is chaos, maar ook gestructureerd.’ Die notie vertaalt ze in haar werk, zowel in de afzonderlijke beelden als in de landschappelijke ensceneringen.

Maar essentiëler is wat die beelden haar zeggen, wat die beelden aanboren aan gevoel, aan noties over het leven. Ze formuleert aarzelend, met veel haperingen, terzijdes, stiltes: ‘Het gaat om de dromen die wij hebben, om wat voor voorstelling wij hebben van dingen… over hoe wij bijvoorbeeld zo’n dennenbos ervaren… als iets moois en idyllisch, óf als iets duisters en dreigends. Iets kan gruwelijk zijn maar tegelijkertijd heel mooi. Die fascinatie met de tsunami bijvoorbeeld, dat ging niet om die ene specifieke ramp, maar om het besef dat elke idylle in zijn tegendeel kan verkeren… en niet alleen een idylle, ook het gewone, alledaagse… ik bedoel, we worden gewaarschuwd voor onbeheerde tassen in de tram, in de metro, daar leven we mee, met dat dreigende gevaar… en we leven er ook totaal niet mee, alles is hetzelfde, we doen hetzelfde… en toch is tegelijkertijd alles anders. Mijn werk gaat niet over de dingen die je ziet, maar over wat erachter schuilgaat… over illusies en dromen… over de onhoudbaarheid daarvan… ja, het gaat over een soort van moedeloosheid… de wanhoop over agressie en vernietiging… ja, altijd een beetje wanhoop… ja, altijd… binnen al mijn werk, ja.’

In een hoek van het atelier hangen inktschetsen van diepe, hoge ruimtes met vlaggen en vaandels. Ernaast hangt de foto die de aanleiding vormt. Kunstpalast staat eronder, en Kampf der nsdap (1934). ‘Ja, daar wil ik iets mee, alleen weet ik nog niet wat’, zegt ze. ‘Wat me intrigeert is die simpele vormentaal, die zo effectief is. De algemeen geldende middelen waarmee ze spelen. Het gaat me niet om de Duitse geschiedenis. Net zo min als het me bij die vechtende honden om die honden te doen is.’ Later, op een vrolijker moment, zegt ze: ‘Nederlanders staan er eigenlijk nooit echt bij stil, maar een buitenlander zal er nooit aan wennen dat hij zoveel meter beneden zeeniveau woont. Weet je dat ik blij ben dat ik de sleutel van mijn bovenbuurvrouw heb?’

Werk van Anne Wenzel is onder meer te zien in het Goethe Instituut, Rotterdam (Unheimlich Bürgerlich, duo-expositie met Dieter Mammel) tot en met 4 mei, en vanaf 22 april in het Princessehof, Leeuwarden (Hollands porselein). home.hetnet.nl/~annewenzel