De elfde Documenta in Kassel

Met norse negers onder de huid

Met norse negers onder zijn huid bezocht Kees ’t Hart de elfde Documenta in Kassel, opnieuw de grootste kunstmanifestatie ter wereld. Hij ziet Gary Hill- naäpers en wonderlijk prachtige kunstwerken van de inmiddels 82-jarige Nederlandse meester Constant. Dromen van een op hol geslagen mannelijke tentoonstellingsviespeuk.

We lopen vanaf de camping door het prachtige park naar de Orangerie. Het is vier uur ’s middags, de Documenta is tot acht uur vanavond open, dus hoeven we geen haast te maken. We halen oude herinneringen op aan Documenta’s van vroeger. Wanneer zaten we ook weer met Beuys aan een tafeltje in het Fredericianum? Volgens ons in 1977, onze eerste Kassel, toen hij iedere dag op de Documenta te vinden was en daar zijn theorie over de mens als kunstenaar bediscussieerde. Pas vijf jaar later kwam hij met die eikenbomen aanzetten. Of was dat in ’87? We wisten niet wie het was, hij kwam aan ons tafeltje zitten en we dronken koffie of cola en hij zei niks. Wij ook niet. We kunnen nu altijd zeggen dat we ooit met Beuys hebben gesproken want we hebben vast iets tegen hem gezegd. Auf wiedersehen, dat op z’n minst, of tjüss. Zouden er nog steeds zo veel kunstenaars zijn die hem nabootsen? Vermoedelijk wel, je moet altijd langs hem, met hem afrekenen, hem laten stikken in zijn kussen, hem tien minuten kopje onder houden en dan nog is-ie niet verzopen. Je moet hem grondig haten. Zoals je als dichter langs andere dichters moet zien te komen. Hoe krijg je iemand uit je bloedsomloop?

Wanneer zagen we die installatie van Gary Hill? Tall Ships, ook op de Documenta, ik denk vijftien jaar geleden. Onvergetelijk grote kunst. Je kwam een donkere gang binnen en als je daar langzaam doorheen liep, verschenen mensen vanuit het donker, op schermen die aan weerszijden van de gang in de lucht leken te hangen. Ze leken dichterbij te komen, lichtten op en gingen weer terug: een man die zijn hoed afzette, een meisje, twee mannen, een man en een vrouw, ook een hondje. Steeds kwamen de beelden op je af, ze keken naar je, sommigen zwaaiden, anderen lachten alleen. De doden kwamen me begroeten, dat was het beeld, ze bleven even voor me staan, bij me staan en verdwenen. En de hazen van Flanagan, wanneer was dat? We weten het niet meer. In 1982? Een ervan nooit vergeten: The Acrobat. Sentimenteel tot en met. Kunst moet altijd sentimenteel zijn, beweer ik.

In de Orangerie staat een groot houten bouwwerk waarin geluid klinkt wanneer je er doorheen loopt. Geknal en gedreun. Wanneer we er weer staan, zien we de leidingen en de schakelingen. Het is knap, zeggen we, vooral mooi timmerwerk, heel precies, echt knappe kunst. Veel dodelijker kan commentaar op kunst niet zijn. We lopen de trappen op naar het plein van het Fredericianum. In de oorlog is Kassel platgebombardeerd, alles is opnieuw opgebouwd, ook het Fredericianum, dat eruitziet alsof vorige week de keurvorst van Pruisen er nog een galabal bezocht. Ik raak bijzonder snel in mijn normale tentoonstellingsshuffle: het rustig slenteren door de ruimtes, hier en daar stilstaan, loeren, mompelen, zwijgen. Al meteen in de eerste grote zaal staat een Beuys-imitatie, gemaakt door Feyzdjou, een Iraanse kunstenaar. Mag ik zo niet denken? Ik eis van kunst blijkbaar wat ik nog nooit gezien heb. De donkere zaal is tot opslagplaats omgebouwd: rollen donker beschilderd papier in kasten. Dozen, kisten, flessen, alles donker. Een winkel met uitstalkasten, op de grond geheimzinnige voorwerpen. Ik moet proberen mijn Beuys-bril af te zetten, maar hoe kan ik hem afzetten als mij gelegenheid geboden wordt hem op te zetten? Pettibon heeft verderop een kamer volgehangen en betekend met bewust kinderlijke tekeningen, groteske figuren, snelle afbeeldingen, «Elvis has never left the Bildung», staat ergens op de muur. Dit kom je op Documenta’s vaker tegen: beelden die het leven van de kunstenaar moeten verbeelden.

Mijn grootste vrees is de videokunst, maar vergeleken met vorige Documenta’s is er veel veranderd. De meeste videofilms zijn niet meer op kleine tv-toestellen te zien, maar worden op grote bioscoopschermen gedraaid in een bioscoopentourage, dus met banken en in een afgeschermde donkere ruimte. Neem de projectie van Yang Fudong. Een groot scherm met heldere beelden, onder meer een verhaal van een man bij de therapeut die hem ondervraagt over zijn masturbatiegewoontes en daarna een les in Chinese kalligrafie. Het geheel duurt 76 minuten, we kijken een minuut of tien en gaan dan weer voort. Veel van de films wijken in weinig af van antropologische films op Discovery Channel. Hoe de mensen in verre landen bij zichzelf thuis leven of hoe ze de problemen proberen te overwinnen. Ooit liepen daar dus mannen met came ra’s en geluidsapparatuur en de scriptgirls: deze scène moet over jongens, de ruïne is nog niet authentiek genoeg in beeld gebracht. Ik ben hier niet geschikt voor, straks ga ik gillen en word ik in een dwangbuis afgevoerd. Af en toe ook films van echt boze filmmakers. Die zijn vaak het ergste omdat boze filmmakers meestal vergeten dat je ook een goeie film moet maken. Zoals dichters of schrijvers wanneer ze over politiek schrijven ineens vergeten dat je vooral goed moet schrijven. Verontwaardiging over oorlog, over honger, over overheersing, maken de beelden er zoals gewoonlijk alleen vrijblijvender op. Er begint een norse neger in me neer te dalen wanneer ik de meestal ongestructureerde beelden toch af en toe bekijk. Camera openzetten, filmen en dan thuis monteren. Ik begin te lijden aan de ziekte van de museumbezoeker die zich tijdens Documenta’s vroeg of laat maar gelukkig meestal tijdelijk van me meester maakt. Dat ik het allemaal beter weet, dat ik weet hoe kunst moet zijn. Namelijk ongrijpbaar, meedogenloos, een raadsel, sentimenteel, voorbeeldig. Dat kunst moet zijn zoals Frank Zappa het ooit formuleerde: «What can you do that’s fantastic».

We gaan de grote zaal binnen van de film van Shirin Neshat. Op 35 mm opgenomen en via dvd geprojecteerd op twee grote schermen aan de linker- en rechtermuur van een grote verduisterde filmzaal. Het verhaal van een boom in een verlaten landschap die door mensen wordt aanbeden en waarin een vrouw lijkt te zijn opgesloten. Heel rustige beelden op de schermen, niet helemaal scherp, maar wel schitterend. Mensen lopen door het landschap naar de boom, langzaam steeds dichterbij, er zijn rituelen die je niet snapt, er is sombere muziek, ik kijk ademloos toe. Niet de camera openzetten en draaien maar, maar hier een script, een plan, een idee. En de twee schermen werken, ik kijk van scherm naar scherm. De boom in het beeld brandt mijn netvlies in, blijft daar zitten, op het andere scherm dezelfde boom net even anders. Mannen en vrouwen lopen erop af. Shirin Neshat maakte een meesterwerk. We blijven er rustig zitten, de tijd gaat voorbij, het maakt niet uit. In totaal duurt de film een minuut of twintig. We kunnen het aan en worden er zwijgzaam van.

Ecke Bonk projecteert in een grote zaal het woordenboek van Jacob Grimm, uit de achttiende eeuw, een eerbetoon, ik weet niet waarom ik het mooi vind, langzaam komen de lemma’s voorbij, alle woorden door Grimm bijeengebracht, juist het trage tijdsverloop maakt het beeld wonderlijk. In een zaal ernaast zeggen twee jonge Duitse mensen om de beurt een getal in zeer precieus Engels alsof het de mooiste tekst aller tijden is: Ninehundredandeightyseventhousandsixthousandtwohundred andeighty one en even later hetzelfde getal met op het einde eighty two. Daarna eighty three. Dit is een installatie van On Kawara, One Million Tears. Hij deed veel vaker mee op eerdere Documenta’s, hoort duidelijk tot de oude rotsen in de branding die je nooit kunt haten, die de norse negers onder mijn huid direct om zeep helpen. We nemen onze hoed af en lopen door. Dieter Roth heeft in een zaal meer dan twintig super8-projectoren neergezet, op een bordje staat dat ze om zes uur vanavond gaan draaien, we wachten geduldig. Een jongeman zet de apparatuur aan, op de wand draaien twintig autobiografische filmpjes, het suizend geluid is indrukwekkend, de films zijn nauwelijks bekijkbaar, we staan er enigszins opgelaten naar te kijken, zou Roth een interessant leven leiden? Zelf vindt hij van wel, interessant genoeg om er twintig filmpjes van te maken en hier te tonen. De norse neger in me blijft weg, hij is ergens anders neergedaald. Stan Douglas werkt met sentimentele Hollywoodprocédés, hij heeft alleen vreemde kleuren toegevoegd, zijn film duurt veertig minuten, daar is dus absoluut geen tijd voor. Waarom die lange films? Is dit een filmfestival? Als je alleen in het Fredericianum alle filmpjes helemaal zou bekijken ben je zeker twaalf uur kwijt. Bij Fiona Tan komt het gevoel van wanhoop met forse kracht terug. Haar installatie Countenance is een plagiaat van de prachtige Gary Hill-installatie van een jaar of tien geleden, Tall Ships. Achter in een wand staat een aantal projectoren die op een soort scherm vlak bij ons beelden van gewone mensen projecteren, gewone bewoners uit Berlijn die naar ons kijken. Ik loop zacht te vloeken en te tieren. Niet alleen de opstelling is gejat maar zelfs het idee «gewone mensen» aan ons te tonen, alles is letterlijk overgenomen, maar dan oneindig veel slechter, goedkoper, ik begin woedend te worden over zoveel gemakzucht, had er niet iemand even iets kunnen zeggen? We moeten hier snel weg voordat het te laat is.

De volgende dag gaan we eerst naar het station waar een grote hal als tentoonstellingsruimte dient. We vinden het tot nu toe opvallend dat de westerse kunstontwikkeling nu ook voorgoed de Derde Wereld heeft bereikt, dat is wat deze Documenta bewijst. Er zijn blijkbaar docenten naar verre landen uitgewaaid en zij geven daar de academiestudenten uitvoerig colleges over Dadaïsme, Installaties, Derrida en vooral Joseph Beuys. Diens navolgers zijn talloos, ze stapelen in zalen van alles op en laten ons ernaar kijken. We dwalen door de zalen, bekijken Libanese dadaïstische kunst, bezichtigen een verantwoorde opstelling over het Palestijns-Israëlische conflict waaruit duidelijk blijkt dat het daar oorlog is, zien martelwerktuigen uit Uruguay, een keurig project over de ondergang van een schip en belanden dan in de zaal met het werk van Constant. Ik raak volkomen ontdaan, dit is prachtig, nog nooit heb ik zijn New Babylon-constructies uit de vroege jaren zestig gezien. We dwalen van maquette naar maquette, ik zie Constant ineens in me en met me aan het werk. Fantastische bouwwerken, licht en luchtig, geestig maar ook ernstig. Bouwwerken bol van verlangen naar andere bouwwerken, naar ruimtes, ruimtelijkheid. Ik ben ontroerd, kan nauwelijks tranen binnenhouden, zie voor me hoe Constant hiermee aan het werk was, aan het lassen, hier nog een balkje, daar een lijntje, nog maar een boog gespannen. Dit is geen historische kunst maar nog springlevend. Onmogelijke werken neerzetten waarbij de onmogelijkheid ervan ter discussie staat, dat deed Constant. Een definitie van kunst creëren, wat ieder kunstwerk moet. Dit zijn de mooiste beelden van de Documenta, ik ben gelukkig dat we hier zijn. Daarna word ik weer nors. Kendell Geers maakte foto’s van bewaakte villa’s in Zuid-Afrika, zelf zou hij onmiddellijk zo’n villa betrekken wanneer hij ook maar iets te zeggen kreeg. Gratuit statement, slechte uitvoering, slappe plaatjes. Geers is de zoveelste koloniaal van de fotografie.

’s Middags rijden we naar de oude bierfabriek van de firma Binding. Veel antropologie, we slaan het nu over, we zien het wel op Discovery. Ook hier Beuys-navolging. Verlaten ateliers met opstapelingen van onaffe kunstwerken door Ivan Kozanic, vol zelfmedelijden, een uitstalling van Adeagabo uit Benin, op en top Beuys, goed uitgevoerd, op de schaal van Beuys toch zeker een 8. Verderop loopt in een installatie van Bruguera een meisje in een donkere ruimte over een podium, terwijl ze steeds een Uzi-geweer spant. Lana Simpson geeft ons via 31 video’s een kijkje op haar dagelijks leven, ik probeer het de moeite waard te vinden, denk aan mijn eigen leven, kan niks bedenken. Graag had ik ook een opname gezien vanuit de wc-pot op haar bilwerk, dit zijn de dromen van de op hol geslagen mannelijke tentoonstellingsviespeuk. De Amerikaanse Joan Jonas heeft een prachtige installatie voor elkaar gekregen die weliswaar direct Beuys in de herinnering brengt, maar toch geheimzinnig genoeg is: een rare canapé, videoschermen waarop iemand steeds piramides op een krijtbord tekent, een woestijnzetting waar twee figuren dingen uitstallen, hondje springt door hoepel, verwijzingen naar Helena van Troje. Gelukkig snap ik er weinig van en ontbreekt iedere uitleg, ik blijf ernaar kijken, ik ben er niet weg te slaan.

We zien videofilms van onder anderen Steve McQueen, aan zee, met golven, mooi, met van Hollywoodfilms afgekeken beelden, we kijken er vijf minuten naar. Ulrike Ottinger maakte een film van 366 minuten over afgelegen gebieden. We lopen er later een beetje over te grinniken, je moet maar durven als filmer. De tweede woedebui krijg ik bij de zalen vol foto’s van Alan Pekula. Prachtige foto’s van havenarbeiders, arbeiders, mensen in steden en in verloederde entourages, ik heb ze niet geteld, misschien vijftig. Sociaal-realisme. Na drie foto’s heb je ze allemaal gezien. Maar daar gaat het allemaal niet om, dat geldt ook voor andere kunst, je kunt alles al gezien hebben voordat je er bij bent wezen kijken. Maar Pekula heeft op grote borden uitvoerige teksten toegevoegd met sociaal bewogen verhalen erbij, dat we hier een verloren wereld aan het bekijken zijn, dat de automatisering alles zal opslokken, dat de wereld nimmer maar dan ook nimmer zoals vroeger wordt. Blijkbaar is hij behalve fotograaf ook econoom, socioloog en allesweter. Verhalen bijvoorbeeld over hoe zeemannen en haven arbeiders de grote oorlogen van tevoren in de havens en op schepen zien aankomen, waarbij we dan aan de wand havenarbeiders zien slepen met kratten waarop in het geheel niets van een oorlog valt af te lezen. Pekula heeft in die teksten alleen een grote mond, in zijn foto’s is niets van oorlog te merken: keurige esthetische plaatjes van een goede fotograaf. Op de teksten heeft hij het over marxisme. Niks daarvan op zijn foto’s, idealisme is daarop uitgebeeld, gratuite betrokkenheid, geen dwingende beelden waarop zijn blik bijvoorbeeld ter discussie staat. Nu willen we naar buiten. Gaan we nog bij de eskimo’s kijken? Laten we even teruggaan naar Constant.

Documenta XI, tot 15 september in Kassel (D)