Met new labour voor een nieuw europa

De monsterzege van Tony Blairs New Labour Party betekende een persoonlijk verlies voor de Conservatieven, maar geen volledige nederlaag voor het Britse conservatisme. De electorale ondergang van veel Tory-coryfeeën leverde weliswaar prachtige televisie op, van het wit weggetrokken gezicht van Michael Portillo tot de rancuneuze afscheidswoorden van David Mellor, maar hun gedachtegoed leeft voort in de boezem van Blairs regering. Niet voor niets noemde een Britse commentator hem de beste leerling die Thatcher zich had kunnen wensen.

De nieuwe regering weerspiegelt geenszins de aspiraties van de linkse meerderheid in Groot-Brittannië. Die meerderheid is er sinds 1979 steeds geweest, maar ze was verdeeld over Labour en de Liberaal-Democraten en kwam derhalve in het Britse kiesstelsel niet tot haar recht. Nu die meerderheid eindelijk is vertaald in een overweldigend aantal zetels, zal moeten blijken of de oude idealen opwegen tegen de invloed van de verkapte thatcheristen in Blairs ploeg, want die zijn er te over. De nieuwe minister van Financiën, Gordon Brown, is een even bezeten monetarist als zijn conservatieve voorganger Kenneth Clarke; de nieuwe minister van Binnenlandse zaken, Jack Straw, is een law and order-fetisjist met een hekel aan alles wat zich buiten de maatschappelijke zebrapaden van Middle England beweegt, of het nu werklozen, zwerfkinderen of asielzoekers zijn. Als het aan hem ligt mogen de vakbonden, die een groot deel van de campagne van New Labour hebben gefinancierd, alleen nog staken in de lunchpauzes.
Gelukkig ontstond er binnen 24 uur na de verkiezingen een knetterende ruzie in de partijtop, en wel tussen Blair en zijn nieuwe minister van Buitenlandse zaken, Robin Cook. Die onenigheid is een omen, want Cook vertegenwoordigt de beste tradities van de oude Labour Party. Zijn vader behoorde tot de generatie van vooroorlogse socialistische onderwijzers, een lichting idealisten die meer voor de beschaving heeft betekend dan twintig eeuwen christendom. Cook heeft zich de afgelopen veertien jaar als schaduwminister van onder meer Handel en Industrie, Volksgezondheid en Buitenlandse Zaken met hand en tand verzet tegen de sociale afbraak. Hij heeft een formidabele dossierkennis en is een gevreesd debater die menig Tory-minister staande de Lagerhuisvergadering vakkundig heeft gefileerd. Hij is de enige nieuwe minister die Blair zowel intellectueel als verbaal aankan.
Het was veelzeggend dat hij het eerste geschil meteen won. Blair wilde de directeur van British Petroleum, David Simon, benoemen tot minister voor Europese Zaken. Simon is niet alleen een van de prominentste industriëlen van het land, hij is ook een van de felste voorstanders van de Euromunt. Cook vond dat een verkeerd signaal aan de Europese partners en aan het Britse publiek, omdat zijn visie op Europa ver uitstijgt boven het geneuzel over de Maastricht-criteria. Simons plaats wordt nu ingenomen door de onbeduidende Douglas Henderson, die zonder meer ondergeschikt zal zijn aan Cook. Dat is ook voor Nederland van groot belang, omdat het nieuwe Europa-beleid van de Britten de aanzet kan geven tot wezenlijke veranderingen in Brussel.
Om te beginnen krijgen de tegenstanders van een bureaucratische en technocratische Europese eenheidsstaat er een volwaardige medestander bij. Het Verenigd Koninkrijk zal eindelijk weer een centrale positie op het continent opeisen. Het ongezonde isolement van de laatste achttien jaar zal plaatsmaken voor ‘Brits leiderschap in Europa’, zoals het verkiezingsmanifest van New Labour aankondigt. De fixatie van de Conservatieven op het veroveren van Aziatische markten, gecombineerd met een grondige afkeer van alles wat riekte naar een Europees sociaal beleid, was op den duur onhoudbaar. Tenslotte exporteert het Verenigd Koninkrijk jaarlijks meer naar Nederland dan naar alle Zuidoostaziatische landen bij elkaar.
Het besluit om de kersverse Europa-minister meteen naar Brussel te sturen om de sociale paragraaf van het verdrag van Maastricht te ondertekenen, is niet alleen een blijk van toenadering tot Brussel maar ook een belangrijke stap in de richting van een socialer Europa. De Britse arbeiders krijgen recht op een minimumloon, ouderschapsverlof en de vorming van ondernemingsraden, hun continentale collega’s hoeven niet langer met hen te concurreren op sociaal gebied.
Wat de staatkundige inrichting van de Unie betreft, heeft Cook altijd duidelijke taal gesproken. Hij beschouwt Europa als een 'bondgenootschap van onafhankelijke naties’ en spreekt zich principieel uit tegen een 'federale superstaat’ waarin de nationale soevereiniteit overgedragen wordt aan oncontroleerbare organen. Hij heeft al laten weten dat als Groot-Brittannië noodgedwongen zal meedoen met de euro, het tegelijk een versterkte controle door het Europees parlement op het monetaire beleid zal eisen.
Maar Cooks eerste voorkeur gaat niet uit naar de invoering van de euro en zelfs niet naar een verdere uitbouw van de gemeenschappelijke markt. Hij wil allereerst streven naar bestrijding van de werkloosheid op Europees niveau en verwacht veel van de toekomstige samenwerking in de Socialistische Internationale. Vanaf nu zijn acht van de vijftien Europese regeringen sociaal-democratisch. Cook verwacht dat deze nieuwe stemverhouding, in combinatie met het Britse voorzitterschap van de EU in de eerste helft van 1998, een einde kan maken aan de neoliberale hegemonie in de Brusselse instellingen.
Verder is Cook voorstander van uitbreiding van de Europese Unie naar Oost-Europa. In een interview met de New Statesman zei hij vorig jaar: 'Historici zullen over vijftig jaar stomverbaasd staan over de reactie van West-Europa op de val van het communisme; we zijn nu zeven jaar verder en we hebben niets uitgevoerd. Het is de historische opdracht van de Europese Unie om die jonge democratieën dezelfde garanties en steun te geven die de EU verschafte aan Spanje en Griekenland toen ze zich hadden bevrijd van het fascisme.’
Voorwaar, het zijn woorden en standpunten waaraan links Europa zich kan warmen. Misschien moet De Groene tijdens de komende Eurotop in Amsterdam een kleine Union Jack aan de voorgevel hangen, als saluut aan de eerste Europeaan die Groot-Brittannië sinds vele jaren heeft voortgebracht.